HOOFDSTUK 2: BLOED: ALGEMENE EIGENSCHAPPEN EN FUNCTIES
2.1 HET BLOEDVATENSTELSEL: DE BOUW EN FUNCTIE VAN SLAGADERS, HAARVATEN EN ADERS
Algemeen:
- Hart aangesloten op 1500km bloedvaten
└ Slagaders, haarvaten en aders
└ Bloedvaten: naargelang de functie is de opbouw verschillend
└ Aorta van hart vertakt in fijnmaziger netwerk → verder van lichaam = dunnere vaten
Soorten bloedvaten
1) Arteriën: slagaders
└ Bloedstroom van het hart af
└ Iedere hartslag bloed door slagaders
└ Grote druk → arteriën moeten stevig zijn
2) Capillairen: haarvaten
└ kleinste bloedvaten in ons lichaam ( 10x dunner dan haar)
└ Doorheen spieren en organen → goede doorbloeding
└ Overtollig vocht uit bloed geperst doorheen de ultra-dunne wand
└ Uitwisseling van voedingsstoffen en afvalstoffen: bloed-weefsel
3) Venen: aders
└ Bloedstroom naar het hart
└ Geen pompwerking & stroomsnelheid in aders
└ Grote aders hebben kleppen om bloedophoping te voorkomen
└ Bloedbeweging naar hart door pompen in slagaders en spierbewegingen
2.2 EIGENSCHAPPEN VAN BLOED
Hoeveelheid bloed
- Afhankelijk van lichaamsgrootte: 4-6 L bloed
└ 50-60% bloedplasma
└ 40-50% bloedcellen
▪ Erytrocyten: rode bloedcellen (meest)
▪ Hematocriet = deel van bloed dat ingenomen wordt door bloedcellen
• Te lage: bloedarmoede
• Te hoge: te grote aanmaak RBC bv uitgedroogde mensen, EPO
(dopinggebruik bij wielrenners)
1
,Eigenschappen
- Homogeniteit van bloed
Positief effect Door continue beweging van bloed
Bloedcellen elkaar afstoten door negatieve elektrische lading
Negatief effect Verschil in dichtheid tussen bloedcellen en bloedplasma
Bloedcellen zullen bezinken en ophopen
- Stroperigheid of viscositeit
└ Bepaalt de stroomsnelheid
└ Wordt bepaald door:
▪ Hoeveelheid en vorm van cellen in bloed
▪ Hoeveelheid en vorm eiwitten in bloedplasma
• groot en langgerekt zijn (fibrinogeen)
• Immunoglobuline
→ stijging in viscositeit
└ Verandering in samenstelling van plasma-eiwitten
▪ invloed op lading van bloedcellen en viscositeit
▪ Bv: bij infecties, maligniteiten en ontstekingen
2.3 FUNCTIES VAN HET BLOED
Bloed is een van de belangrijkste orgaansystemen van het lichaam & heeft veel belangrijke functies:
1. Transport water, O2, CO2, koolhydraten, eiwitten, hormonen, vetten, mineralen, afbraakproduct
2. Beschermt tegen micro-organismen en lichaamsvreemde stoffen (!leukocyten)
3. Intact houden van binnenkant bloedvaten: beperken bloedverlies (!trombocyten & fibrinogeen)
4. Dichten van bloedvaten bij verwondingen: beperken bloedverlies
5. Vervoert warmte vanuit weefsels naar huid en longen om af te geven → behoud
lichaamstemperatuur
6. Rol in waterhuishouding en zuur-base-evenwicht
2.4 BESTANDDELEN VAN HET BLOED
SERUM EN PLASMA
Bloedafname in buis:
- Fibrinogeen wordt fibrine & gaat neerslaan tot bloedstolsel (coaguleren)
└ Bloedstolsel = netwerk van draden waarin bloedcellen zijn opgesloten, als stollingsproces
coagulatie
