Hoorcollege 1 (online)
Fundamentals of developmental psychopathology
Wat is developmental psychopathology?
Psychopathologie: gaat over emotionele, cognitieve gedachten of
gedragsproblemen die zoveel voorkomen of zo heftig zijn dat ze iemand
belemmeren in het dagelijkse leven
Ontwikkelingspsychopathologie: bekijkt hoe en waarom zulke
problemen zich ontwikkelen bij kinderen en jongeren, rekening houden
met normale ontwikkelingsstappen. Je kijkt dus naar gedrags- of
emotionele problemen binnen het kader van wat normaal is voor die
leeftijd
--> De term typisch/ atypisch wordt gebruikt om minder waardeoordeel
te hebben dan normaal/abnormaal
--> ontwikkelingspsychopathologie leidt tot:
1. Dynamisch inzicht in de sterke en zwakke punten van kinderen
terwijl zij belangrijke, leeftijdsgebonden uitdagingen doormaken
2. Individuele, familiale, etnische, culturele en maatschappelijke
overtuigingen over wat wenselijke versus onwenselijke uitkomsten
zijn
= wat normaal of afwijkend is hangt vaak af van de omgeving en
cultuur. Hierom spelen ze een rol in hoe we gedrag beoordelen
--> deze dia hoort bij het eerste concept die hierboven genoemd zijn (=
dynamische inzichten)
Defining typical/normal VS atypical/abormal wordt gedaan door middel
van:
1. Statistical deviance (statistische afwijking): hoe anders
iemand zich voelt/ denkt/ gedraag vergeleken met anderen --> in
hoeverre wijkt iemand hiervan af
, --> probleem:
o Waar trek je de grens tussen normaal en afwijkend?
o Soms kan een “extreme” eigenschap juist positief zijn
(bijvoorbeeld uitzonderlijke intelligentie).
2. Sociocultural norms: hoe iemand geacht wordt te denken/voelen/
handelen
--> probleem: Culturen verschillen; wat in de ene groep normaal is,
kan in een andere groep afwijkend zijn.
Zelfstandigheid op jonge leefdtijd kan in de ene cultuur
normaal zijn en in de andere ongepast
3. Mental health definitions: wat experts beschouwen als
geestelijke gezondheid/ziekte
--> probleem: de subjectiviteit en waarden van experts beïnvloeden
de definitie
Hoe komt het tot stand?
Ontwikkelingspsychopathologie kijkt naar het proces van de ontwikkeling
en niet alleen naar het eindstadium (de stoornis)
1. Is er delay of dysfunction? --> dit is een vroege indicator om te
kijken of het kind mogelijk extra risico loopt
Delay: sommige kinderen bereiken ontwikkelingsmijlpalen later
--> sommige skills heb je dus nog niet
Dysfunction: sommige kinderen functioneren niet zoals
verwacht --> betekent niet dat je de skills niet hebt, maar je
gebruikt ze niet of anders
= beide kunnen wijzen op een risico voor psychopathologie
2. Typische vs atypische ontwikkeling als proces --> normaal en
afwijkend gedag zijn geen vaste categorieën, maar kunnen
verminderen of verergeren. Bv wanneer een kind naar een nieuwe
school gaat:
Adjustment --> het kind past zich aan een nieuwe situatie aan
zonder blijvende problemen.
Maladjustment (onaangepastheid) --> het kind kan zich niet
effectief aanpassen, wat kan leiden tot een angststoornis of
depressie.
Er zijn verschillende ontwikkelingspaden:
1. Multifinality: gelijke startpunten kunnen leiden tot verschillende
uitkomsten
--> we moeten kijken naar individuele verschillen en beschermende
factoren, niet alleen naar de risicofactor zelf
, Bv. 1 risicofactor, kindermishandeling, kan leiden tot heel
verschillende uitkomsten bij verschillende kinderen --> zo kan 1
een eetstoornis ontwikkelen en de ander een gedragsstoornis
2. Equifinality: verschillende startpunten kunnen leiden tot gelijke
uitkomsten
--> bij diagnostiek en behandeling moet je rekening houden met de
verschillende paden die tot een stoornis leiden
Bv. Genetische aanleg, opvoedingsstijl of buurtinvloeden kunnen
allemaal bijdragen aan het ontstaan van een gedragsstoornis
3 profielen van ontwikkeling:
1. Continuity and Stability: Het gedrag blijft hetzelfde én de
relatieve positie tussen kinderen blijft hetzelfde (bv. kinderen met
hoog agressieniveau blijven hoog en in dezelfde volgorde).
2. Discontinuity and Stability: Niveau verandert, maar de volgorde
tussen kinderen blijft gelijk (bijv. iedereen wordt minder agressief,
maar de rangorde blijft hetzelfde).
3. Discontinuity and Instability: Zowel het niveau als de volgorde
verandert (bijv. iemand die eerst hoog scoorde op agressie is later
juist laag, en omgekeerd).
Stabiliteit = kind is met 12 jaar agressiefste kind in de klas, is dit nog
steeds zo wanneer die 16 is?
