Week 1A: Personen- en familierecht
Boek 1: personen- en familierecht, incl. het huwelijksvermogensrecht
I. Ontwikkelingen
In de maatschappij:
Zijn nu meer relatievormen en zorgrelaties, zoals relaties van het gelijke
geslacht, of meerdere personen
Seriële monogamie (wanneer iemand meerdere malen achter elkaar één
partner achter elkaar heeft) en patchworkfamilies (twee mensen die
gescheiden zijn en beiden kinderen hebben vormen tezamen een gezin)
Meer echtscheidingen
Meer vermogen veel families hebben tegenwoordig een eigen huis.
Nieuwe voortplantingstechnieken, zoals met inseminatie of met een donor
Internationale samenleving waar huwelijken uit voortkomen
In wetgeving:
Het afschaffen van de dominante positie van de man vroeger was de
gehuwde vrouw handelingsonbekwaam, is in 1956 afgeschaft, nu verschil
tussen man en vrouw zo veel mogelijk ingeperkt
Verbetering van de rechtspositie van de vrouw en het kind
Afschaffing schuldbeginsel bij echtscheiding vroeger moest een van de
twee echtgenoten overspel hebben gepleegd voordat men mocht scheiden, tot
1970. Mensen die uit elkaar wilden gaan, logen vaak over overspel =
schuldbeginsel. Degene die schuldig was aan de scheiding, had geen recht op
alimentatie. De grond die nu geldt voor scheiding is dat een huwelijk
duurzaam ontwricht moet zijn: een scheiding kan pas bij de rechter worden
aangevraagd als de verhouding binnen het huwelijk zo moeilijk is geworden
dat het niet langer mogelijk is om nog bij elkaar te blijven.
Invoeren sekseneutraliteit van relatievormen en ouderschap bijvoorbeeld
het openstellen van het huwelijk voor mensen van gelijk geslacht, 2001. Ook
een kind kan twee vaders/moeders hebben.
Bescherming op maat van kwetsbare meerderjarigen, 2014
meerderjarigenbewind is ingesteld. Wetgever wil zo min mogelijk curatele
toepassen: dit is een forse maatregel, aangezien iemand dan
handelingsonbekwaam wordt. Bij meerderjarigenbewind worden goederen
onder bewind gesteld, en niet de persoon zelf.
Nieuwe transgenderwetgeving
Meer internationale (vooral Europese) invloeden EVRM.
Europese invloed
Marckx vs. België-arrest (EHRM 1979) mevrouw Marckx had een dochter, die
buiten het huwelijk was geboren. De Belgische wetgever bedeelde toentertijd een
kind wat buiten het huwelijk was geboren, een minder goede juridische status toe
dan kinderen die binnen een huwelijk geboren waren. Voorbeelden hiervan waren
dat een kind wat geboren was buiten een huwelijk niet automatisch kon erven, en
een moeder haar kind eerst moest erkennen voordat zij ook echt juridisch moeder
was. Als dit was gebeurd had het kind niet eens een afstammingsband met de
1
,familieleden van de moeder. Dit alles was wel aan de orde als een kind binnen een
huwelijk zou zijn geboren.
Zowel Marckx als haar dochter vonden dit onrechtvaardig en zijn naar het EHRM
gestapt. Het EHRM gaf Marckx gelijk: zij vonden dat het onderscheid wat de
Belgische wetgever maakt in strijd met art. 8 jo. Art 14 EVRM: het recht op privé- en
gezinsleven, en het verbod op discriminatie.
Ook Nederland kende een systeem waarbij onderscheid werd gemaakt tussen
kinderen die binnen het huwelijk waren geboren, en kinderen die buiten het huwelijk
waren geboren: er werd dan gesproken van wettige en onwettige kinderen. Na dit
arrest heeft ook Nederland besloten het afstemmingrecht aan te passen. Vanaf 1998
komt dit onderscheid tussen wettig en onwettig in Nederland niet meer voor, omdat
er toen een nieuw afstammingsrecht kwam.
Staatscommissie Herijking Ouderschap
2016 Staatscommissie brengt een rapport uit, de Herijking Ouderschap.
Staatscommissie is een commissie ingesteld door de regering, die werd ingesteld om
te onderzoeken of het afstammingsrecht en het gezagsrecht nog wel van deze tijd
was. Hierin is bijvoorbeeld vastgelegd dat er ruimte moet komen voor de
mogelijkheid dat een kind meer dan twee juridische ouders heeft. Staatscommissie
heeft ook aanbevelingen gedaan op het gebied van draagmoederschap: moet een
wettelijke regeling komen hierover.
Dit rapport zet de lijnen uit voor de toekomst.
II. Identiteit, rechtsbevoegdheid
Wanneer een baby geboren wordt, ontstaat er een nieuw rechtssubject drager van
rechten en plichten (natuurlijk persoon).
Identiteit
Wanneer een kind geboren wordt, wordt zijn/haar identiteit afgeleid uit:
- DNA;
- Burgerservicenummer voor belastingen;
- Uiterlijk;
- Voor- en achternaam, ex art. 1:4 e.v. BW
- Handtekening.
Geboorteaangifte
Het kind moet verplicht door de vader binnen 3 dagen na de geboorte worden
aangegeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de
burgerlijke stand is de enige ambtenaar die is aangewezen om geboorteakten op te
maken, ex art. 1:19 BW. De akten die worden opgemaakt zijn authentieke aktes
deze leveren dwingend bewijs op, ex art. 157 Rv.
Geslachtsnaam
De vereisten voor de geslachtsnaam staan in art. 1:5 BW.