└ Omzetting door trombine o.i.v. calciumionen
- Stolsel trekt samen na bepaalde tijd = retractie → vloeistof onttrokken uit stolsel
└ Vloeistof zonder stollingsfactoren = bloedserum
└ Plasma verkregen door stolling te remmen via anticoagulantia
▪ Inhoud: water, eiwitten, vetten, suiker, elektrolieten, vitaminen
▪ Plasma zit bovenaan na centrifugatie
Plasma is bloed zonder bloedcellen mét stollingsfactoren en serum is bloed zonder bloedcellen én
zonder stollingsfactoren
2
,BESTANDDELEN IN PLASMA
Bestanddeel Functie Voorbeelden
Eiwitten + Transporteiwit van:
- Schildklierhormoon TBG
- Ijzer
Transferrine
- Calcium
- Toxische stoffen Albumine
Colloïd osmotische druk Albumine
Hormonen Albumine
Enzymen Insuline
Stollingsfactoren ALAT
Afweer Fibrinogeen
Immunoglobulinen
Vetten Grondstof voor:
- Hormonen Cholesterol
- Gal Cholesterol
Energiebron
TG
Suiker Energiebron Glucose
Elektrolieten (ionen) Waterverdeling Natrium
Botopbouw Calcium, fosfaat
Zenuwgeleiding Magnesium, kalium calcium
Bloedstolling Calcium
Cofactor voor enzymen Calcium, magnesium
Energiestofwisseling Fosfaat
Vitaminen Celdeling (DNA-synthese) Vit B12, foliumzuur
Botstofwisseling Vit D
BLOEDCELLEN
1) Erytrocyten
└ Hemoglobine = zorgt voor rode bloedkleurstof
└ Transport O2 en CO2
2) Leukocyten
└ Afweer tegen infecties
└ 5 soorten
3) Trombocyten
└ Stelping van bloedingen
3
, 2.5 DE BEZINKING
Bezinken = In ontstold bloed zullen RBC geleidelijk naar bodem zakken vanwege grotere dichtheid t.o.v.
plasma.
- Bezinkingssnelheid van erytrocyten = BSE of bezinking
- Rouleaux of geldrolvorming
└ RBC met biconcave vorm gaan met platte kant tegen elkaar stapelen
└ afgeremd door negatieve ladingen van de cellen
└ maar negatieve ladingeigenschap kan verminderen door bv ontsteking
▪ aanwezigheid van ontstekingseiwitten (acute fase eiwitten) wordt
lading afgeschermd
▪ gevolg: makkelijker optreden geldrolvorming & verhoogde
bezinking
BSE is afhankelijk van
1. Aantal en vorm van erytrocyten
└ Lager aantal RBC dus minder onderlinge afstoting → hoge bezinkingssnelheid
└ Kleinere RBC geeft ook → hoge bezinkingssnelheid
2. Verhoogde [ontstekingseiwitten/fibrinogeen/antistoffen] → hoge bezinkingssnelheid
3. Verhoogde viscositeit → verlaagde bezinkingssnelheid
└ Kan gevonden worden bij infecties en bepaalde types leukemieën
4. Leukocytose versterkt (10x verhoogd) → verlaagde bezinkingssnelheid
INTERPRETATIE BSE
- Eerste indruk gezondheidstoestand van patiënt (aanwezigheid aanwijzen maar ziekte niet benoemen)
- Aanwezigheid van ontsteking door infectie of maligniteit en anemie na gaan
└ Verhoogde bezinking door toegenomen productie van M-proteïne
- C-reactief proteïne (CRP) als vervanging van BSE
└ Ontstekingseiwit dat sneller reageert op infecties of ontsteking & dus betere merker
VERSCHIL IN KINETIEK TUSSEN BSE EN [CRP] IN BLOED ALS REACTIE OP INFECTIE
Kinetiek BSE CRP
> 24-48u
Stijging 4-6u
Piek Dag 5-7 24-48uur
2-4 weken
