Methoden van wetenschappelijk onderzoek
Hoofdstuk 1: inleiding
Niet wetenschappelijke methoden om kennis te vergaren
1. Vasthoudendheid (tenacity)
o Informatie accepteren als waar, omdat het altijd al zo geweest is of omdat bijgeloof de
informatie ondersteunt
o Gebaseerd op gewoonte of bijgeloof
o We geloven iets dat we altijd al geloofd hebben, clichés
▪ Opposites attracts: mensen zijn aangetrokken tot mensen die zoals hen zijn
o Bepaalde overtuigingen voorgesteld als feiten
▪ Spiegel breken= 7 jaren ongeluk: niet waar
→ MAAR: info kan foutief zijn en corrigeren is zeer moeilijk
2. Intuitie
o Informatie accepteren als waar, omdat dit juist aanvoelt
o Gebaseerd op buikgevoel, instinct of voorgevoel
o Snelle methode om vragen te beantwoorden
o Gebruikt als we over geen enkele informatie beschikken
o Gebruikt voor ethische vraagstukken of morele dilemma’s
▪ “ik voel aan mijn vriend dat hij een slechte dag heeft”
▪ “Wat moet ik vanavond eten?”
→ MAAR: zeer gevoelig aan fouten want we kunnen accurate en foutieve info niet onderscheiden
3. Autoriteit
o Informatie accepteren als waar, omdat info afkomstig is van een expert van dat onderwerp
o Gebaseerd op vertrouwen in autoriteit/ expert
▪ “google it”: methode van geloof: blind vertrouwen op autoriteit
o Snel en gemakkelijk
→ MAAR: Kritisch denken
o expert is niet altijd een expert
o experts kunnen gebiast (bv. Democraten en republieken hebben vaak verschillende
antwoorden over hetzelfde onderwerp) zijn
o expertise gegeneraliseerd naar andere domeinen (bv. Acteurs vertegenwoordigen shampoo
in reclame)
o subjectieve opinie (bv. Review over film)
o expertise niet in vraag gesteld: “method of faith” (bv. “Die knobbel lijkt niet
kankerverwekkend”: je kan beter een second opinion raadplegen)
4. Rationalisme
o Logisch redeneren
o Vertrek: set gekende feiten/ assumpties (=premissen)
1
, o Gevolg: logica gebruiken om tot conclusie of antwoord te komen
▪ Bv.: Enge ervaring met hond veroorzaakt angst voor honden in de toekomst
(=premissen)
▪ Amy heeft angst voor honden dus Amy heeft een enge ervaring met een hond gehad
(=logische conclusie)
▪ MAAR: is dit correct voor alle mensen? Geen valide argument: de angst van Amy kan
ook op andere manieren veroorzaakt zijn
o Conclusie is pas correct als premissen en logica correct zijn (maar we zijn niet zo goed in
juist redeneren)
o Methode begint pas na de premissen
o Geen verzameling van info, geen observaties, geen evidentie
o Gebruikt om alternatieven logisch af te wegen zonder alle mogelijkheden uit te proberen
▪ Bv.: je hebt examen en auto is stuk (dan ga je niet alle mogelijkheden uitproberen
maar logisch redeneren en op basis daarvan een conclusie maken)
→ MAAR: alles valt of staat bij juistheid premissen en juistheid redeneren (en we zijn niet goed in logisch
redeneren)
5. Empirie
o Directe observatie of directe sensorische ervaring
o Kennis = zintuigen
▪ Bv. In de zomer is het warmer dan in de winter
o Veel antwoorden beschikbaar door wereld rondom ons te observeren
→ MAAR: waarneming en interpretatie zijn niet altijd correct (bv. Visuele illusies)
o Sensorische ervaring kan ons misleiden (visuele illusies)
o Invloed van voorkennis, verwachtingen, gevoelens, overtuigingen op perceptie
▪ bv. Als je verteld wordt dat chips eigenlijk gefrituurde wormen zijn zal je deze nooit
als favoriet aanduiden ookal zijn deze lekkerder
