HC1: Het moderne staatsbegrip
1. Inleiding
▪ Hoe regelen we de manier waarop we onszelf besturen?
- ‘regelen’ → ‘regel’ → veronderstelt norm = recht
▪ Gemeenschappelijk element in bestuur van staten
- drang naar legitimiteit/ rechtvaardiging → naar wie mag de mensen besturen:
bestuurders - bestuurden
● verschilt van staat tot staat + verschillen in ontwikkeling → geen uniform
model
● bestuurders zullen wel altijd naar manieren zoeken om zichzelf te legitimeren
- representatief regime, waarbij bevolking zich kan laten vertegenwoordigen
● meest gangbaar bestuurlijk model van meeste staten
● maar geen ‘vaste waarde’/vanzelfsprekend gegeven
▪ Essentiële problematiek publiekrecht: hoe onszelf besturen zodat we vrij blijven?
→ spanningsveld
- hoe rechten waarborgen?
● rechten van burgers waarborgen vs. overheid
● rechten van minderheid waarborgen vs. democratische meerderheid
- hoe institutioneel denken?
- = intellectuele achtergrond van de ontwikkeling van de liberale staat
2. De idee van ‘de staat’
▪ Uitgangspunt
- iets/iemand nodig om samenleven te waarborgen & chaos en geweld verhinderen →
wat heeft men nodig:
● persoon /instelling met macht om bevelen op te leggen (gezag)
● persoon / instelling maakt wet = op iedereen van toepassing (toepassing van
dat gezag)
● persoon / instelling = geweldmonopolie (= staat is de enige die geweld kan
inzetten om die wil af te dwingen)
- theorie nodig → conceptie van ‘de staat’ (wie/wat als staat beschouwen en waarom?)
● antwoord = afhankelijk van welk standpunt men inneemt: Middeleeuwen -
Vroegmoderne / Nieuwe geschiedenis - Moderne / Hedendaagse
geschiedenis
2.1. Middeleeuwen
▪ Mediëvisten: moderne staat = opvolger middeleeuwse standenvertegenwoordiging en
leenrecht
- ME samenleving = opgebouwd uit standen (dragen elk op eigen manier bij aan de
maatschappij)
1
, ● (1) zij die bidden (clerus) / (2) zij die strijden (ridders) / (3) zij die werken
(derde stand)
➔ vertegenwoordigers van die groepen vormen ‘de natie’
➔ bestaan verschillen qua graad van autonomie tussen bepaalde gebieden
of steden
➔ vorst regeert bij gratie Gods, volgens contract met drie standen =
uitdrukking van ‘Gods gewilde orde’
➔ MAAR bij tyrannie = verbreken contract → recht op weerstand
(collectieve weerstand)
- contractuele opvatting, gestoeld op leenrecht
● idee van relatie leenheer - leenman (structureert vanaf 10de tot 18de eeuw
ME samenleving)
➢ terbeschikkingstelling leen (grond, kasteel, huis) door vorst aan vazal
(levensonderhoud)
➢ in ruil: vazal staat vorst bij (raad en daad)
● = oorspronkelijk privaatrechtelijke relatie (persoonlijke), economisch en
militair ingegeven
● wordt gaandeweg ook een publiekrechtelijk gegeven (stuurt machtsrelaties)
→ versnippering territorium (achterleen)
2.2. Vroegmoderne / Nieuwe geschiedenis
▪ Liberale staten = opvolgers vroegmoderne staat
▪ Steeds meer en meer leenheren ⇒ gaan territorium toeëigenen en gaan hun macht
centraliseren
▪ Tijdens vroegmoderne / nieuwe geschiedenis: notie v. soevereiniteit wetgever
- Middeleeuwen: vorstelijke machtsconsolidatie → centrale staat
- 16de - 17de eeuw: religieuze spanningen → geen band religie - publiekrecht
→ geen exclusieve macht bij vorst: ook bij vertegenwoordigers v.h. volk
▪ Tijdens 17de eeuw: verdere ontwikkeling naar idee van “état souverain”
- staat die geen andere macht boven zich heeft → die beslissingen kan opleggen en
die worden nageleefd
- ‘republiek’ (res publica – ‘de politieke zaak’)
- ‘natie’: in de 17de eeuw, maar pas juridische betekenis vanaf Franse Revolutie
(18de eeuw)
2.3. Moderne / Hedendaagse geschiedenis
▪ Staat begrepen als democratische staat
- verkozen bestuurders
● rechtstreeks
● onrechtstreeks
▪ Staat begrepen als liberale staat → vrijheid staat centraal = je hebt een aantal rechten
waar de overheid/staat zich niet kan inmengen
- machtenscheiding
● wetgevende macht