Halfwaardetijd 5-7 uur
4
2.1 HET BLOEDVATENSTELSEL: DE BOUW EN FUNCTIE VAN SLAGADERS, HAARVATEN EN ADERS
Algemeen:
- Hart aangesloten op 1500km bloedvaten
└ Slagaders, haarvaten en aders
└ Bloedvaten: naargelang de functie is de opbouw verschillend
└ Aorta van hart vertakt in fijnmaziger netwerk → verder van lichaam = dunnere vaten
Soorten bloedvaten
1) Arteriën: slagaders
└ Bloedstroom van het hart af
└ Iedere hartslag bloed door slagaders
└ Grote druk → arteriën moeten stevig zijn
2) Capillairen: haarvaten
└ kleinste bloedvaten in ons lichaam ( 10x dunner dan haar)
└ Doorheen spieren en organen → goede doorbloeding
└ Overtollig vocht uit bloed geperst doorheen de ultra-dunne wand
└ Uitwisseling van voedingsstoffen en afvalstoffen: bloed-weefsel
3) Venen: aders
└ Bloedstroom naar het hart
└ Geen pompwerking & stroomsnelheid in aders
└ Grote aders hebben kleppen om bloedophoping te voorkomen
└ Bloedbeweging naar hart door pompen in slagaders en spierbewegingen
2.2 EIGENSCHAPPEN VAN BLOED
Hoeveelheid bloed
- Afhankelijk van lichaamsgrootte: 4-6 L bloed
└ 50-60% bloedplasma
└ 40-50% bloedcellen
▪ Erytrocyten: rode bloedcellen (meest)
▪ Hematocriet = deel van bloed dat ingenomen wordt door bloedcellen
• Te lage: bloedarmoede
• Te hoge: te grote aanmaak RBC bv uitgedroogde mensen, EPO
(dopinggebruik bij wielrenners)
1
,Eigenschappen
- Homogeniteit van bloed
Positief effect Door continue beweging van bloed
Bloedcellen elkaar afstoten door negatieve elektrische lading
Negatief effect Verschil in dichtheid tussen bloedcellen en bloedplasma
Bloedcellen zullen bezinken en ophopen
- Stroperigheid of viscositeit
└ Bepaalt de stroomsnelheid
└ Wordt bepaald door:
▪ Hoeveelheid en vorm van cellen in bloed
▪ Hoeveelheid en vorm eiwitten in bloedplasma
• groot en langgerekt zijn (fibrinogeen)
• Immunoglobuline
→ stijging in viscositeit
└ Verandering in samenstelling van plasma-eiwitten
▪ invloed op lading van bloedcellen en viscositeit
▪ Bv: bij infecties, maligniteiten en ontstekingen
2.3 FUNCTIES VAN HET BLOED
Bloed is een van de belangrijkste orgaansystemen van het lichaam & heeft veel belangrijke functies:
1. Transport water, O2, CO2, koolhydraten, eiwitten, hormonen, vetten, mineralen, afbraakproduct
2. Beschermt tegen micro-organismen en lichaamsvreemde stoffen (!leukocyten)
3. Intact houden van binnenkant bloedvaten: beperken bloedverlies (!trombocyten & fibrinogeen)
4. Dichten van bloedvaten bij verwondingen: beperken bloedverlies
5. Vervoert warmte vanuit weefsels naar huid en longen om af te geven → behoud
lichaamstemperatuur
6. Rol in waterhuishouding en zuur-base-evenwicht
2.4 BESTANDDELEN VAN HET BLOED
SERUM EN PLASMA
Bloedafname in buis:
- Fibrinogeen wordt fibrine & gaat neerslaan tot bloedstolsel (coaguleren)
└ Bloedstolsel = netwerk van draden waarin bloedcellen zijn opgesloten, als stollingsproces
coagulatie
└ Omzetting door trombine o.i.v. calciumionen
