Inhoud
Week 1................................................................................................................... 2
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 4 – Jeugdstrafrecht......................................2
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 5 – onderwijs...............................................5
S. Rap 'The role of social work services in juvenile justice in the Netherlands’ (p.
76-96).................................................................................................................. 8
Week 2................................................................................................................. 10
Jeugdrecht in de praktijk inleiding.....................................................................10
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 1 – familierecht.........................................10
Aanvulling op H2 – familierecht.........................................................................16
Bîzdîga v. Moldavië – EHRM............................................................................... 16
Vledder - Tijd voor een Actieplan aanpak intieme terreur.................................17
Week 3................................................................................................................. 19
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 2 – jeugdhulp.............................................19
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 3 – kinderbescherming..............................21
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 6 – Medische behandeling.........................27
Aalders – De rechtspraktijk inzake gezagsbeëindiging vanuit kinderrechtelijk
perspectief........................................................................................................ 30
Bruning e.a. (2025) - Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing p. 8-12...34
Bruning e.a. (2020) - Kind in proces: van communicatie naar effectieve
participatie p. 1-16............................................................................................ 36
Gebruikte boek: Jeugdrecht in de Praktijk, Ido Weijers & Joost Huijer, 6 e druk
,Week 1
Jeugdrecht in de praktijk hoofdstuk 4 – Jeugdstrafrecht
4.1 Inleiding
Nederland heeft een pedagogisch en kindgericht jeugdstrafrecht. Jeugddetentie vindt grotendeels
plaats in kleine groepen, met onderwijs en begeleiding. Sinds 2010 wordt in justitiële
jeugdinrichtingen (JJI’s) gewerkt met YOUTURN, het Sociaal Competentiemodel en onder andere
Agressie Regulatie Training.
De rechtspositie van jongeren in detentie is sterk verbeterd door de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen (Bjj, 2001). Deze wet regelt wanneer en door wie grondrechten van jongeren
mogen worden beperkt, bijvoorbeeld via dwangmiddelen, ordemaatregelen en disciplinaire straffen.
Er zijn een beklagregeling, beroepsprocedure, een onafhankelijke Commissie van Toezicht en een
bemiddelingsprocedure. Het aantal JJI’s daalde sterk; de ontwikkeling gaat richting kleinschalige
voorzieningen dichtbij het leefmilieu, gecombineerd met enkele gespecialiseerde, goed beveiligde
voorzieningen.
4.2 Aparte procedures
Het Nederlandse jeugdstrafrecht bestaat sinds 1901 en kent aparte procedures en sancties voor
jongeren. IVRK art. 40 bepaalt dat een kind dat wordt verdacht of veroordeeld voor een strafbaar feit
waardig moet worden behandeld, waarbij leeftijd en herintegratie centraal staan.
Een apart jeugdstrafrecht is gebaseerd op de beperkte strafrechtelijke verantwoordelijkheid van
minderjarigen. Jongeren zijn cognitief en psychosociaal nog in ontwikkeling, zijn impulsiever, sterker
gericht op korte termijn, kunnen risico’s minder goed inschatten en zijn vooral tussen 10-14 jaar sterk
beïnvloedbaar door leeftijdgenoten. Het Nederlandse jeugdstrafrecht is echter geen
jeugdhulpverlening: het is een schuldstrafrecht, waarin schuld en verantwoordelijkheid centraal
staan, maar met een beperkte verantwoordelijkheid. Het vormt daarmee een overgang tussen geen
en volledige strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
Jeugdstrafzittingen zijn in principe achter gesloten deuren ter bescherming van de privacy. De
minderjarige heeft verschijningsplicht en ouders worden opgeroepen en moeten sinds 2011 in
beginsel ook verschijnen. De minderjarige krijgt altijd een raadsman. Bij ernstige of ingewikkelde
zaken kan een meervoudige kamer worden ingezet.
4.3 Aparte sancties
Het jeugdstrafrecht is de afgelopen decennia op onderdelen verhard: strafmaxima zijn verhoogd en
er zijn meer sancties gekomen. Ook een straf kan gevolgen hebben voor het verkrijgen van een VOG
en DNA-afname kent geen onderscheid naar leeftijd.
Tegelijkertijd worden veel zaken juist buitengerechtelijk afgedaan. Via ZSM (Zo Spoedig Mogelijk)
bespreken politie, OM, Raad voor de Kinderbescherming, jeugdreclassering en slachtofferhulp snel
welke afdoening passend is.
Ongeveer 1/3 van de zaken → Halt-afdoening.
Bijna 1/2 → zelfstandig door het OM.
, Ongeveer 1/4 → door de rechter.
Halt is bedoeld voor lichte feiten, zoals vernieling, winkeldiefstal met geringe buit of
vuurwerkdelicten. Een jongere kan een gesprek en taakstraf van maximaal 20 uur krijgen. Bij
succesvolle Halt-afdoening ontstaat geen strafblad.
De officier van justitie kan in het officiersmodel maximaal 60 uur taakstraf, een geldboete,
schadevergoeding, verkeersmaatregel, contact-/straatverbod of reclasseringsmaatregel tot 6
maanden opleggen. Vrijheidsbeneming kan de officier niet opleggen.
