Week 1: staat, overheid en constitutie
I. Staatsrechtelijke geschiedenis - De Habsburgse tijd en de
opstand tegen Spanje
Inleiding
Een staat is een organisatie die voorrang heeft op andere organisaties en
effectief gezag uitoefent over een gemeenschap van mensen op een bepaald
grondgebied, ex art. 1 Montevideo Verdrag inzake de Rechten en Plichten van
Staten.
Dus, 3 elementen:
a) Een gemeenschap van mensen;
b) Een afgebakend gebied;
c) Een overheidsorganisatie die effectief gezag uitoefent.
d) (Erkenning door andere landen dit is geen formeel vereiste, maar wel een
belangrijke aanwijzing dat er effectief gezag (vereiste c) wordt uitgeoefend).
Geschiedenis
In de middeleeuwen lag het gezag in West-Europa nog exclusief bij een vorst. Hij
kon dit gezag weggeven door bijvoorbeeld een deel van zijn grondgebied te
verkopen (leenstelsel). Dit gezag was destijds vaak erfelijk en kon bij huwelijken
overgedragen worden. De macht lag aldus bij de vorst en bij de adel, maar niet bij de
gewone man. Toch had deze gewone man een bestaan dat redelijk vrij was van
grote risico’s, zoals oorlog, honger en armoede: het gewone volk had geen gezags-
of politieke rechten, maar het werd door de persoonlijke gezagsdragers toch redelijk
beschermd tegen de normale risico’s zoals oorlog, slecht volk, honger en armoede.
In de zestiende eeuw kwam de klasse van kooplieden en burgers op zij hadden
de sociale bescherming van de gezagsdragers niet nodig. Men begon de
rechtvaardigheid van het gezag als persoonlijk recht in twijfel te trekken. Men begon
gezag te beschouwen als iets dat de ruimte laat voor de samenwerking van velen.
Machiavelli beschrijft in die tijd dan ook over hoe een gezagsdrager op moet treden
om de orde, vrede en eenheid van een land te bewerkstelligen. Gezag is dan niet
langer meer een verhandelbaar goed, maar iets waar de vorst symbool van is, net
als van de cultuur van het land. Wordt het verschil tussen cultuur en vorst te groot,
dan dient de vorst te verdwijnen. De vorst is hierbij een orgaan en symbool van de
staat.
Voor de later opkomende burgerij was het echter twijfelachtig waaraan het gezag zijn
rechtvaardiging ontleende. De maatschappij bestond volgens hen immers uit vrije
individuen. Gezag is volgens de burgers uit de 16e eeuw dan ook het
tegenovergestelde van vrijheid; het beperkt hun vrijheid juist. Dit naar ideeën van
John Locke.
1
,15e/16e eeuw Europa was een lappendeken van verschillende staatjes, waar
vorsten regeerden. Al deze vorsten waren geïnteresseerd om hun gebied groter te
maken: hoe meer land je beheerste, hoe machtiger je was. Dit kon door een huwelijk,
maar ook door oorlog.
De hoogste heerser in Europa in de formele zin van het woord was de Keizer van het
Heilige Roomse Rijk. Hieronder viel ook het huidige Benelux.
De Keizer van het Heilige Roomse Rijk noemde zichzelf keizer omdat de Romeinse
keizers zichzelf zo noemden, en de Keizer van het Heilige Roomse Rijk presenteerde
zichzelf als een opvolger van die keizers: de legitieme opvolgers van de Romeinse
keizers.
Verschil: de Keizer van het Heilige Roomse Rijk bezat niet de macht die de
Romeinse keizers ooit bezaten: onder de Keizer regeerden honderden vorsten over
hun eigen gebied, de feitelijke macht was niet groot.
Een van de regeerders/vorsten binnen het Heilige Roomse Rijk was de hertog van
Bourgondië.
Begin 15e eeuw De Bourgondische hertog was erin geslaagd om de ‘heersers titel’
te krijgen in bepaalde Nederlandse gewesten: hij werd de Graaf van Holland en de
Graaf van Zeeland.