o kosttijd: bij probleem verschillende oplossingen uitvoeren: <-> rationele methode = trial-
and-error
o kan gevaarlijk zijn: paddenstoelen testen of die giftig zijn (geen goede oplossing)
besluit
• Tenacity, intuïtie, autoriteit
o Niet-kritische technieken, nuttig voor snel beantwoorden van vragen die geen belangrijke
consequenties hebben indien een fout antwoord geaccepteerd wordt
• Rationalisme, empirie
o Meer eisen voor antwoorden en info die ze produceren, cruciale componenten
wetenschappelijke methode
De wetenschappelijke methode
• Manier om kennis te vergaren waarbij specifieke vragen geformuleerd worden en er vervolgens
systematisch naar antwoorden gezocht wordt
• Bevat verschillende elementen van de niet-wetenschappelijke methoden → beperkingen van
individuele methoden vermijden
• Zo accuraat mogelijke antwoorden bekomen
2
,Verschillende stappen
1. Observatie van gedrag of andere fenomenen
o Trekt je aandacht, roept vragen op
o Informeel, natuurlijk, niet gepland, niet systematisch
o Initiële observatie: kan direct en indirect zijn
o Observaties gegeneraliseerd → inductie: op basis van enkele observaties wordt een
algemene conclusie bereikt
▪ Bv. Stel je eet een groene appel en die is zuur, de 2de en 3de appels zijn ook zuur, dan
maak je de conclusie dat alle groene appels zuur zijn
▪ Bv. Vloeken is een universele reactie op pijn
2. Hypothese vormen
o Identificatie van variabelen (= karakteristieken of condities die varieren binnen en/of tussen
verschillende personen) die geassocieerd zijn met je observatie
o Observaties kunnen beïnvloed worden door verschillende variabelen en deze kunnen de
observatie deels verklaren
▪ de geobserveerde relatie tussen pijn en vloeken kan beïnvloed worden door
verschillende andere variabelen (acute versus chronische pijn, alleen of in
aanwezigheid van anderen, persoonlijkheid (bv. Verschil introverte en extraverte))
o selecteer 1 van de mogelijke verklaringen (bevat beschrijving of verklaring van een relatie
tussen variabelen) die je gaat evalueren in een wetenschappelijke studie= hypothese
o andere mogelijke verklaringen niet ontkend, voorlopig niet gebruikt
o hypothese: mogelijke, voorlopige verklaring die getest en kritisch geëvalueerd moet worden
▪ bv. Vloeken is reactie op pijn omdat vloeken de ervaring van de pijn wijzigt en de
ervaren intensiteit van de pijn vermindert
3. predicties vormen
o hypothese toepassen op een specifieke, observeerbare situatie
o 1 hypothese kan leiden tot meerdere predicties en elke predictie verwijst naar een
specifieke situatie die gemeten en geobserveerd kan worden
o Predicties moeten toetsbaar zijn: kan ondersteund of weerlegd worden o.b.v. observaties
o Predicties vormen o.b.v. deductie: algemene stelling -> conclusies over specifieke
voorbeelden (logisch proces: rationalisme)
▪ Voorbeeld hypothese: vloeken is gebruikelijke reactie op pijn omdat het vloeken de
ervaring van pijn wijzigt en de ervaren intensiteit van de pijn vermindert
▪ Predictie 1: deelnemers zouden minder responsief moeten zijn voor pijn wanneer ze
vloeken
▪ Predictie 2: deelnemers zouden een verhoogde pijntolerantie moeten hebben
wanneer ze vloeken dan wanneer ze niet vloeken
4. Evalueer de predictie o.b.v. systematische geplande observaties
o Empirische methode: gebruik van directe observatie
o Onderzoek of dataverzameling
o Doel: faire en niet-gebiaste test van de onderzoekshypothese door te observeren of de
predictie correct is