Indien een kind alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat,
heeft het haar geslachtsnaam. (lid 1)
2
, Indien een kind door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader
komt te staan, houdt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij zij de
moeder en de erkenner verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader
zal hebben. (lid 2)
Indien een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot beide ouders
komt te staan, verklaren de ouders gezamenlijk welke van hun beider
geslachtsnamen het kind zal hebben. Ontbreekt de verklaring wanneer de
ouders gehuwd zijn, krijgt het kind de naam van de vader. (lid 4)
De verklaring van welke geslachtsnaam gekozen wordt, wordt uiterlijk ter
gelegenheid van de aangifte afgelegd.
De geslachtsnaam kan ook worden gewijzigd, dit gebeurt door de Koning via art. 1:7
BW. De wijziging kan geschieden op verzoek van de persoon zelf, op verzoek van de
wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van
de minderjarige wordt verzocht, op verzoek van de vertegenwoordiger.
Woonplaats
Art. 1:10 BW stelt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner
woonstede ter plaatse van zijn werkelijke verblijf. Een kind volgt de woonplaats van
degene(n) die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen.
Rechtsbevoegdheid
Persoon = een natuurlijke persoon, of een rechtspersoon. Betekenis uit art. 1:1 lid 1
BW allen die zich in Nederland bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de
burgerlijke rechten. Dit geldt van de geboorte tot de dood.
Bij personen- en familierecht spreken we van natuurlijke personen. Dit betekent dus
dat een persoon bevoegd is tot het genot van burgerlijke rechten.
Een persoon bezit rechtsbevoegdheid:
Begin geboorte: hiermee wordt de rechtspersoon ‘opgericht’
Einde dood: het genot van burgerlijke rechten houdt op met bestaan.
Handelingsbevoegdheid
In beginsel is iedereen in Nederland handelingsbevoegd, art. 3:43 BW dit is de
bevoegdheid tot het verrichten van speciefieke rechtshandelingen.
Soms is een persoon niet volledig handelingsbevoegd: voorbeeld als je getrouwd
bent, heb je soms toestemming nodig tot het verrichten van bepaalde handelingen
(kopen van een huis).
Van handelingsonbevoegdheid spreken we als iemand volgens de wet onbevoegd is
om bepaalde rechtshandelingen te verrichten, een voorbeeld hiervan is dat een
rechter onbevoegd is om bepaalde goederen te kopen waarover een geding
aanhangig is bij hun rechtbank. Een ander voorbeeld is dat een failliet persoon
onbevoegd is om zijn huis te verkopen.
De persoon is dus wel handelingsbekwaam, maar voor die specifieke handeling is hij
handelingsonbevoegd.
3
, Handelings(on)bekwaamheid
In beginsel is iedereen in Nederland handelingsbekwaam, art. 3:32 jo. 1:234 BW
maar de wet stelt dat er een paar personen niet handelingsbekwaam zijn, zoals
minderjarigen en diegene die onder curatele zijn gesteld.
Handelingsonbekwaam = men is wel bevoegd tot het verrichten van
rechtshandelingen, maar dit moet met toestemming van iemand anders in
algemeenheid (dus voor alle rechtshandelingen). Als een handelingsonbekwame een
rechtshandeling verricht zonder toestemming, is deze rechtshandeling vernietigbaar.
Verschil handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid
handelingsbevoegdheid geldt voor bepaalde specifieke handelingen,
handelingsonbekwaamheid betekent dat je in zijn algemeenheid niet zelfstandig
rechtshandelingen kunt verrichten, slechts met toestemming van een wettelijke
vertegenwoordiger (ouder/curator).
Minderjarige
Art. 1:234 lid 1 BW minderjarige is in beginsel handelingsbekwaam, mits hij
handelt met toestemming van zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger.
Lid 3 deze toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger wordt verondersteld
te zijn gegeven als het gaat om handeling waarvan men in het maatschappelijke
verkeer vindt dat een minderjarige van een bepaalde leeftijd die zelfstandig kan
verrichten. Voorbeeld: een 14-jarige kan zelfstandig een zak snoep kopen, zonder
toestemming te vragen aan zijn ouders.
Maar waar ligt dan de grens? Als een handelingsonbekwame (dus een minderjarige
hier), een rechtshandeling verricht zonder toestemming, is deze rechtshandeling
vernietigbaar.
Art. 1:234 BW kent ook uitzonderingen:
- Art. 4:55 BW een 16-jarige kan een rechtsgeldig testament opstellen;
- Art. 7:216 BW jongeren kunnen zelfstandig een arbeidsovereenkomst
aangaan.
Art. 1:235 BW onder omstandigheden kan een minderjarige ook handlichting
krijgen = bijvoorbeeld wanneer een minderjarige een onderneming begint, dan is het
heel onhandig dat hij voor iedere rechtshandeling die hij wil aangaan toestemming
nodig heeft van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Daarom kan hij de kantonrechter
handlichting vragen: dit is een uitzondering op het steeds toestemming vragen voor
bepaalde, specifieke rechtshandelingen, bijvoorbeeld die zijn bedrijf betreffen.
Onder curatele gestelde
Art. 1:381 lid 2 BW de onder curatele gestelde is handelingsonbekwaam, voor
zover de wet niet anders bepaalt. Een curator kan een rechtshandeling van een
onder curatele gestelde vernietigen.
NB vroeger was een gehuwde vrouw ook handelingsonbekwaam.
III. Afstammingsrecht
Familierechtelijke betrekkingen, art. 1:197 BW een kind, zijn ouders en hun
bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekkingen tot elkaar.
4