Continuïteit = het kind is heel agressief, wordt dit erger, blijft dit
hetzelfde of wordt het minder als het kind 16 is
3 vormen van continuïteit
1. Homotypic continuity: het gedrag of de symptomen blijven in
dezelfde vorm bestaan door de tijd heen
Bv. Een kind met angstklachten heeft als volwassene nog steeds
ongeveer dezelfde angstklachten
, --> de vorm van het probleem blijft hetzelfde
2. Hetrotypic continuity: de onderliggende eigenschap blijft
hetzelfde, maar de manier waarop het naar buiten komt verandert
met de leeftijd of ontwikkeling
Bv. Een peuter die heel verlegen is kan op de middelbare sociaal
angstig worden
--> de kern blijft hetzelfde, maar de uiting verandert
3. Cumalative continuity: Het gedrag of de eigenschap beïnvloedt
de omgeving zó dat het zichzelf versterkt. Met andere woorden: je
creëert situaties die het probleem in stand houden.
Bv. Een kind dat druk en impulsief is krijgt negatieve reacties van
leerkrachten, voelt zich afgewezen en gaat nog storender gedrag
vertonen.
--> het gedrag versterkt zijn eigen omgeving = het blijft bestaan
Jijzelf, familie of je sociale karaktereigenschappen (zoals je omgeving)
kunnen de rol hebben van:
Risk factor --> maakt ons meer kwetsbaar voor een disorder
o Een risk factor voor een disorder kan juist ervoor zorgen dat
het een protectieve factor is voor een ander
o Kunnen specifiek of niet-specifiek zijn
o Is een verschil in hoe zwaar ze mee tellen --> wanneer
iemand bijvoorbeeld een hoog risk factor heeft kan dit de
reslience factoren ook overwinnen = juist kwetsbaarder zijn
o De timing en grote ervan is van belang inhoeverre de impact
ervan is
Resilience factor --> verkleinen kans op disorder, zorgen er dus
voor dat je minder kans hebt op een disorder ondanks je wel in
aanmerking komt met redenen hiervoor
o Bv. Goede vrienden; toegang tot school; ondersteunde ouders
o Kunnen promotive zijn --> positieve ontwikkeling of hoge
eigenwaarde
o Kunnen protective zijn --> kunnen ervoor zorgen dat je minder
in aanraking komt
Deze werken op verschillende manieren:
1. Reducing impact of risk
2. Reducing the negative chain of reactions following
risk
3. Establishing and maintaining self-esteem and self-
efficacy
4. Opening up opportunities for growth
Resilience is dynamic and extends beyond the child/family
system level
Fundamentals of developmental psychopathology
Wat is developmental psychopathology?
Psychopathologie: gaat over emotionele, cognitieve gedachten of
gedragsproblemen die zoveel voorkomen of zo heftig zijn dat ze iemand
belemmeren in het dagelijkse leven
Ontwikkelingspsychopathologie: bekijkt hoe en waarom zulke
problemen zich ontwikkelen bij kinderen en jongeren, rekening houden
met normale ontwikkelingsstappen. Je kijkt dus naar gedrags- of
emotionele problemen binnen het kader van wat normaal is voor die
leeftijd
--> De term typisch/ atypisch wordt gebruikt om minder waardeoordeel
te hebben dan normaal/abnormaal
--> ontwikkelingspsychopathologie leidt tot:
1. Dynamisch inzicht in de sterke en zwakke punten van kinderen
terwijl zij belangrijke, leeftijdsgebonden uitdagingen doormaken
2. Individuele, familiale, etnische, culturele en maatschappelijke
overtuigingen over wat wenselijke versus onwenselijke uitkomsten
zijn
= wat normaal of afwijkend is hangt vaak af van de omgeving en
cultuur. Hierom spelen ze een rol in hoe we gedrag beoordelen
--> deze dia hoort bij het eerste concept die hierboven genoemd zijn (=
dynamische inzichten)
Defining typical/normal VS atypical/abormal wordt gedaan door middel
van:
1. Statistical deviance (statistische afwijking): hoe anders
iemand zich voelt/ denkt/ gedraag vergeleken met anderen --> in
hoeverre wijkt iemand hiervan af
, --> probleem:
o Waar trek je de grens tussen normaal en afwijkend?
o Soms kan een “extreme” eigenschap juist positief zijn
(bijvoorbeeld uitzonderlijke intelligentie).
2. Sociocultural norms: hoe iemand geacht wordt te denken/voelen/
handelen
--> probleem: Culturen verschillen; wat in de ene groep normaal is,
kan in een andere groep afwijkend zijn.
Zelfstandigheid op jonge leefdtijd kan in de ene cultuur
normaal zijn en in de andere ongepast
3. Mental health definitions: wat experts beschouwen als
geestelijke gezondheid/ziekte
--> probleem: de subjectiviteit en waarden van experts beïnvloeden
de definitie
Hoe komt het tot stand?