De Bourgondiërs noemden de Nederlandse gewesten toentertijd ‘onze landen van
herwaarts over’. Zo gaven zij aan dat hun gebied verderop lag: er lag ook nog gebied
tussen Bourgondië en de gewesten waar zij niet over heersten.
Langzaamaan ontstond de gewoonte om te spreken over ‘onze laag geleden
landen/onze Nederlanden’, omdat vanuit het heuvelachtige Bourgondië de
Nederlanden letterlijk lager lagen.
Toen het heersende Bourgondische huis uitstierf, nam de familie von Habsburg de
bourgondische hertogstitel over. De Habsburgers waren zo succesvol dat ze ook de
Keizerstitel hadden.
Halverwege 16e eeuw de toenmalige Keizer van het Heilige Roomse Rijk, Karel V,
slaagt erin om alle gewesten in de Nederlanden (17) in handen te krijgen: hij was in
alle 17 gewesten de heerser: zo was hij de graaf van Holland, hertog van Gelderland
etc.
Karel V deed heel succesvol aan staatsvorming: toen hij alle 17 gewesten onder zich
had probeerde hij daar een zekere mate van eenheid te creëren.
Voorbeeld:
1. Voor alle 17 gewesten komt er één beroepsrechter, een soort Hoge Raad,
gevestigd in Mechelen.
2. Karel V besluit te gaan overleggen/vergaderen met lokale edelen die verstand
van zaken hadden over het bestuur van Nederland als geheel. Deze lokale
edelen vormden een vergadering van afgevaardigden van de verschillende
gewesten die bijeenkwamen in Brussel zo groeide Brussel uit tot de
hoofdstad van de Nederlanden.
Deze provinciale bestuurders van de provincies in de Nederlandse gewesten
heetten toentertijd op heel veel plekken ‘staten’. Omdat in al die gewesten een
Statencollege bestond, ontstond uiteindelijk de gewoonte om het orgaan wat
vertegenwoordigers van alle gewesten bevatte, aan te gaan duiden als
Staten-Generaal een orgaan namens alle gewesten.
2
, 3. Karel V stelde een adviesorgaan in, waarin hij lokale Nederlandse hoge
edelen en beroepsjuristen benoemde om hem te adviseren over hoe hij de
Nederlanden het beste kon besturen: de Raad van State.
4. Karel V besluit dat in alle 17 gewesten, de opvolging hetzelfde geregeld moet
worden: hij laat door de Staten in alle 17 provincies een regeling aannemen:
de pragmatieke sanctie hierin werd geregeld dat Karel V’s zoon, Filips II, in
alle 17 Nederlandse gewesten op dezelfde manier kon opvolgen.
Formeel horen de 17 gewesten nog bij het Heilige Roomse Rijk: Karel V was dus als
heerser van de Nederlanden eigenlijk zijn eigen onderdaan, aangezien hij ook Keizer
was van het Roomse Rijk.
1555 Karel V treedt af. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk wordt hij opgevolgd
door zijn neef, en in de Nederlanden wordt hij opgevolgd door zijn zoon Filips II, die
door opvolging ook koning wordt van Spanje.
Waar Karel V een vrij succesvolle vorst was over de Nederlandse gewesten, was
Filips II dat niet. Dit kwam mede omdat Karel V ook in Gent was geboren en dus
Vlaams sprak, terwijl Filips in Spanje was opgegroeid en dus totaal geen Nederlands
sprak.
Hij bestuurde zijn Nederlandse gewesten vooral vanuit Madrid, vooral via lokale
edele raadgevers uit Nederland. Op een gegeven moment werd hij ontevreden over
hoe zij de Nederlanden bestuurden, en ging hij steeds meer mensen uit Spanje naar
de Nederlanden sturen, die totaal geen affiniteit met de Nederlandse gewesten
hadden en niet vertrouwd waren met hoe het Nederlandse bestuur in elkaar zat. Dit
leidde tot ontevredenheid in de Nederlandse gewesten.
Daarnaast sloeg de Reformatie in veel Nederlandse gewesten aan: veel mensen
besloten om met de katholieke kerk te breken en protestant te worden. Filips was
echter een katholieke heerser. Hij probeerde in de Nederlanden het katholicisme,
ook met geweld, te handhaven.