- Stolsel trekt samen na bepaalde tijd = retractie → vloeistof onttrokken uit stolsel
└ Vloeistof zonder stollingsfactoren = bloedserum
└ Plasma verkregen door stolling te remmen via anticoagulantia
▪ Inhoud: water, eiwitten, vetten, suiker, elektrolieten, vitaminen
▪ Plasma zit bovenaan na centrifugatie
Plasma is bloed zonder bloedcellen mét stollingsfactoren en serum is bloed zonder bloedcellen én
zonder stollingsfactoren
2
,BESTANDDELEN IN PLASMA
Bestanddeel Functie Voorbeelden
Eiwitten + Transporteiwit van:
- Schildklierhormoon TBG
- Ijzer
Transferrine
- Calcium
- Toxische stoffen Albumine
Colloïd osmotische druk Albumine
Hormonen Albumine
Enzymen Insuline
Stollingsfactoren ALAT
Afweer Fibrinogeen
Immunoglobulinen
Vetten Grondstof voor:
- Hormonen Cholesterol
- Gal Cholesterol
Energiebron
TG
Suiker Energiebron Glucose
Elektrolieten (ionen) Waterverdeling Natrium
Botopbouw Calcium, fosfaat
Zenuwgeleiding Magnesium, kalium calcium
Bloedstolling Calcium
Cofactor voor enzymen Calcium, magnesium
Energiestofwisseling Fosfaat
Vitaminen Celdeling (DNA-synthese) Vit B12, foliumzuur
Botstofwisseling Vit D
BLOEDCELLEN
1) Erytrocyten
└ Hemoglobine = zorgt voor rode bloedkleurstof
└ Transport O2 en CO2
2) Leukocyten
└ Afweer tegen infecties
└ 5 soorten
3) Trombocyten
└ Stelping van bloedingen
3
, 2.5 DE BEZINKING
Bezinken = In ontstold bloed zullen RBC geleidelijk naar bodem zakken vanwege grotere dichtheid t.o.v.
plasma.
- Bezinkingssnelheid van erytrocyten = BSE of bezinking
- Rouleaux of geldrolvorming
└ RBC met biconcave vorm gaan met platte kant tegen elkaar stapelen
└ afgeremd door negatieve ladingen van de cellen
└ maar negatieve ladingeigenschap kan verminderen door bv ontsteking
▪ aanwezigheid van ontstekingseiwitten (acute fase eiwitten) wordt
lading afgeschermd
▪ gevolg: makkelijker optreden geldrolvorming & verhoogde
bezinking
BSE is afhankelijk van
1. Aantal en vorm van erytrocyten
└ Lager aantal RBC dus minder onderlinge afstoting → hoge bezinkingssnelheid
└ Kleinere RBC geeft ook → hoge bezinkingssnelheid
2. Verhoogde [ontstekingseiwitten/fibrinogeen/antistoffen] → hoge bezinkingssnelheid
3. Verhoogde viscositeit → verlaagde bezinkingssnelheid
└ Kan gevonden worden bij infecties en bepaalde types leukemieën
4. Leukocytose versterkt (10x verhoogd) → verlaagde bezinkingssnelheid
INTERPRETATIE BSE
- Eerste indruk gezondheidstoestand van patiënt (aanwezigheid aanwijzen maar ziekte niet benoemen)
- Aanwezigheid van ontsteking door infectie of maligniteit en anemie na gaan
└ Verhoogde bezinking door toegenomen productie van M-proteïne
- C-reactief proteïne (CRP) als vervanging van BSE
└ Ontstekingseiwit dat sneller reageert op infecties of ontsteking & dus betere merker
VERSCHIL IN KINETIEK TUSSEN BSE EN [CRP] IN BLOED ALS REACTIE OP INFECTIE
Kinetiek BSE CRP
> 24-48u
Stijging 4-6u
Piek Dag 5-7 24-48uur
2-4 weken
Halfwaardetijd 5-7 uur
4