Systeemfysiologie: Hematologie
1. Welke combinatie beschrijft het best de algemene functies van bloed?
A. Enkel transport van O₂ en CO₂
B. Enkel hormonale regulatie en immuniteit
C. Transport, excretie, regulatie en immunologische verdediging
D. Enkel warmteproductie en energieopslag
2. Wat is het belangrijkste verschil tussen serum en plasma?
A. Serum bevat meer fibrinogeen dan plasma
B. Serum is plasma zonder stollingsfactoren
C. Plasma bevat geen elektrolyten
D. Serum bevat geen water
3. De hematocriet wordt gedefinieerd als:
A. Het percentage witte bloedcellen in bloed
B. Het volume plasma ten opzichte van totaal bloedvolume
C. Het percentage erytrocyten in het totale bloedvolume
D. De concentratie hemoglobine in plasma
4. Welke volgorde van viscositeit is correct?
A. Water > serum > plasma > bloed
B. Bloed > plasma > serum > water
C. Plasma > bloed > serum > water
D. Serum > plasma > bloed > water
5. Waarom is bloed een niet-Newtoniaanse vloeistof?
A. Omdat de temperatuur constant verandert
B. Omdat viscositeit onafhankelijk is van stromingssnelheid
C. Omdat viscositeit stijgt bij hogere stroomsnelheid
D. Omdat viscositeit stijgt bij lage stroomsnelheid door RBC-aggregatie
6. Wat is het belangrijkste gevolg van het ontbreken van mitochondriën in erytrocyten?
A. Geen ATP-productie mogelijk
B. Geen glycolyse mogelijk
C. Geen oxidatieve fosforylering en afhankelijkheid van anaerobe glycolyse
D. Geen zuurstofbinding aan hemoglobine
1
,7. Wat beschrijft MCV het best?
A. Hemoglobine per erytrocyt
B. Volume van één erytrocyt
C. Hemoglobineconcentratie in plasma
D. Aantal erytrocyten per liter bloed
8. MCHC geeft informatie over:
A. Het volume van RBC
B. De hoeveelheid Hb per erytrocyt
C. De Hb-concentratie per volume erytrocyten
D. Het aantal RBC per mm³
9. Waar vindt erytropoëse voornamelijk plaats bij volwassenen?
A. Lever
B. Milt
C. Beenmerg
D. Nieren
10. Hoe is hemoglobine structureel opgebouwd?
A. 2 globines en 2 heemgroepen
B. 4 heemgroepen zonder globine
C. 4 globines (2α, 2β) elk met een heemgroep
D. 1 globine met 4 ijzeratomen
11. Wat verklaart de sigmoïdale O₂-binding van hemoglobine?
A. Lineaire binding zonder interactie
B. Negatieve coöperativiteit tussen subunits
C. Positieve coöperativiteit tussen subunits
D. Enzymatische activatie door O₂
12. Wat gebeurt er bij oxidatie van Fe²⁺ in hemoglobine?
A. Hogere O₂-affiniteit
B. Vorming van carboxyhemoglobine
C. Vorming van methemoglobine dat geen O₂ kan binden
D. Snellere O₂-afgifte in weefsels
2
,13. Waarom is de saturatiecurve van Hb sigmoïdaal?
A. Door lineaire diffusie van O₂
B. Door negatieve feedback van O₂-binding
C. Door coöperatieve binding van O₂
D. Door constante affiniteit van Hb
14. Een pulse oximeter meet voornamelijk:
A. CO₂ in bloed
B. Hb-concentratie direct
C. Verschil in lichtabsorptie tussen oxy- en deoxyhemoglobine
D. Bloeddruk via capillaire flow
15. Wat gebeurt er met de viscositeit bij polycythemie?
A. Ze daalt lineair
B. Ze stijgt niet-lineair
C. Ze blijft constant
D. Ze wordt onafhankelijk van hematocriet
16. Welke relatie is correct volgens Fick (conceptueel)?
A. O₂-opname neemt toe bij lagere diffusie
B. O₂-diffusie is onafhankelijk van oppervlakte
C. O₂-transfer hangt af van oppervlakte, gradiënt en diffusieafstand
D. O₂-transfer enkel afhankelijk van Hb
17. De gemiddelde levensduur van een erytrocyt is ongeveer:
A. 30 dagen
B. 60 dagen
C. 90 dagen
D. 120 dagen
18. Wat gebeurt er primair met de heemgroep bij RBC-afbraak?
A. Omzetting naar glucose
B. Omzetting naar bilirubine via biliverdine
C. Directe excretie via urine
D. Opslag in plasma als vrij heem
3
, 19. De belangrijkste functie van erytropoëtine (EPO) is:
A. Remmen van RBC-productie
B. Stimuleren van leukocytenproductie
C. Stimuleren van erytropoëse in beenmerg
D. Afbraak van oude RBC
20. Welke molecule transporteert ijzer in plasma?
A. Albumine
B. Ferritine
C. Transferrine
D. Hemoglobine
21. Welke metabole route is essentieel voor ATP-productie in RBC?
A. Krebs-cyclus
B. Oxidatieve fosforylering
C. Anaerobe glycolyse
D. β-oxidatie
22. De pentosefosfaatroute in RBC is vooral belangrijk voor:
A. ATP-productie
B. NADPH-productie
C. CO₂-productie
D. Hb-synthese
23. Welke situatie past bij microcytaire anemie?
A. ↑MCV, ↑Hb per cel
B. ↓MCV, ↓Hb per cel
C. Normaal MCV, ↑Hb
D. ↑MCV, ↓Hb
24. Eén hemoglobinemolecule kan maximaal ongeveer dragen:
A. 1 O₂
B. 2 O₂
C. 3 O₂
D. 4 O₂
4
1. Welke combinatie beschrijft het best de algemene functies van bloed?
A. Enkel transport van O₂ en CO₂
B. Enkel hormonale regulatie en immuniteit
C. Transport, excretie, regulatie en immunologische verdediging
D. Enkel warmteproductie en energieopslag
2. Wat is het belangrijkste verschil tussen serum en plasma?
A. Serum bevat meer fibrinogeen dan plasma
B. Serum is plasma zonder stollingsfactoren
C. Plasma bevat geen elektrolyten
D. Serum bevat geen water
3. De hematocriet wordt gedefinieerd als:
A. Het percentage witte bloedcellen in bloed
B. Het volume plasma ten opzichte van totaal bloedvolume
C. Het percentage erytrocyten in het totale bloedvolume
D. De concentratie hemoglobine in plasma
4. Welke volgorde van viscositeit is correct?
A. Water > serum > plasma > bloed
B. Bloed > plasma > serum > water
C. Plasma > bloed > serum > water
D. Serum > plasma > bloed > water
5. Waarom is bloed een niet-Newtoniaanse vloeistof?
A. Omdat de temperatuur constant verandert
B. Omdat viscositeit onafhankelijk is van stromingssnelheid
C. Omdat viscositeit stijgt bij hogere stroomsnelheid
D. Omdat viscositeit stijgt bij lage stroomsnelheid door RBC-aggregatie
6. Wat is het belangrijkste gevolg van het ontbreken van mitochondriën in erytrocyten?
A. Geen ATP-productie mogelijk
B. Geen glycolyse mogelijk
C. Geen oxidatieve fosforylering en afhankelijkheid van anaerobe glycolyse
D. Geen zuurstofbinding aan hemoglobine
1
,7. Wat beschrijft MCV het best?
A. Hemoglobine per erytrocyt
B. Volume van één erytrocyt
C. Hemoglobineconcentratie in plasma
D. Aantal erytrocyten per liter bloed
8. MCHC geeft informatie over:
A. Het volume van RBC
B. De hoeveelheid Hb per erytrocyt
C. De Hb-concentratie per volume erytrocyten
D. Het aantal RBC per mm³
9. Waar vindt erytropoëse voornamelijk plaats bij volwassenen?
A. Lever
B. Milt
C. Beenmerg
D. Nieren
10. Hoe is hemoglobine structureel opgebouwd?
A. 2 globines en 2 heemgroepen
B. 4 heemgroepen zonder globine
C. 4 globines (2α, 2β) elk met een heemgroep
D. 1 globine met 4 ijzeratomen
11. Wat verklaart de sigmoïdale O₂-binding van hemoglobine?
A. Lineaire binding zonder interactie
B. Negatieve coöperativiteit tussen subunits
C. Positieve coöperativiteit tussen subunits
D. Enzymatische activatie door O₂
12. Wat gebeurt er bij oxidatie van Fe²⁺ in hemoglobine?
A. Hogere O₂-affiniteit
B. Vorming van carboxyhemoglobine
C. Vorming van methemoglobine dat geen O₂ kan binden
D. Snellere O₂-afgifte in weefsels
2
,13. Waarom is de saturatiecurve van Hb sigmoïdaal?
A. Door lineaire diffusie van O₂
B. Door negatieve feedback van O₂-binding
C. Door coöperatieve binding van O₂
D. Door constante affiniteit van Hb
14. Een pulse oximeter meet voornamelijk:
A. CO₂ in bloed
B. Hb-concentratie direct
C. Verschil in lichtabsorptie tussen oxy- en deoxyhemoglobine
D. Bloeddruk via capillaire flow
15. Wat gebeurt er met de viscositeit bij polycythemie?
A. Ze daalt lineair
B. Ze stijgt niet-lineair
C. Ze blijft constant
D. Ze wordt onafhankelijk van hematocriet
16. Welke relatie is correct volgens Fick (conceptueel)?
A. O₂-opname neemt toe bij lagere diffusie
B. O₂-diffusie is onafhankelijk van oppervlakte
C. O₂-transfer hangt af van oppervlakte, gradiënt en diffusieafstand
D. O₂-transfer enkel afhankelijk van Hb
17. De gemiddelde levensduur van een erytrocyt is ongeveer:
A. 30 dagen
B. 60 dagen
C. 90 dagen
D. 120 dagen
18. Wat gebeurt er primair met de heemgroep bij RBC-afbraak?
A. Omzetting naar glucose
B. Omzetting naar bilirubine via biliverdine
C. Directe excretie via urine
D. Opslag in plasma als vrij heem
3
, 19. De belangrijkste functie van erytropoëtine (EPO) is:
A. Remmen van RBC-productie
B. Stimuleren van leukocytenproductie
C. Stimuleren van erytropoëse in beenmerg
D. Afbraak van oude RBC
20. Welke molecule transporteert ijzer in plasma?
A. Albumine
B. Ferritine
C. Transferrine
D. Hemoglobine
21. Welke metabole route is essentieel voor ATP-productie in RBC?
A. Krebs-cyclus
B. Oxidatieve fosforylering
C. Anaerobe glycolyse
D. β-oxidatie
22. De pentosefosfaatroute in RBC is vooral belangrijk voor:
A. ATP-productie
B. NADPH-productie
C. CO₂-productie
D. Hb-synthese
23. Welke situatie past bij microcytaire anemie?
A. ↑MCV, ↑Hb per cel
B. ↓MCV, ↓Hb per cel
C. Normaal MCV, ↑Hb
D. ↑MCV, ↓Hb
24. Eén hemoglobinemolecule kan maximaal ongeveer dragen:
A. 1 O₂
B. 2 O₂
C. 3 O₂
D. 4 O₂
4