§1 Nazi Duitsland en het racisme in Europa
Hitlers ideaal was een eergezinde, trotse, welvarende en grote Duitse
natie. In politiek opzicht was dit de afschaffing van de democratie. In 1919
werd de Republiek van Weimar gesticht, Hitler zag dit als oorzaak voor de
ellendige staat waar Duitsland nu in verkeerde. Hitler voerde zijn
ideologie, het nationaalsocialisme door. Toen hij in 1933 rijkskanselier
werd, greep hij alle macht.
Nadat Hitler aan de macht was gekomen werden zijn ideeën verspreid
door middel van propaganda.
Burgers die zich tegen zijn ideeën verzetten, kregen te maken met terreur
en geweld.
Het belangrijkste kenmerk van het nationaalsocialisme is het
antisemitisme. Haat tegen joden was al oud maar Hitler voegde er racisme
aan toe. Hij stelde dat er wezenlijke verschillen bestonden tussen
menselijke rassen en dat ze daarom verschillend moesten worden
behandeld.
In 1935 werd er in de Neurenberger wetten vastgesteld dat joden niet
meer met niet-joden mochten trouwen en verloren joden hun
burgerrechten.
9 op 10 november 1938 - Kristallnacht: honderden synagogen, winkels en
huizen in de brand gestoken.
Hitler loste de werkloosheid goed op door bruggen en snelwegen te laten
bouwen.
Duitsland was onder Hitler een totalitaire staat.