Hoorcollege 1
Centrale vraag: ‘’Hoe kunnen we de motorische ontwikkeling van kinderen verklaren?’’
Motorische ontwikkeling:
- De veranderingen in motorisch gedrag die gedurende de kindertijd (0-20 jaar) zichtbaar
zijn.
- De processen die ten grondslag liggen aan deze veranderingen.
- Factoren die de veranderingen in gedrag beïnvloeden.
Waarom vertoont een kind een bepaalde vorm van nieuw gedrag op een bepaald moment
in de tijd?
Wat veroorzaakt dit nieuwe gedrag?
Begrippen
Genese: wording, het ontstaan van iets nieuws (novelty).
Ontogenese: de ontwikkeling van het individu.
Fylogenese: de ontwikkeling van de soort.
Thema’s om ontwikkeling te begrijpen
Ontwikkeling: de veranderingen in gedrag die in de kindertijd zichtbaar worden ->
kwalitatieve veranderingen.
Leren: individuele veranderingen in het gedrag die het gevolg zijn van exogene factoren
(omgevingsfactoren).
Groei(rijping): kwantitatieve biologische veranderingen.
Ontwikkeling ≠ leren ≠ groei
Hoe ontstaat nieuw gedrag?
- Nature-nurture debat: hoe ontstaat nieuw gedrag?
Nature: alle eigenschappen liggen besloten in het kind.
o Kennis ligt opgeslagen in de genen.
o Vooraf bepaalde ontwikkeling.
Nurture: het kind start als tabula rasa en wordt gevormd door opvoeding en
onderwijs.
o Kennis ligt opgeslagen in de omgeving.
o Nieuwheid door leren.
o Leren is altijd moeilijk.
Vervolg: kennis ligt opgeslagen in de gene -> interactie <- kennis uit de omgeving.
- Wederzijdse beïnvloeding van aangeboren structuren en omgevingsfactoren.
,Ontwikkeling continu of discontinu?
- Continu: nieuwe gedrag komt voort uit eerder gedrag (voortdurende toename van gedrag,
groei/leren, kwantitatieve veranderingen.
- Discontinu: nieuw gedrag komt voort uit nieuwe interne structuren, ontwikkeling,
kwalitatieve veranderingen.
Wat bepaalt of ontwikkeling continu of discontinu is?
- Soort gedrag dat bestudeert wordt (lengtegroei vs functioneel gedrag).
- Tijdsframe waarbinnen gemeten wordt.
Meten gedurende weken/maanden -> discontinu ontwikkeling.
Meten gedurende seconden tot dagen -> continu ontwikkeling.
Historisch overzicht van theorieën motorische ontwikkeling
Indeling van ontwikkelingstheorieën:
1. Nativisme: ontwikkeling wordt bepaald door endogene factoren.
Ontwikkeling = rijping van het CZS.
2. Empirisme: ontwikkeling wordt bepaald door exogene factoren.
Ontwikkeling = leren.
3. Interactionisme: ontwikkeling wordt bepaald door de wederkerige interactie tussen
individu en omgeving.
Ontwikkeling = interactie van rijping + leren.
Blauw pijltje van Mcgraw: zij
neigde al erg veel naar
interactionisme.
, Hoe verklaart nativistische theorie ontwikkeling?
- Model: biologisch onderzoek naar ontwikkeling van organismen.
- Genetische invloeden -> veranderingen in het CZS -> gedragsontwikkeling.
Pijler van rijpingstheorie: Coghill
1. Veranderingen in de morfologie van het gedrag vormen de basis voor het begrijpen van de
ontwikkeling.
2. De morfologie: reflecteert veranderingen in onderliggende neurale structuren.
3. Veranderingen in het CZS zijn een autonoom product van groei, zij worden niet
beïnvloed door de omgeving.
De rijpingsopvatting van Gesell
- Ontwikkeling is neurobiologische rijping.
- Reductionistische theorie.
- Cross-sectioneel observatie onderzoek, geen experimentalist.
- Ontwikkeling is endogeen bepaald.
Coghill vs Gesell
18 verschillende stadia van kinderen met kruipen -> 4 stadia komen overeen met de
ontwikkeling van salamanders.
Bewijs voor theorie Gesell
1. Universele invariante ontwikkeling
Opvolging van ‘stages’.
2. Tweelingenonderzoek: onafhankelijk van elkaar zelfde gedrag.
3. Beperkte invloed van training/oefening -> je kon niet met training bepaalde dingen
vervroegen.
4. Beperkte invloed lichamelijke stoornis.
5. Overeenkomst in ontwikkeling op andere gedragsterreinen.
Blinde kinderen konden ondanks dat ze hun omgeving niet konden zien, toch in
dezelfde volgorde mijlpalen bereiken.
Stage: series of postural transformations that occur in the acquisition of prone progression.
Rijpingsprincipes: Gesell
- Ontwikkelingsrichting:
Cephalo-caudaal = van hoofd tot voeten
Proximo-distaal = van romp naar ledematen
- Wederkerige dooreenweving: bepaalde gedragingen ontstaan in een bepaalde volgorde ->
nieuw gedrag weer in een andere volgorde.
Kruipen -> bilateraal.