1) Een analytisch biochemisch laboratorium beschikt over een geconcentreerde
voorraadoplossing van een vloeibaar organisch solvent (𝑀𝑀 = 92,14 𝑔/𝑚𝑜𝑙) met een
concentratiepercentage van 85,0% (𝑣/𝑣) en een dichtheid van 𝜌 = 0,800 𝑔/𝑚𝑙
a) Leg theoretisch uit hoe het concept van 'volume per volume' (v/v) bij de
berekening van de totale massa van een opgeloste stof kan leiden tot afwijkingen
ten opzichte van een 'gewicht per gewicht' (w/w) benadering wanneer de
temperatuur in het laboratorium stijgt
b) Bereken de molariteit van deze 85,0% (𝑣/𝑣) stockoplossing
c) Beschrijf nauwkeurig de praktische handelingen en het specifieke analytische
laboratoriumglaswerk dat je moet gebruiken om uit deze voorraadoplossing exact
250 𝑚𝑙 van een 0,200 𝑀 oplossing te bereiden
,Oefenvragen: Analytische Biochemie I
2) Bij de karakterisering van een geladen eiwitcomplex in een fysiologische buffer
bestudeert men de invloed van verschillende zouten op de stabiliteit van het complex.
a) Leg uit waarom de elektrische geleidbaarheid van een oplossing met een sterk
elektrolyt fundamenteel verschilt van die met een zwak elektrolyt, wanneer beide
oplossingen een identieke nominale concentratie hebben
b) Een analist bereidt een bufferoplossing bestaande uit
0,020 𝑀 𝑁𝑎2 𝑆𝑂4 , 0,050 𝑀 𝑀𝑔𝐶𝑙 2 en 0,010 𝑀 𝐾𝑁𝑂3. Bereken de totale ionische
sterkte van dit mengsel
c) Welk van de aanwezige ionen in deze specifieke buffer heeft, onafhankelijk van
zijn nominale concentratie, mathematisch de grootste relatieve impact op de
ionische sterkte
, Oefenvragen: Analytische Biochemie I
3) In een enzymatisch experiment wordt de reactiesnelheid van een enzym onderzocht
in aanwezigheid van een sterk geladen substraat.
a) Leg uit hoe een stijging van de totale zoutconcentratie (en dus een stijgende
ionische sterkte in de buffer de effectieve interactie tussen het enzym en het
substraat kan verminderen
b) Wat gebeurt er mathematisch en fysisch met de activiteitscoëfficiënt van een ion
wanneer de oplossing oneindig verdund wordt
c) Verklaar wat de situatie uit Deel B betekent voor de relatie tussen de activiteit en
de nominale concentratie. Hoe noemen we dit type gedrag van een oplossing?