Rechtsvergelijking
Deel III — Publiek- en privaatrechtelijke rechtsvergelijking
,Rechtsvergelijking
Inhoudsopgave
1. Staatsvorm en gezag ......................................................................................................................... 3
1.1 Opzet en structuur.....................................................................................................................................3
1.2 Democratie, mensenrechten en rechtsstaat ..............................................................................................3
1.2.1 Democratie ........................................................................................................................................................................ 3
1.2.2 Minderhedenbescherming en mensenrechten ................................................................................................................ 4
1.2.3 Rechtsstaat ........................................................................................................................................................................ 5
1.3 Centralisme, deconcentratie, decentralisatie en federalisme .....................................................................5
1.4 Staatshoofd, regering, volksvertegenwoordiging en onderlinge relaties .....................................................7
1.5 Rechters ....................................................................................................................................................9
1.6 Grondwetten ...........................................................................................................................................10
2. De persoon en zijn familie .............................................................................................................. 12
2.1 Opzet en structuur...................................................................................................................................12
2.2 Individu, persoonlijkheid, staat en handelingsbekwaamheid ....................................................................12
2.3 Verticale familieverhoudingen (vanaf hier: gereconstrueerd uit sterk gedraaide/minder scherpe scans —
bijzondere voorzichtigheid bij details) ...........................................................................................................16
2.4 Horizontale familieverhoudingen .............................................................................................................17
3. Verbintenissen en aansprakelijkheid .............................................................................................. 20
3.1 Opzet en structuur...................................................................................................................................20
3.2 Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht ............................................................................................21
3.3 Contractenrecht ......................................................................................................................................25
2
, Rechtsvergelijking
1. Staatsvorm en gezag
1.1 Opzet en structuur
● De wereld is verdeeld tussen staten, die gezag laten gelden op hun grondgebied en aangrenzende
zeedelen. Ondanks het belang van volkenrechtelijke organisaties en multinationale ondernemingen
blijven staten de basisordeningselementen van de wereld.
● Die basisordening is territoriaal — anders dan bv. het islamrecht, dat ratione personae geldt (op alle
moslims, waar ook ter wereld).
● Internationaal en supranationaal recht doorbreken de staatsgrenzen, maar vinden hun uiteindelijke
fundering toch in de aanvaarding door de staten zelf. Het boek spreekt zich uitdrukkelijk niet uit over
het al dan niet bestaan van universele (natuurrechtelijke) rechtsprincipes.
● Binnen elke staat is de machtsuitoefening, besluitvorming, beleidsvoering en geschillenbeslechting
op de een of andere manier geordend. Nagenoeg alle staten claimen democratisch te zijn,
mensenrechten te beschermen en een rechtsstaat te zijn — al dekken die begrippen niet overal
dezelfde lading (verder uitgewerkt in 1.2).
● Vraag of de centrale staat autonome deelentiteiten aanvaardt → federalisme, decentralisatie,
deconcentratie (verder uitgewerkt in 1.3).
● Elke staat heeft een staatshoofd als hoogste vertegenwoordiger (binnen- en buitenland). Die rol kan
louter representatief zijn, of ook een echte rol spelen in wetgeving, beleid en/of bestuur (dat laatste
meestal toevertrouwd aan een regering). De meeste landen kennen ook een
volksvertegenwoordiging. De onderlinge verhoudingen tussen staatshoofd, regering en
volksvertegenwoordiging worden juridisch zo geregeld dat er ofwel een evenwicht bestaat, ofwel de
balans naar één van hen doorweegt. Bij geschillen treden rechters op — elke staat voorziet een eigen
gerechtswezen.
● Al deze kernkenmerken van de staatsinrichting worden doorgaans in één instrument geregeld: de
grondwet/constitutie, met een grote onderlinge verscheidenheid.
● Belangrijke methodologische kanttekening waarmee het hoofdstuk opent: het onderscheid tussen
recht in de boeken en recht in actie. Bij publiekrechtelijke onderwerpen is dat onderscheid nog
crucialer dan bij privaatrechtelijke: dezelfde regel (bv. het recht van een staatshoofd om rechters te
benoemen) kan in het ene land een pure formaliteit zijn, en in het andere land een instrument om
volledige gezagsgetrouwheid van rechters af te dwingen. Vandaar: grote voorzichtigheid bij
conclusies uit gelijkenissen/verschillen, en geen politieke kleuring van de relativiteit van het recht in
de boeken.
1.2 Democratie, mensenrechten en rechtsstaat
(Het boek gaat bewust niet uitputtend in op de begrippen zelf — daarover bestaat al uitgebreide literatuur
— maar focust op de verschillende invullingen die staten eraan geven.)