o Geen subjectieve interpretatie of verwachtingen
▪ Voorbeeld: participanten moesten een hand in ijskoud water onderdompelen en er
werd gemeten hoe lang ze dit konden volhouden (pijn tolerantie). In één conditie
3
, herhaalden de participanten een vloekwoord en in de andere conditie herhaalden ze
een neutraal woord = empirische test
5. Observaties gebruiken om hypothese te ondersteunen, weerleggen of herspecifiëren
o Vergelijk observaties met predicties gebaseerd op hypothese
o Terug naar stap 2: nieuwe hypothese vormen
▪ Bv. sommige participanten vertoonden inderdaad een langere pijntolerantie
wanneer ze vloekten, maar sommigen vertoonden dit niet → andere variabelen
moeten in rekening gebracht worden (persoonlijkheid, neiging tot vloeken…)
Andere elementen van de wetenschappelijke methode
Serie van stappen die steeds opnieuw doorlopen moeten worden
• Observatie → hypothese → predictie → observatie → hypothese → …
• Circulair proces
Belangrijke principes
1. Wetenschap is empirisch
o we zoeken antwoorden o.b.v. gestructureerde en systematische observaties
▪ Gestructureerd: bieden duidelijke ondersteuning of weerlegging van de hypothese
▪ Systematisch: uitgevoerd in set van condities zodat we onze vraag accuraat kunnen
beantwoorden
2. Wetenschap is openbaar
o observaties zijn beschikbaar voor de evaluaties van anderen
o Replicatie mogelijk voor verifieerbaarheid van observaties
o Hoe?: publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, presentaties…
o Peer review: strikte controletoets
o Gedetailleerde beschrijving van de methode (master thesis)→ zo kunnen observaties
gerepliceerd worden en bevindingen bevestigd worden
3. Wetenschap is objectief
o Overtuigingen en biases van de onderzoeker mogen geen invloed hebben op de resultaten
o Onderzoeker kan soms geloof hebben in bepaalde theorie of verwachtingen over het
resultaat van een studie → daarom blinde procedures gebruikt waarbij onderzoekers blind
zijn voor alle details
o Wetenschap vs pseudowetenschap
▪ Ontbreken van empirische evidentie (astrologie, aromatherapie)
▪ Geen toetsbare en weerlegbare hypotheses (evidentie tegen theorie wordt
genegeerd)
▪ Gebaseerd op subjectief bewijs (“handpicking” van succesverhalen)
▪ Stagneert, blijft onveranderd door de jaren heen
▪ Niet gegrond in vorig onderzoek
De empirische cirkel
Kwantitatief en kwalitatief onderzoek
• Kwantitatief onderzoek
o Onderzoekt variabelen die typisch variëren in kwantiteit (grootte, omvang, duur ,
hoeveelheid)
4
Hoofdstuk 1: inleiding
Niet wetenschappelijke methoden om kennis te vergaren
1. Vasthoudendheid (tenacity)
o Informatie accepteren als waar, omdat het altijd al zo geweest is of omdat bijgeloof de
informatie ondersteunt
o Gebaseerd op gewoonte of bijgeloof
o We geloven iets dat we altijd al geloofd hebben, clichés
▪ Opposites attracts: mensen zijn aangetrokken tot mensen die zoals hen zijn
o Bepaalde overtuigingen voorgesteld als feiten
▪ Spiegel breken= 7 jaren ongeluk: niet waar
→ MAAR: info kan foutief zijn en corrigeren is zeer moeilijk
2. Intuitie
o Informatie accepteren als waar, omdat dit juist aanvoelt
o Gebaseerd op buikgevoel, instinct of voorgevoel
o Snelle methode om vragen te beantwoorden
o Gebruikt als we over geen enkele informatie beschikken
o Gebruikt voor ethische vraagstukken of morele dilemma’s
▪ “ik voel aan mijn vriend dat hij een slechte dag heeft”
▪ “Wat moet ik vanavond eten?”
