Inhoudsopgave
1. 1. Persoonlijkheid: ontwikkeling, stabiliteit en persoon-omgeving
2. 2. Persoonlijkheid beschrijven en meten
3. 3. Verklarende benaderingen en motivatie
4. 4. Intelligentie
5. 5. Gender, cultuur, relaties en hechting
6. 6. Persoonlijkheid, gezondheid en coping
7. 7. Persoonlijkheidsstoornissen
8. 8. Toepassingen van persoonlijkheidspsychologie
9. 9. Integrerend overzicht
Pagina 1
,1. Persoonlijkheid: ontwikkeling, stabiliteit en persoon-omgeving
Persoonlijkheid verwijst naar de kenmerkende, relatief stabiele psychologische verschillen tussen
mensen in gedrag, gevoelens en gedachten. Persoonlijkheid bestaat uit een georganiseerd geheel van
trekken of disposities en onderliggende mechanismen. Deze verschillen zijn niet volledig
onveranderlijk: persoonlijkheid ontwikkelt zich door de wisselwerking tussen biologische aanleg,
ervaringen en de sociale omgeving.
1.1 Persoonlijkheid, temperament, karakter en disposities
Begrip Kern
Relatief stabiel, georganiseerd patroon van gedrag,
gevoelens en gedachten dat invloed heeft op
Persoonlijkheid
aanpassing aan de sociale, fysieke en psychologische
omgeving.
Basale, biologisch bepaalde eigenschappen die vroeg
Temperament zichtbaar zijn. Belangrijke componenten zijn
reactiviteit en zelfregulatie.
Het typische of kenmerkende van een persoon; meer
Karakter gevormd door ervaringen en vaak beschrijvend of
evaluatief.
Relatief stabiele gedragsneiging die in meerdere
Dispositie / trek situaties zichtbaar kan zijn en gedrag helpt
beschrijven of voorspellen.
Bij jonge kinderen wordt vooral gesproken over temperament; vanaf ongeveer drie jaar wordt de
overgang naar persoonlijkheid beschreven. Temperament vormt daarmee een biologische basis
waaruit later bredere persoonlijkheidstrekken kunnen ontstaan.
• Typen temperament bij jonge kinderen: gemakkelijk, moeilijk en trage starter.
• Reactiviteit: snelheid, gevoeligheid en intensiteit waarmee iemand reageert op prikkels; positieve
en negatieve emotionaliteit zijn vormen van reactiviteit.
• Zelfregulatie: het vermogen om reacties, gedrag, emoties en impulsen te sturen, te remmen of juist
te uiten.
• Hoge reactiviteit in combinatie met lage regulatie kan samenhangen met impulsiever gedrag;
hogere regulatie ondersteunt gecontroleerd en doelgericht gedrag.
1.2 Nature, nurture en erfelijkheid
Persoonlijkheid ontstaat uit een combinatie van genetische en omgevingsinvloeden. Erfelijkheid
verwijst naar de mate waarin genetische verschillen tussen mensen verschillen in persoonlijkheid
verklaren.
• De erfelijke bijdrage aan persoonlijkheid wordt geschat op ongeveer 40-60%.
• Tweelingonderzoek vergelijkt onder meer eeneiige tweelingen, die genetisch bijna identiek zijn,
met twee-eiige tweelingen, die gemiddeld ongeveer de helft van hun genetische variatie delen.
• Een belangrijke veronderstelling bij tweelingonderzoek is dat de vergeleken groepen in voldoende
vergelijkbare omgevingen opgroeien.
• De gedeelde omgeving omvat ervaringen binnen hetzelfde gezin en heeft onder normale
omstandigheden relatief weinig invloed op verschillen in persoonlijkheid.
Pagina 2
, • De niet-gedeelde omgeving bestaat uit unieke ervaringen van individuen en wordt als belangrijker
gezien voor persoonlijkheidsverschillen.
1.3 Persoon-omgeving correlaties en interacties
Persoon en omgeving beïnvloeden elkaar wederzijds. Persoonlijkheid bepaalt niet alleen hoe iemand
op een omgeving reageert, maar ook welke omgeving iemand kiest, hoe iemand situaties
interpreteert en welke reacties iemand bij anderen oproept.
Proces Betekenis Voorbeeld
Dezelfde omgeving wordt Een persoon ervaart een sociale
Reactieve correlatie verschillend geïnterpreteerd situatie als stimulerend, een ander
afhankelijk van persoonlijkheid. als belastend.
Mensen kiezen of creëren
Een extravert persoon zoekt vaker
Actieve correlatie omgevingen die bij hun
sociale situaties.
eigenschappen passen.
Persoonlijkheid roept reacties op Gedrag van een kind beïnvloedt
Evocatieve correlatie
bij anderen. hoe opvoeders reageren.
Het effect van een situatie hangt af Dezelfde stressor leidt bij de ene
Persoon-omgeving interactie van de persoon en het effect van persoon tot groei en bij de andere
een trek hangt af van de situatie. tot overbelasting.
De wederzijdse invloed tussen persoon en omgeving wordt ook transactioneel beschreven: persoon
en omgeving veranderen elkaar door de tijd heen. Daardoor kan persoonlijkheid zichzelf gedeeltelijk
stabiliseren, bijvoorbeeld doordat iemand steeds omgevingen kiest die bij bestaande trekken passen.
1.4 Ontwikkeling, stabiliteit en verandering
Vorm van stabiliteit Vraag
Blijft iemand relatief dezelfde positie innemen ten
Rangordestabiliteit
opzichte van anderen?
Verandert het gemiddelde niveau van een trek
Mean-level stabiliteit
binnen een groep over de tijd?
• Persoonlijkheid is relatief stabiel, maar niet volledig vast.
• Stabiliteit is lager in de jeugd en neemt toe in de volwassenheid, met een hoge stabiliteit rond de
middelbare leeftijd.
• Gedrag kan veranderen terwijl onderliggende trekken relatief stabiel blijven.
• Normatieve veranderingen omvatten onder meer toenemende zorgvuldigheid, sociaal
functioneren en emotionele stabiliteit; openheid kan eerst stijgen en later dalen.
• Nieuwe ervaringen, overtuigingen, bewustwording, sociale rollen en life events kunnen
verandering ondersteunen.
Social Investment Model
Het Social Investment Model koppelt persoonlijkheidsverandering aan sociale rollen. Investering in
werk, relaties en ouderschap brengt verantwoordelijkheden met zich mee en kan samenhangen met
meer stabiliteit en zorgvuldigheid.
1.5 Temperament en Big Five bij kinderen
De Big Five zijn ook toepasbaar op kinderen en tonen tussen ongeveer vier en twaalf jaar al redelijke
stabiliteit.
Pagina 3