De rechter kan onder andere opleggen:
1. Jeugddetentie: maximaal 1 of 2 jaar;
2. Taakstraf: maximaal 200 uur;
3. Geldboete: maximaal circa €4.000.
Belangrijke maatregelen zijn de PIJ-maatregel (plaatsing in een inrichting voor jeugdigen; maximaal 7
jaar) en de GBM (Gedragsbeïnvloedende Maatregel), waarbij begeleiding en behandeling centraal
staan. Ook zijn bijvoorbeeld gebiedsverbod, contactverbod en meldingsplicht mogelijk.
4.4 Structurele aspecten
Minimumleeftijd strafrechtelijke verantwoordelijkheid
IVRK art. 40 lid 3 vereist een minimumleeftijd waaronder kinderen niet strafrechtelijk
verantwoordelijk worden gehouden. Nederland hanteert 12 jaar. Dit ligt onder het Europese
gemiddelde van ongeveer 13,5 jaar, maar boven het mondiale gemiddelde.
De bovengrens ligt internationaal meestal op 18 jaar. In Nederland kan sinds 2014 het jeugdstrafrecht
ook worden toegepast op jongvolwassenen tot 23 jaar. Omgekeerd kunnen 16- en 17-jarigen bij
hoge uitzondering worden overgedragen naar het gewone strafrecht (transfer).
Relatie met de kinderbescherming
Volgens IVRK art. 3 moet het belang van het kind een eerste overweging zijn. Repressie en vergelding
moeten daarom ruimte maken voor rehabilitatie, herstel en recidivepreventie. IVRK art. 37(b)
bepaalt dat arrestatie en detentie van kinderen alleen als laatste middel en voor de kortst mogelijke
duur mogen worden toegepast. Art. 2 IVRK bevat het beginsel van non-discriminatie.
Nederland kent echter een organisatorische scheiding tussen jeugdstrafrecht en
jeugdbeschermingsrecht. Sinds 1995 is de organisatorische samenhang verminderd. Om
samenwerking te verbeteren bestaat het Justitieel Casus Overleg (JCO+), waarin politie, OM en Raad
voor de Kinderbescherming informatie uitwisselen en tot een afdoeningsbeslissing komen.
Inquisitoire karakter
Nederland kent een inquisitoir strafproces: de overheid doet vooraf onderzoek gericht op
waarheidsvinding, de rechter beschikt over het dossier en heeft een actieve rol. De officier is niet
alleen aanklager maar draagt ook bij aan waarheidsvinding.
Daartegenover staat de adversaire/accusatoire traditie, vooral in Angelsaksische landen: aanklager
en verdediging zijn gelijkwaardige partijen en presenteren hun bewijs aan een onpartijdige, minder
actieve rechter.
, IVRK art. 12 waarborgt het recht van het kind om zijn mening te uiten en te worden gehoord.
4.5 Instanties
Politie en Openbaar Ministerie
Zowel politie als OM hebben discretionaire bevoegdheid: zij kunnen zaken onder voorwaarden zelf
afdoen. Dit is bijzonder, omdat in Nederland beide instanties deze bevoegdheid hebben.
De politie kan onder andere een politiesepot, politiestrafbeschikking, Halt-verwijzing of verwijzing
naar jeugdhulp/Raad voor de Kinderbescherming inzetten.
Het OM heeft het vervolgingsmonopolie, maar sinds 2011 ook het opportuniteitsbeginsel: het kan
besluiten een zaak niet voor de rechter te brengen en zelf af te doen.
Kinderrechter
De gespecialiseerde kinderrechter behandelt jeugdstrafzaken. Bij ernstige zaken kan een
meervoudige kamer worden ingezet. De rechter-commissaris beslist bij voorlopige vrijheidsbeneming
over de rechtmatigheid daarvan.
Bij inverzekeringstelling moet de jongere uiterlijk na 3 dagen worden voorgeleid aan de rechter-
commissaris. Daarna kan inbewaringstelling maximaal 14 dagen duren; voorlopige hechtenis kan
maximaal 90 dagen duren.
Sinds 1995 zijn voorbereidende fase en berechting strikt gescheiden: een rechter-commissaris mag
later niet als kinderrechter in dezelfde zaak optreden.
Raadsman
Door de EHRM-zaken Salduz en Panovits hebben jeugdige verdachten recht op een advocaat bij het
eerste politieverhoor (consultatiebijstand) en tijdens het verhoor (verhoorbijstand). Bij
inverzekeringstelling of behandeling door de rechtbank wordt kosteloos een advocaat toegevoegd. Bij
zeer lichte afdoeningen bestaat niet altijd recht op een kosteloze advocaat; Nederland heeft hiervoor
een voorbehoud bij het IVRK gemaakt.
Jeugdreclassering en jeugdbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt bij vervolging de persoonlijkheid, thuis- en
schoolsituatie van de jongere en adviseert over de sanctie. De uitvoering van begeleiding ligt bij de
jeugdreclassering, onderdeel van een Gecertificeerde Instelling (GI). Begeleiding kan al starten
tijdens voorlopige vrijheidsbeneming.
4.6 Klachten en beroep in detentie
Elke JJI en JeugdzorgPlus-instelling moet een onafhankelijke klachtencommissie hebben. Een jongere
kan daar klagen over beslissingen die tijdens straf of vrijheidsbeneming zijn genomen. Tegen de
uitspraak van de klachtencommissie kan hij beroep instellen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing
en Jeugdbescherming (RSJ). Ook tegen een afgewezen verzoek tot overplaatsing kan beroep bij de
RSJ worden ingesteld.