→ MAAR: zeer gevoelig aan fouten want we kunnen accurate en foutieve info niet onderscheiden
3. Autoriteit
o Informatie accepteren als waar, omdat info afkomstig is van een expert van dat onderwerp
o Gebaseerd op vertrouwen in autoriteit/ expert
▪ “google it”: methode van geloof: blind vertrouwen op autoriteit
o Snel en gemakkelijk
→ MAAR: Kritisch denken
o expert is niet altijd een expert
o experts kunnen gebiast (bv. Democraten en republieken hebben vaak verschillende
antwoorden over hetzelfde onderwerp) zijn
o expertise gegeneraliseerd naar andere domeinen (bv. Acteurs vertegenwoordigen shampoo
in reclame)
o subjectieve opinie (bv. Review over film)
o expertise niet in vraag gesteld: “method of faith” (bv. “Die knobbel lijkt niet
kankerverwekkend”: je kan beter een second opinion raadplegen)
4. Rationalisme
o Logisch redeneren
o Vertrek: set gekende feiten/ assumpties (=premissen)
1
, o Gevolg: logica gebruiken om tot conclusie of antwoord te komen
▪ Bv.: Enge ervaring met hond veroorzaakt angst voor honden in de toekomst
(=premissen)
▪ Amy heeft angst voor honden dus Amy heeft een enge ervaring met een hond gehad
(=logische conclusie)
▪ MAAR: is dit correct voor alle mensen? Geen valide argument: de angst van Amy kan
ook op andere manieren veroorzaakt zijn
o Conclusie is pas correct als premissen en logica correct zijn (maar we zijn niet zo goed in
juist redeneren)
o Methode begint pas na de premissen
o Geen verzameling van info, geen observaties, geen evidentie
o Gebruikt om alternatieven logisch af te wegen zonder alle mogelijkheden uit te proberen
▪ Bv.: je hebt examen en auto is stuk (dan ga je niet alle mogelijkheden uitproberen
maar logisch redeneren en op basis daarvan een conclusie maken)
→ MAAR: alles valt of staat bij juistheid premissen en juistheid redeneren (en we zijn niet goed in logisch
redeneren)
5. Empirie
o Directe observatie of directe sensorische ervaring
o Kennis = zintuigen
▪ Bv. In de zomer is het warmer dan in de winter
o Veel antwoorden beschikbaar door wereld rondom ons te observeren
→ MAAR: waarneming en interpretatie zijn niet altijd correct (bv. Visuele illusies)
o Sensorische ervaring kan ons misleiden (visuele illusies)
o Invloed van voorkennis, verwachtingen, gevoelens, overtuigingen op perceptie
▪ bv. Als je verteld wordt dat chips eigenlijk gefrituurde wormen zijn zal je deze nooit
als favoriet aanduiden ookal zijn deze lekkerder
o kosttijd: bij probleem verschillende oplossingen uitvoeren: <-> rationele methode = trial-
and-error
o kan gevaarlijk zijn: paddenstoelen testen of die giftig zijn (geen goede oplossing)
besluit
• Tenacity, intuïtie, autoriteit
o Niet-kritische technieken, nuttig voor snel beantwoorden van vragen die geen belangrijke
consequenties hebben indien een fout antwoord geaccepteerd wordt
• Rationalisme, empirie
o Meer eisen voor antwoorden en info die ze produceren, cruciale componenten
wetenschappelijke methode
De wetenschappelijke methode
• Manier om kennis te vergaren waarbij specifieke vragen geformuleerd worden en er vervolgens
systematisch naar antwoorden gezocht wordt
• Bevat verschillende elementen van de niet-wetenschappelijke methoden → beperkingen van
individuele methoden vermijden
• Zo accuraat mogelijke antwoorden bekomen
2
,Verschillende stappen
1. Observatie van gedrag of andere fenomenen
o Trekt je aandacht, roept vragen op
o Informeel, natuurlijk, niet gepland, niet systematisch
o Initiële observatie: kan direct en indirect zijn
o Observaties gegeneraliseerd → inductie: op basis van enkele observaties wordt een
algemene conclusie bereikt
▪ Bv. Stel je eet een groene appel en die is zuur, de 2de en 3de appels zijn ook zuur, dan
maak je de conclusie dat alle groene appels zuur zijn
▪ Bv. Vloeken is een universele reactie op pijn
2. Hypothese vormen
o Identificatie van variabelen (= karakteristieken of condities die varieren binnen en/of tussen
verschillende personen) die geassocieerd zijn met je observatie
o Observaties kunnen beïnvloed worden door verschillende variabelen en deze kunnen de
observatie deels verklaren
▪ de geobserveerde relatie tussen pijn en vloeken kan beïnvloed worden door
