gegeneraliseerde-angststoornis · Van der Heiden (2017)
WAAR HET OM GAAT
Bij een gegeneraliseerde-angststoornis (GAS) houden niet de zorgen zelf, maar de opvattingen over het piekeren
(metacognities) de klachten in stand. Metacognitieve therapie (MCT) onderzoekt eerst de negatieve opvattingen (piekeren
is oncontroleerbaar, dan: gevaarlijk), daarna de positieve ("piekeren is nuttig"), en oefent tot slot alternatieve coping. 14
sessies van drie kwartier, in 4 vaste fasen, met huiswerk na elke sessie.
Fase 1 · sessie 1-3 Fase 2 · sessie 4-8 Fase 3 · sessie 9-11 Fase 4 · sessie 12-14
model uitleggen eerst oncontroleerbaar: positieve metacognities: alternatieve coping oefenen
casusconceptualisatie (8 vr.) verbaal, dan piekeruitstel verbaal, mismatchstrategie vermijdings-/veiligheids-
"stel dat" + witte beer dan gevaarlijk: verbaal, en veel- vs. weinig- gedrag afbouwen · afsluiten
piekerregistratie starten erger piekeren, mini-onderz. piekeren-experiment terugvalplan
PSWQ, MCV (sessie 1) evt. MCV evt. MCV PSWQ, MCV voor slot
VOOR WIE, EN WANNEER NIET ZOMAAR RATIONALE IN DRIE ZINNEN
Indicatie: GAS als primaire diagnose. Geen bekende 1. Piekeren is een copingstrategie vanuit positieve
contra-indicaties; voorspellers van succes zijn opvattingen ("zo ben ik voorbereid"), die bevestigd
onbekend. worden als de ramp uitblijft.
Comorbiditeit lijkt geen contra-indicatie; MCT 2. Doorslaggevend zijn negatieve opvattingen
vermindert ook comorbide depressieve klachten. (oncontroleerbaar, gevaarlijk): geactiveerd leiden ze tot
Richtlijnendeel: 45-98% heeft ≥1 andere as-I-diagnose. metagepieker en meer angst.
Richt je niet tegelijk op GAS en comorbiditeit; afwijken 3. Onderdrukken, geruststelling en vermijding helpen
mag beargumenteerd (bijv. te ernstige depressie), hooguit kort, blokkeren corrigerende ervaringen en
daarna terug naar MCT. bevestigen de oncontroleerbaarheid.
KERNINTERVENTIE: HET VASTE STRAMIEN VASTE ANKER: HET MODEL
PER OPVATTING Elke sessie zichtbaar (bord/print); elk
1. Argumenten vóór de opvatting verzamelen (meestal gespreksonderwerp erin plaatsen.
makkelijk). Geruststelling vragen = veiligheidsgedrag: niet
2. Argumenten tégen verzamelen (hulpvragen, bijlage beantwoorden, maar in het model plaatsen.
5.6).
3. Samen een evenwichtige, geloofwaardige opvatting
METEN EN BESLISSEN
formuleren.
PSWQ (16-80) en MCV: sessie 1 en vóór de laatste
4. Is de opvatting minder geloofwaardig:
sessie (MCV evt. ook na fase 2 en 3); piekerregistratie
gedragsexperiment om haar te toetsen.
dagelijks, 0-100.
5. Geloofwaardigheid navragen; elke kleine daling is winst.
Afsluiten: doelen behaald, "normaal" niveau,
terugvalplan. Geen vast afkappunt.
VALKUILEN
Blijven doorvragen naar positieve Ingaan op de inhoud van de zorgen Geruststelling geven
opvattingen die (nog) niet te vinden i.p.v. de opvattingen erover
zijn
Te sturend of suggestief het model Bij het uitstelexperiment alleen de Positieve opvattingen overslaan omdat
"verkopen" mislukte keren zien de angst al daalt
Samenvatting Protocollaire behandelingen 1 · hoofdstuk 5 · 1/12
, Protocollaire behandeling van patiënten met een
gegeneraliseerde-angststoornis
Metacognitieve therapie · samenvatting bij hoofdstuk 5, met het deel over moeizaam verloop, uit Protocollaire
behandelingen voor volwassenen met psychische klachten 1 (Keijsers e.a., red., 2017; hoofdstukauteur Van der
Heiden) · in eigen woorden, met een eigen voorbeeld
De kern in één minuut
Bij GAS houden niet de wisselende zorgen de klachten in stand, maar de metacognities:
opvattingen over het piekeren zelf. De negatieve (piekeren is oncontroleerbaar en gevaarlijk) zijn
volgens het model doorslaggevend; de positieve (piekeren is nuttig) maken dat piekeren steeds
weer wordt ingezet.
Metacognitieve therapie (MCT): 14 sessies van drie kwartier in 4 fasen: rationale en
casusconceptualisatie (1-3), negatieve metacognities (4-8), positieve metacognities (9-11), coping
en afbouwen van vermijdings- en veiligheidsgedrag (12-14).
Volgorde binnen fase 2: eerst oncontroleerbaarheid, dan gevaar. Elke opvatting wordt eerst verbaal
onderzocht (argumenten voor en tegen, evenwichtiger alternatief) en daarna getoetst met een
gedragsexperiment.
Ook als angst en piekeren na fase 2 al flink zijn gedaald, worden de positieve opvattingen
onderzocht: anders blijft piekeren een reservestrategie en is de kans op terugval groter.
Het model ligt elke sessie op tafel; alles wat de patiënt inbrengt, ook geruststellingsvragen, wordt
erin geplaatst. Dagelijkse piekerregistratie (0-100) volgt het beloop; PSWQ en MCV meten bij start
en einde.
Het aparte deel richtlijnen bij moeizaam verloop is van dezelfde auteur, maar berust op klinische
ervaring, niet op onderzoek: adviezen, geen protocolstappen.
1. De stoornis en voor wie het protocol is
Bij een gegeneraliseerde-angststoornis is iemand overmatig angstig en piekert hij moeilijk te beheersen
over minstens twee levensterreinen (bijvoorbeeld gezin, gezondheid, geld, werk of opleiding), met minstens
drie bijkomende klachten zoals rusteloosheid, snelle vermoeidheid, concentratieproblemen, prikkelbaarheid,
spierspanning of slaapproblemen. De klachten zijn er minstens een halfjaar op meer dagen wel dan niet en
verstoren het functioneren. GAS komt veel voor (in Nederland twaalfmaandsprevalentie 1,7%, lifetime 4,5%)
en verloopt vaak chronisch, vaak met episodes van meer dan tien jaar.
Het protocol is gebaseerd op het metacognitieve model van Wells en is een bewerking van een
uitgebreidere versie van de auteur. De technieken zelf komen uit de CGT (socratische dialoog,
gedachteschema's, gedragsexperimenten); daarom noemt de auteur MCT eerder een variant van CGT dan
een nieuwe therapie. Het verschil zit in het doelwit: de opvattingen over het eigen denken, niet de inhoud
ervan. Elke sessie wordt huiswerk afgesproken en de patiënt moet actief meewerken.
Indicatie: GAS als primaire diagnose. Contra-indicaties: geen bekend; er is ook weinig bekend over wat
een gunstig of ongunstig resultaat voorspelt.
Comorbiditeit lijkt geen contra-indicatie: ze was geen exclusiecriterium in het effectonderzoek, MCT
verminderde ook comorbide depressieve klachten significant, en in de kortdurende groepsstudie deden
patiënten met GAS als niet-primaire diagnose het niet slechter.
Samenvatting Protocollaire behandelingen 1 · hoofdstuk 5 · 2/12