,WEEK 1
HC: Mondeling en schriftelijk overdragen
SLIM hfd 1: klinisch redeneren
SLIM hfd 2: Overdragen
- Kan de algemene principes van klinisch redeneren en de valkuilen daarin
beredeneren.
- Kan de algemene principes van dossiervorming en overdracht uitleggen en aan de
hand van een casus illustreren.
Structuur status pt
1. Wie
2. RvK (reden van komst)
3. VG
4. Med
5. Allergieën
6. A (Anamnese)
7. Tractusanamnese
8. LO
Geen gebruik ipv –
ZSA-antwoorden staan in de pwp van dit college
SBAR
- Situation (WWW. Y: who, where, who, why)
- Background
- Assessment (problem): WD, probleemlijst en de BH en diagnostiek die al is ingezet.
- Recommendation
- Repeat
Klinisch redeneren: Ingangsklacht -> anamnese -> DD -> gericht LO en aanvullend OZ -> WD
(werkdiagnose) -> aantonen/verwerpen WD: aanvullend onderzoek -> BH plan
Proces van klinisch redeneren
1. Diagnostische fase: van brede DD naar WD
- Inductieve fase = werkhypothesen worden gesteld door niet-analytisch en analytisch
redeneren.
- Deductieve fase = de gevormde werkhypothesen worden getoetst aan de hand van
anamnese, LO en aanvullend OZ.
Goede test heeft de volgende kenmerken:
- Voldoende discriminerend vermogen: onderscheid maken tussen ziekte en
afwezigheid van ziekte -> sensitiviteit (hoge kan een bepaalde diagnose goed
uitsluiten) en specificiteit (hoge kan de diagnose bevestigen).
- Voldoende diagnostische winst: het achterhalen van de diagnose is nuttig voor de pt.
- Beleidsconsequenties
, - Voordelen wegen op tegen de nadelen voor de pt.
2. Therapeutische fase: diagnose -> behandeling
3. Evaluatiefase: uitkomsten worden geëvalueerd.
- Rekening houden met diagnostische valkuilen.
Diagnostische valkuilen
1. Availability bias: diagnoses worden als meer waarschijnlijk gezien als ze gemakkelijker
bij de arts opkomen (bijv. omdat hij hier recent over heeft gelezen).
2. Confirmation bias: de neiging om eerder naar bewijs te zoeken om de werkdiagnose
te bevestigen dan deze te ontkrachten.
3. Diagnosis momentum: zodra er een diagnostisch label op een pt wordt geplakt dan is
het moeilijk om dit eraf te halen.
4. Representativeness restraint: een atypische presentatie wordt gemist, omdat er
vastgehouden wordt aan de typische presentatie.
5. Premature closure (tunnelvisie): stoppen met denken zodra er een WD is gesteld, er
wordt teveel gefocust op 1 diagnose.
HC: Doelmatige zorg
SLIM hfd 4: Zorgkosten en doelmatige zorg
Doelmatige zorg = zoveel mogelijk gezondheid voor hen die het nodig hebben, voor het geld
dat we als samenleving beslissen aan zorg uit te geven.
- De verhouding tussen de kosten en opbrengsten wordt gebruikt om te bepalen of
een medische ingreep doelmatig is.
- De gezondheidwinst wordt uitgedrukt in QALYs (quality adjusted life years).
Nodig voor doelmatige zorg
- Inzichten in de kosten van de zorg
- Goed klinisch redeneren
- Het gesprek met de patiënt aan te durven gaan
- Dappere dokter zijn
Inzicht in de kosten van de zorg:
, - 30% basispremie
- 20% overheid
- 50% inkomens-afhankelijke bijdrage
Meeste kosten gaan naar dementie en verstandelijke beperkingen
“Gezond” individu zonder veel medicatie, ziekenhuiszorg, of aanvullende diagnostiek ->
eigen risico hoger instellen dan je premie (zorgverzekering)
DBC = diagnose behandel combinatie
- Een codering om aan de zorgverzekeraar te laten zien hvl patiënten met deze
diagnose je hebt gezien.
- Code die in de spreekkamer wordt gebruikt -> zegt iets over de inhoud van het totaal
aan ziekenhuisactiviteiten.
- Uitonderhandeld door ZH en zorgverzekeraar (jaarlijks).
- Gebaseerd op de gemiddelde patiënt.
- Bedoeld om kosten, volumes en kwaliteit tussen ziekenhuizen beter te vergelijken.
DOT = DBC op weg naar transparantie
- Onderhandelen tussen ziekenhuis voor procedures en zorgverzekeraars -> kan ertoe
leiden dat je meer geld krijgt voor 1 procedure in ruil voor minder geld voor andere
behandelingen -> kan ertoe leiden dat het minder aantrekkelijk wordt voor ZH om
bepaalde procedures te doen.
- ZH’s mogen niet met elkaar deze deals bespreken.
HC: Doelmatige zorg 2
3 soorten doelmatigheid
1. Technische doelmatigheid: doen we het goed?
- Dezelfde zorg met minder middelen of meer zorg met dezelfde middelen.
2. Allocatieve doelmatigheid: doen we de goede dingen?
- De beschikbare middelen daar inzetten waar ze het meeste opleveren?
- Goedkoper
3. Innovatieve doelmatigheid