verschillende andere variabelen (acute versus chronische pijn, alleen of in
aanwezigheid van anderen, persoonlijkheid (bv. Verschil introverte en extraverte))
o selecteer 1 van de mogelijke verklaringen (bevat beschrijving of verklaring van een relatie
tussen variabelen) die je gaat evalueren in een wetenschappelijke studie= hypothese
o andere mogelijke verklaringen niet ontkend, voorlopig niet gebruikt
o hypothese: mogelijke, voorlopige verklaring die getest en kritisch geëvalueerd moet worden
▪ bv. Vloeken is reactie op pijn omdat vloeken de ervaring van de pijn wijzigt en de
ervaren intensiteit van de pijn vermindert
3. predicties vormen
o hypothese toepassen op een specifieke, observeerbare situatie
o 1 hypothese kan leiden tot meerdere predicties en elke predictie verwijst naar een
specifieke situatie die gemeten en geobserveerd kan worden
o Predicties moeten toetsbaar zijn: kan ondersteund of weerlegd worden o.b.v. observaties
o Predicties vormen o.b.v. deductie: algemene stelling -> conclusies over specifieke
voorbeelden (logisch proces: rationalisme)
▪ Voorbeeld hypothese: vloeken is gebruikelijke reactie op pijn omdat het vloeken de
ervaring van pijn wijzigt en de ervaren intensiteit van de pijn vermindert
▪ Predictie 1: deelnemers zouden minder responsief moeten zijn voor pijn wanneer ze
vloeken
▪ Predictie 2: deelnemers zouden een verhoogde pijntolerantie moeten hebben
wanneer ze vloeken dan wanneer ze niet vloeken
4. Evalueer de predictie o.b.v. systematische geplande observaties
o Empirische methode: gebruik van directe observatie
o Onderzoek of dataverzameling
o Doel: faire en niet-gebiaste test van de onderzoekshypothese door te observeren of de
predictie correct is
o Geen subjectieve interpretatie of verwachtingen
▪ Voorbeeld: participanten moesten een hand in ijskoud water onderdompelen en er
werd gemeten hoe lang ze dit konden volhouden (pijn tolerantie). In één conditie
3
, herhaalden de participanten een vloekwoord en in de andere conditie herhaalden ze
een neutraal woord = empirische test
5. Observaties gebruiken om hypothese te ondersteunen, weerleggen of herspecifiëren
o Vergelijk observaties met predicties gebaseerd op hypothese
o Terug naar stap 2: nieuwe hypothese vormen
▪ Bv. sommige participanten vertoonden inderdaad een langere pijntolerantie
wanneer ze vloekten, maar sommigen vertoonden dit niet → andere variabelen
moeten in rekening gebracht worden (persoonlijkheid, neiging tot vloeken…)
Andere elementen van de wetenschappelijke methode
Serie van stappen die steeds opnieuw doorlopen moeten worden
• Observatie → hypothese → predictie → observatie → hypothese → …
• Circulair proces
Belangrijke principes
1. Wetenschap is empirisch
o we zoeken antwoorden o.b.v. gestructureerde en systematische observaties
▪ Gestructureerd: bieden duidelijke ondersteuning of weerlegging van de hypothese
▪ Systematisch: uitgevoerd in set van condities zodat we onze vraag accuraat kunnen
beantwoorden
2. Wetenschap is openbaar
o observaties zijn beschikbaar voor de evaluaties van anderen
o Replicatie mogelijk voor verifieerbaarheid van observaties
o Hoe?: publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, presentaties…
o Peer review: strikte controletoets
o Gedetailleerde beschrijving van de methode (master thesis)→ zo kunnen observaties
gerepliceerd worden en bevindingen bevestigd worden
3. Wetenschap is objectief
o Overtuigingen en biases van de onderzoeker mogen geen invloed hebben op de resultaten
o Onderzoeker kan soms geloof hebben in bepaalde theorie of verwachtingen over het
resultaat van een studie → daarom blinde procedures gebruikt waarbij onderzoekers blind
zijn voor alle details
o Wetenschap vs pseudowetenschap
▪ Ontbreken van empirische evidentie (astrologie, aromatherapie)
▪ Geen toetsbare en weerlegbare hypotheses (evidentie tegen theorie wordt
genegeerd)
▪ Gebaseerd op subjectief bewijs (“handpicking” van succesverhalen)
▪ Stagneert, blijft onveranderd door de jaren heen
▪ Niet gegrond in vorig onderzoek
De empirische cirkel
Kwantitatief en kwalitatief onderzoek
• Kwantitatief onderzoek
o Onderzoekt variabelen die typisch variëren in kwantiteit (grootte, omvang, duur ,
hoeveelheid)
4