Kennistoets taal bovenbouw
Leesbeesten en boekenfeesten
Deel 1: 4.2 Historische verhalen, p. 176-188
4.3 Oorlogsverhalen, p. 188-195
Informatieve boeken, p. 307-322
4.2 Historische verhalen
Historische verhalen gaan over historische personen en gebeurtenissen. De belangstelling
van kinderen voor historische verhalen begint meestal pas vanaf zo’n jaar of negen, de
leeftijd waarop het tijdsbegrip zich verdiept. De belangrijkste lezersgroep is tussen de elf en
vijftien jaar oud.
Wanneer spanning en historische informatie gecombineerd worden met uitgewerkte
karaktertekening en psychologische diepgang, wordt ook de term historisch-psychologisch
verhaal gehanteerd. Historische verhalen hebben een grote waarde voor jongeren van
vandaag. Niet alleen brengen ze hen in aanraking met de wortels van hun eigen cultuur, ze
doen hen ook nadenken over de eigen tijd en over zichzelf. Soorten historische verhalen:
informatief, psychologisch, costume novels, fantasie en raamverhalen.
4.3 Oorlogsverhalen
In veel historische verhalen is oorlog een belangrijk thema. In de meeste hedendaagse
oorlogsverhalen voor de jeugd ligt het accent niet op spannende avonturen, maar op de
innerlijke spanning van de personages die volgt uit de ingrijpende veranderingen die een
oorlog met zich mee brengt. De meeste oorlogsverhalen, geschreven vanuit
kinderperspectief, spelen tijdens de Duitse bezetting. Soorten oorlogsverhalen: als avontuur,
dat nooit meer, om nooit te vergeten en leven in tijden van oorlog
5.3 Informatieve boeken
Voor beginnende lezers zijn er ook informatieve boeken namelijk, aanwijsboeken en doe-
boeken. De meeste informatieboeken worden gepubliceerd in reeksen. De meeste series
voldoen aan hoogstaande kwaliteitsnormen op het vlak van inhoud, opbouw, taal en vorm.
Goede informatieve boeken brengen wetenschap dichterbij. Dit kan door de keuze van de
onderwerpen en de vormgeving, maar ook door de verwoording. Tegenwoordig zijn er ook
nog informatieve cd-roms.
,Taal en didactiek: Spelling
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 10
10.1 Moeilijkheden in de werkwoordspelling
Komt niet veel voor in het spontaan schriftelijk taalgebruik -> meeste kan via de fonologische
strategie.
Moeilijk doordat:
1. De spelling van de werkwoorden wordt bepaald door verschillende spellingprincipes:
Vindt -> Een d door regel van gelijkvormigheid (vinden)
-> Een t door regel van de overeenkomst (ook in werkt)
Voor 1 klank ‘t’ worden twee verschillende letters geschreven. -> twee regels toepassen in
de goede volgorde
2. Bij de werkwoordspelling wordt een beroep gedaan op grammaticaal inzicht:
Hoe je een woord moet schrijven is afhankelijk van andere woorden in de zin. Wat is het ow,
is het woord een pv? -> Regel van overeenkomst wordt alleen toegepast op pv.
3. De werkwoordspelling wordt vaak op een verkeerde manier aangeleerd
Iedere methode heeft een andere algoritme om de werkwoordspelling aan te leren.
10.2 De didactiek van de werkwoordspelling
Er zijn 3 manieren om de werkwoordspelling aan te leren.
1. De regelmethode
Eerst worden de regels voor de vorming van werkwoorden aangeleerd en vervolgens moet
een leerling in alle voorkomende gevallen uitmaken welke regel van toepassing is.
Voordelen:
- De regels zijn op elk werkwoord toepasbaar
- Geven inzicht in de systematiek van de spelling van de persoonsvorm
Nadelen:
- Kinderen hebben hiermee weinig affiniteit
- Kinderen raken in de war van de hoeveelheid woorden
- Grote kans op over generalisatie (regel overal toepassen)
2. De analogiemethode
Doordat de regelmethode vaak ervoor zorgden dat leerlingen er slechter in werden, kwam
er na onderzoek de analogiemethode.
A.d.h.v. veelvoorkomende voorbeeldwerkwoorden worden de moeilijkheden bij de
werkwoordspelling in kaart gebracht. -> Leerling moet dat kijken bij welk voorbeeld een
bepaalde werkwoordsvorm thuishoort.
Kenmerken:
- Leren door te vergelijken
- Wordt niet uitgelegd waarom
, Nadelen:
- Kinderen kiezen het verkeerde voorbeeld
- Er wordt niet gekeken naar de regelsystematiek (blijft te impliciet)
- moet onbewust al een heel aantal handelingen verrichten (pv, ow, vd?) De
analogiemethode laat te veel in het midden wat een leerling precies moet doe om tot de
juiste schrijfwijze van een werkwoord te komen.
3. De algoritmische methode
Een algoritme is een handelingsvoorschrift dat, als het goed uitgevoerd wordt, steeds een
goede oplossing geeft. Bij het werkwoordspellen wordt vaak gebruik gemaakt van een
schema met een aantal vragen. Door antwoord te geven op deze vragen weten de leerlingen
hoe het ww gespeld moet worden. Deze schema wordt alleen toegepast door de schrijfwijze
van de pv, aangezien alleen hier allerlei ingewikkelde regels aan verbonden zijn. Er zijn veel
verschillende manieren om een pv te herkennen in een zin. De bekendste is de zin in een
andere tijd te zetten.
Voordelen:
- Je kunt a.d.h.v. een schema precies zien waar de leerling de mist in is gegaan.
Nadelen:
- Leerlingen gebruiken kritiekloos het schema, waardoor ze niet weten waarom ze een
bepaald werkwoord zo geschreven hebben.
- sommige algoritmen zijn heel uitgebreid waardoor het lastig is de verschillende stappen te
automatiseren.
10.3 Hulpmaterialen voor werkwoordspelling:
- Algoritmekaart
- Ondersteunende software met extra oefenmogelijkheden
- Internet online oefenen
- Werkwoordenspel
- De spelkist
10.4 Analyseren van fouten in de werkwoordspelling:
Bij werkwoordspelling moet een kind allerlei regels toepassen, wanneer een kind dus veel
fouten maakt heeft hij/zij de regelstrategie nog niet onder de knie. -> deze constatering zegt
niet veel en heeft ook geen nut bij de remediëring.
Het hoeft niet eens te maken te hebben met de regelstrategie, soms hebben de leerlingen
een andere strategie toegepast.
Fonologische strategie: vind, ontmoete, deet
Woordbeelstrategie: Hij wordt -> ik wordt
Analogiestrategie: Lachtte -> wachtte
Om achter de strategie te komen kan er een diagnostisch gesprek gehouden worden met de
leerling.