H2: budgetbeperking.............................................................................................. 5
H3: voorkeuren....................................................................................................... 6
H4: nut................................................................................................................. 10
H5: keuze............................................................................................................. 14
H6: Vraag............................................................................................................. 18
H8: De slutsky vergelijking!!................................................................................. 25
H15: marktvraag.................................................................................................. 31
H10: intertemporele keuze................................................................................... 35
H12: onzekerheid.................................................................................................. 39
H19: technologie.................................................................................................. 45
H20: winstmaximalisatie...................................................................................... 50
H21: kostenminimalisatie..................................................................................... 54
H22: kostencurves................................................................................................ 59
H23: aanbod van de onderneming.......................................................................60
H24: marktaanbod................................................................................................ 62
H16: evenwicht in perfecte competitie.................................................................65
H14: consumenten en producenten surplus.........................................................67
H25: monopolie.................................................................................................... 68
H26: monopolistisch gedrag................................................................................. 74
H28: oligopolie..................................................................................................... 82
H29: speltheorie................................................................................................... 92
H30: speltheorie: toepassingen............................................................................ 97
1
, HD1 Micro-economie
Inleiding
Examen: open en/of MP + theorie & oefeningen
Schriftelijke taak à 1,5 bonuspunt
Wat is micro-economie
Micro-economie bestudeert het economisch gedrag van individuele economische
agenten:
Bedrijven/managers/arbeiders/overheden… elk individu of entiteit dat een
rol speelt in de (mondiale) economie
Consumenten en producenten
o Hoe maken consumenten aankoopbeslissingen?
o Hoe beslissen bedrijven het aantal werknemers dat ze aannemen?
o Hoe beïnvloed de markstructuur het producentengedrag (vb.
oligopolie vs. perfecte competitie)
Strategische interacties en marktvormen: hoe interageren economische
agenten in specifieke markten en hoe vormen ze grotere units zoals
markten en industrieën
Micro-economie vs. Macro-economie:
Macro-economie bestudeert hoe de totale nationale (of internationale)
economie opereert.
o Geaggregeerde variabelen (werkloosheid, GDP,…)
o Inflatie, interest rates, business cycles,…
Grens tussen micro-economie en macro-economie is soms vaag
o Om te begrijpen hoe geaggregeerde markten opereren moet het
gedrag van de consumenten, bedrijven en investeerders die deze
markt vormen bestudeerd worden.
o ‘Micro-economic foundations’ van geaggregeerde economische
fenomenen
Economische theorieën en modellen
Een (economische) theorie verklaart geobserveerde fenomenen aan de hand van
een reeks basisregels en assumpties
Legt onderliggende mechanismen bloot en verklaart ze
Toepasbaar op algemene situaties voorspellingen (binnen de grenzen van
de theorie)
Vb: theorie van consumenten, theorie van perfecte mededingingen,
“theory of the firm”,…
Een economisch model is een formele beschrijving van specifieke problemen die
econoom wil onderzoeken
Maakt abstractie van de realiteit en brengt deze terug tot de essentie van
wat men wil onderzoeken
Belangrijkste analytische hulmiddelen in micro-
economie
Optimalisatie met beperkingen (constrained optimization)
2
, Optimale keuze, gegeven bepaalde beperkingen op de keuze
Bijv : winstmaximalisatie, gegeven de kosten van productie
Evenwichtsanalyse (equilibrium analysis)
Evenwicht (Equilibrium): toestand die blijft bestaan zolang
de exogene factoren onveranderd blijven.
Bijv : marktevenwicht bij perfecte competitie
Exogeen is wat er buiten het model gebeurt
Comparatieve statica (comparative statics)
Hoe beïnvloedt een verandering van een exogene variabele
de waarde van de endogene variabelen in het economische
model?
Assumptie rationaliteit
Standaardassumptie van “rationale agent”:
Economische agenten gedragen zich optimaal naargelang hun preferenties
(perfecte informatie en ‘optimizers’)
Beperkt geldig in realiteit (hangt af van de complexiteit van de situatie):
Imperfecte informatie en “Begrensde rationaliteit” (Bounded rationality -
Herbert Simon)
o Beslissingen met beperkte & deels foutieve informatie en beperkte
(tijd- en/of intellectuele) capaciteit om de informatie te verwerken
o Geen afwijking van rationeel handelen maar eerder beperking
Behavioral biases (Kahneman and Tversky)
o Zelfs met volledige (en juiste) informatie worden soms “verkeerde”
beslissingen genomen door biases
o Bijv: “framing”, “anchoring”,... biases meest prominent in geval van
onzekerheid
o “Behavioral economics”: brengt inzichten uit psychologie die
“human decision making” beïnvloeden
Cruciale startassumptie:
Essentieel voor het bekomen van economische inzichten!
Nuttig vertrekpunt of ‘baseline’ om afwijkingen van (begrensde)
rationaliteit te bestuderen en te begrijpen
Belangrijk in het begrijpen en toepassen van een theorie is inzicht te
verwerven in de assumpties waarop de theorie gebaseerd is en in welke
mate ze van belang zijn voor de theorie.
3
, DEEL 1: consument
HOE MAAKT DE CONSUMENT KEUZES?
Drie stappen:
1. Beschrijving van de consumentenvoorkeuren voor goederen / diensten
2. Budgetbeperking: consumenten hebben een beperkt inkomen om
goederen te kopen
3. Consumentenkeuze: gegeven de voorkeuren en budgetbeperkingen zullen
consumenten combinaties van goederen kopen die hun tevredenheid
maximaliseren
Vanuit de consumentenkeuze kunnen we de vraagfunctie opstellen en analysere
4