3
Deel III — Publiek- en privaatrechtelijke rechtsvergelijking
,Rechtsvergelijking
Inhoudsopgave
1. Staatsvorm en gezag ......................................................................................................................... 3
1.1 Opzet en structuur.....................................................................................................................................3
1.2 Democratie, mensenrechten en rechtsstaat ..............................................................................................3
1.2.1 Democratie ........................................................................................................................................................................ 3
1.2.2 Minderhedenbescherming en mensenrechten ................................................................................................................ 4
1.2.3 Rechtsstaat ........................................................................................................................................................................ 5
1.3 Centralisme, deconcentratie, decentralisatie en federalisme .....................................................................5
1.4 Staatshoofd, regering, volksvertegenwoordiging en onderlinge relaties .....................................................7
1.5 Rechters ....................................................................................................................................................9
1.6 Grondwetten ...........................................................................................................................................10
2. De persoon en zijn familie .............................................................................................................. 12
2.1 Opzet en structuur...................................................................................................................................12
2.2 Individu, persoonlijkheid, staat en handelingsbekwaamheid ....................................................................12
2.3 Verticale familieverhoudingen (vanaf hier: gereconstrueerd uit sterk gedraaide/minder scherpe scans —
bijzondere voorzichtigheid bij details) ...........................................................................................................16
2.4 Horizontale familieverhoudingen .............................................................................................................17
3. Verbintenissen en aansprakelijkheid .............................................................................................. 20
3.1 Opzet en structuur...................................................................................................................................20
3.2 Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht ............................................................................................21
3.3 Contractenrecht ......................................................................................................................................25
2
, Rechtsvergelijking
1. Staatsvorm en gezag
1.1 Opzet en structuur
● De wereld is verdeeld tussen staten, die gezag laten gelden op hun grondgebied en aangrenzende
zeedelen. Ondanks het belang van volkenrechtelijke organisaties en multinationale ondernemingen
blijven staten de basisordeningselementen van de wereld.
● Die basisordening is territoriaal — anders dan bv. het islamrecht, dat ratione personae geldt (op alle
moslims, waar ook ter wereld).
● Internationaal en supranationaal recht doorbreken de staatsgrenzen, maar vinden hun uiteindelijke
fundering toch in de aanvaarding door de staten zelf. Het boek spreekt zich uitdrukkelijk niet uit over
het al dan niet bestaan van universele (natuurrechtelijke) rechtsprincipes.
● Binnen elke staat is de machtsuitoefening, besluitvorming, beleidsvoering en geschillenbeslechting
op de een of andere manier geordend. Nagenoeg alle staten claimen democratisch te zijn,
mensenrechten te beschermen en een rechtsstaat te zijn — al dekken die begrippen niet overal
dezelfde lading (verder uitgewerkt in 1.2).
● Vraag of de centrale staat autonome deelentiteiten aanvaardt → federalisme, decentralisatie,
deconcentratie (verder uitgewerkt in 1.3).
● Elke staat heeft een staatshoofd als hoogste vertegenwoordiger (binnen- en buitenland). Die rol kan
louter representatief zijn, of ook een echte rol spelen in wetgeving, beleid en/of bestuur (dat laatste
meestal toevertrouwd aan een regering). De meeste landen kennen ook een
volksvertegenwoordiging. De onderlinge verhoudingen tussen staatshoofd, regering en
volksvertegenwoordiging worden juridisch zo geregeld dat er ofwel een evenwicht bestaat, ofwel de
balans naar één van hen doorweegt. Bij geschillen treden rechters op — elke staat voorziet een eigen
gerechtswezen.
● Al deze kernkenmerken van de staatsinrichting worden doorgaans in één instrument geregeld: de
grondwet/constitutie, met een grote onderlinge verscheidenheid.
● Belangrijke methodologische kanttekening waarmee het hoofdstuk opent: het onderscheid tussen
recht in de boeken en recht in actie. Bij publiekrechtelijke onderwerpen is dat onderscheid nog
crucialer dan bij privaatrechtelijke: dezelfde regel (bv. het recht van een staatshoofd om rechters te
benoemen) kan in het ene land een pure formaliteit zijn, en in het andere land een instrument om
volledige gezagsgetrouwheid van rechters af te dwingen. Vandaar: grote voorzichtigheid bij
conclusies uit gelijkenissen/verschillen, en geen politieke kleuring van de relativiteit van het recht in
de boeken.
1.2 Democratie, mensenrechten en rechtsstaat
(Het boek gaat bewust niet uitputtend in op de begrippen zelf — daarover bestaat al uitgebreide literatuur
— maar focust op de verschillende invullingen die staten eraan geven.)
3