● uitvoerende macht
● rechterlijke macht
2
, - overheid gebonden aan het recht
● overheid maakt normen
● overheid gebonden door diezelfde normen
- waarborgen voor grondrechten van burgers
● via (grond)wetsbepalingen (+ creëren van mechanismen om deze niet
zomaar te kunnen veranderen bijv. eeuwigheidsclausules)
● via instellingen
➢ constitutioneel (bv. machtenscheiding)
➢ buiten-constitutioneel → op bepaalde instellingen gaan steunen die
cruciaal zijn voor het waarborgen van de rechten (bijv. de pers als
‘waakhond’ democratie)
➢ infra-constitutioneel → tussenschakels binnen constitutionele
instellingen (bijv. het bicameralisme)
HC2: Soevereiniteit en types staten
1. De notie 'soevereiniteit'
1.1. Het begrip ‘soevereiniteit’ veronderstelt een aantal zaken
▪ ‘de staat’:
- grondgebied
- bevolking
- overheidsinstellingen met gezag en erkenning + afdwinging
▪ 2 vormen van soevereiniteit
- externe soevereiniteit
- interne soevereiniteit
1.2. Externe soevereiniteit
▪ Erkenning door andere staten
▪ Niet onderworpen aan andere staat
▪ = kwestie van internationaal recht
1.3. Interne soevereiniteit
▪ ‘Hoogste macht om op een territorium een gemeenschap te beheersen om de
continuïteit/cohesie van de samenleving te garanderen’
▪ Veronderstelt van de staat:
- intern het vermogen om zichzelf te organiseren
- staatswil > wil van alle andere morele en fysieke personen
- staatsmonopolie op het creëren van recht → wil wordt geuit via het recht
- staatsmonopolie op legitiem geweld
→ = gezag en controle op bevolking
▪ Verplichtingen/verwachtingen om legitiem te blijven
- administratief bestuur en handhaving openbare orde
- recht spreken
3
, - nationale defensie
- geld slaan, economie onderhouden
▪ Soevereiniteit = centraal idee in politieke denken, maar ook in het publiek recht
- internationaal recht:
● garanties voor niet-inmenging van andere staten (geregeld via internationale
verdragen)
- nationaal:
● regeling toe uitoefening soevereiniteit door instellingen + controle (regeling
via grondwet)
▪ Interne soevereiniteit en externe soevereiniteit (horen dicht bij elkaar)
- moeilijk om je als staat te manifesteren tov uw burgers in termen van gezag als je
constant onder dreiging bent van militaire bezetting → tast staatsgezag aan +
burgers zullen dit na een tijd in vraag gaan stellen
⇒ via soevereiniteit graduele democratisering v.d. staat
2. De democratisering van de staat
▪ Democratisering en secularisering van staatsmacht:
- historisch: idee van soevereiniteit ontstaan vanwege nood aan stabiliteit
● door o.a. religieuze oorlogen 16de-17de eeuw → burger beschermen
- opvattingen verschillende politieke denkers
● niet noodzakelijk gericht op secularisering (idee van God die uitoefening van
publieke macht rechtvaardig → stapt men stilaan van af) of democratisering
van staatsgezag
● wel onbedoeld dit effect (bv. Thomas Hobbes)
2.1. Jean Bodin en de absolute soevereiniteit
▪ Theoretiseert uitoefening van macht
- Les six livres de la République (1576) → heel hoofdstuk toegewijd aan soevereiniteit
- context: religieuze oorlogen in Frankrijk:
● katholieken vs. protestanten (hugenoten in Fr.)
● leiden tot desintegratie van de maatschappij
● aantasting vorstelijk gezag
➢ indeplaatsstelling door adellijke families → zij gaan telkens proberen
de Koning aan hun kant te krijgen
➢ Katholieken (bij Filips 2) en hugenoten (bij Willem Van Oranje) gaan
terugvallen op buitenlandse machten om hun eigen claims te gaan
versterken
▪ Absolute macht moet volgens Bodin in handen van de vorst vallen (autoriteit van God via
vorst)
▪ Nieuw idee over soevereiniteit = hoogste, absolute en eeuwige macht
▪ Machtscentralisatie vs. oorlog en individuele onzekerheid
▪ Belangrijkste nieuwigheid:
- wet = instrument van suprematie
- soevereiniteit = eeuwige functie
● publieke macht = een ambt (officium)
● publieke macht ≠ persoonlijk heerschappij
4