Het verzet van de Nederlandse gewesten mondde uit in een Opstand, die werd
geleid door een hoge edelman die onder Karel V de stadhouder was in Holland en
Zeeland: Willem van Oranje. Dit noemen we ook wel de 80-jarige oorlog.
De Opstand begon moeizaam maar werd heel krachtig, tot in 1580 de Spanjaarden
Antwerpen heroverden. Daardoor vluchtten een stroom protestanten burgers uit de
Zuidelijke Nederlanden naar de Noordelijke Nederlanden. Dit heeft ertoe geleid dat
de opstand zich ging concentreren in het noorden.
Vervolgens verzoenden de Zuidelijke Nederlanden zich met Filips II en zijn
opvolgers.
In de Noordelijke Nederlanden ging de opstand succesvol door. Dit mondde in 1648
uit in een vredesverdrag met de Spanjaarden: de vrede van Münster. Hierbij werden
de Noordelijke Nederlanden definitief vrij van de Spaanse kroon, en daarmee ook
losgemaakt van het Heilige Roomse Rijk.
3
, Er kwamen 7 Noordelijke Nederlandse gewesten: Holland, Zeeland, Utrecht,
Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen + nog wat gebieden werd in 1648
een afhankelijke staat.
Dit werd geen eenheidsstaat: de Opstand wilde de vrijheid van de provincies
handhaven, die de Spaanse koning wilde ondermijnen de Noordelijke
Nederlanden werd een confederatie van bijna onafhankelijke provincies. Wel bleef de
Staten-Generaal bestaan, die voortaan bijeenkwam in den Haag. Er was geen vorst
meer: in 1648 werden de 7 onafhankelijke gewesten de Republiek der 7 Verenigde
Nederlanden.
II. Staatsrechtelijke geschiedenis – De Franse tijd en de stichting
van het Koninkrijk
17e eeuw in Nederland wordt ook wel Gouden Eeuw genoemd: de confederale
Republiek was een succesvolle staat. Er was geen vorst, de gewesten deden het
zelf. Er was nog geen democratie, maar wel een burgerlijke basis die de Republiek
bestuurde.
Voorbeeld: in sommige provincies werden de Staten aangewezen door lokale
landheren, in steden soms zelfs gekozen door gildes etc.
18e eeuw bestuursmodel van de Republiek raakt bevroren in de vorm waarin het
in de late 16e eeuw bestaan had: de Opstand tegen Spanje was in eerste instantie
niet bedoeld om een onafhankelijke Republiek te worden, maar om oude rechten te
handhaven die in de ogen van veel Nederlanders bedreigd werden door Filips II.
Omdat het erom ging om de oude rechten te handhaven, is de Republiek er nooit in
geslaagd om zijn bestuursmodel te moderniseren.
De Republiek blijft hangen in polderen, overleggen, vetorechten van de provincies
etc., waar andere landen hun bestuursmodel moderniseerden.
Er was nog wel een stadhouder van de gewesten Holland en Zeeland, die volgens
gewoonte altijd iemand was uit de familie van Oranje-Nassau: Maurits, de zoon van
Willem van Oranje. Dit was apart in de Republiek: er was wel een stadhouder,
meestal aangesteld om de vorst lokaal te vertegenwoordigen, maar er was geen
vorst meer.
Daarnaast was er een tweede stadhouder van Groningen en Drenthe.
De stadhouder had een belangrijke functie: hij was opperbevelhebber van het leger
en in veel gewesten had hij rechtelijke taken.
In 1748 werd het stadhouderschap erfelijk, en was er nog maar 1 stadhouder in alle
7 gewesten: hier begon de Republiek monarchale trekken te krijgen. Officieel was
het stadhouderschap nog steeds een (hele hoge) ambtelijke functie, en geen
staatshoofd.
2e helft 18e eeuw de Republiek kachelt achteruit: Nederlanders willen hun oude
glorie terug, en heel veel mensen waren het erover eens dat er iets moest gebeuren,
maar hervorming met volledige unanimiteit tussen gewesten lukte echter niet, tot:
4