Ontwikkelingspsychopathologie kijkt naar het proces van de ontwikkeling
en niet alleen naar het eindstadium (de stoornis)
1. Is er delay of dysfunction? --> dit is een vroege indicator om te
kijken of het kind mogelijk extra risico loopt
Delay: sommige kinderen bereiken ontwikkelingsmijlpalen later
--> sommige skills heb je dus nog niet
Dysfunction: sommige kinderen functioneren niet zoals
verwacht --> betekent niet dat je de skills niet hebt, maar je
gebruikt ze niet of anders
= beide kunnen wijzen op een risico voor psychopathologie
2. Typische vs atypische ontwikkeling als proces --> normaal en
afwijkend gedag zijn geen vaste categorieën, maar kunnen
verminderen of verergeren. Bv wanneer een kind naar een nieuwe
school gaat:
Adjustment --> het kind past zich aan een nieuwe situatie aan
zonder blijvende problemen.
Maladjustment (onaangepastheid) --> het kind kan zich niet
effectief aanpassen, wat kan leiden tot een angststoornis of
depressie.
Er zijn verschillende ontwikkelingspaden:
1. Multifinality: gelijke startpunten kunnen leiden tot verschillende
uitkomsten
--> we moeten kijken naar individuele verschillen en beschermende
factoren, niet alleen naar de risicofactor zelf
, Bv. 1 risicofactor, kindermishandeling, kan leiden tot heel
verschillende uitkomsten bij verschillende kinderen --> zo kan 1
een eetstoornis ontwikkelen en de ander een gedragsstoornis
2. Equifinality: verschillende startpunten kunnen leiden tot gelijke
uitkomsten
--> bij diagnostiek en behandeling moet je rekening houden met de
verschillende paden die tot een stoornis leiden
Bv. Genetische aanleg, opvoedingsstijl of buurtinvloeden kunnen
allemaal bijdragen aan het ontstaan van een gedragsstoornis
3 profielen van ontwikkeling:
1. Continuity and Stability: Het gedrag blijft hetzelfde én de
relatieve positie tussen kinderen blijft hetzelfde (bv. kinderen met
hoog agressieniveau blijven hoog en in dezelfde volgorde).
2. Discontinuity and Stability: Niveau verandert, maar de volgorde
tussen kinderen blijft gelijk (bijv. iedereen wordt minder agressief,
maar de rangorde blijft hetzelfde).
3. Discontinuity and Instability: Zowel het niveau als de volgorde
verandert (bijv. iemand die eerst hoog scoorde op agressie is later
juist laag, en omgekeerd).
Stabiliteit = kind is met 12 jaar agressiefste kind in de klas, is dit nog
steeds zo wanneer die 16 is?
Continuïteit = het kind is heel agressief, wordt dit erger, blijft dit
hetzelfde of wordt het minder als het kind 16 is
3 vormen van continuïteit
1. Homotypic continuity: het gedrag of de symptomen blijven in
dezelfde vorm bestaan door de tijd heen
Bv. Een kind met angstklachten heeft als volwassene nog steeds
ongeveer dezelfde angstklachten
, --> de vorm van het probleem blijft hetzelfde
2. Hetrotypic continuity: de onderliggende eigenschap blijft
hetzelfde, maar de manier waarop het naar buiten komt verandert
met de leeftijd of ontwikkeling
Bv. Een peuter die heel verlegen is kan op de middelbare sociaal
angstig worden
--> de kern blijft hetzelfde, maar de uiting verandert
3. Cumalative continuity: Het gedrag of de eigenschap beïnvloedt
de omgeving zó dat het zichzelf versterkt. Met andere woorden: je
creëert situaties die het probleem in stand houden.
Bv. Een kind dat druk en impulsief is krijgt negatieve reacties van
leerkrachten, voelt zich afgewezen en gaat nog storender gedrag
vertonen.
--> het gedrag versterkt zijn eigen omgeving = het blijft bestaan
Jijzelf, familie of je sociale karaktereigenschappen (zoals je omgeving)
kunnen de rol hebben van:
Risk factor --> maakt ons meer kwetsbaar voor een disorder
o Een risk factor voor een disorder kan juist ervoor zorgen dat
het een protectieve factor is voor een ander
o Kunnen specifiek of niet-specifiek zijn
o Is een verschil in hoe zwaar ze mee tellen --> wanneer
iemand bijvoorbeeld een hoog risk factor heeft kan dit de
reslience factoren ook overwinnen = juist kwetsbaarder zijn
o De timing en grote ervan is van belang inhoeverre de impact
ervan is
Resilience factor --> verkleinen kans op disorder, zorgen er dus
voor dat je minder kans hebt op een disorder ondanks je wel in
aanmerking komt met redenen hiervoor
o Bv. Goede vrienden; toegang tot school; ondersteunde ouders
o Kunnen promotive zijn --> positieve ontwikkeling of hoge
eigenwaarde
o Kunnen protective zijn --> kunnen ervoor zorgen dat je minder
in aanraking komt
Deze werken op verschillende manieren:
1. Reducing impact of risk
2. Reducing the negative chain of reactions following
risk
3. Establishing and maintaining self-esteem and self-
efficacy
4. Opening up opportunities for growth
Resilience is dynamic and extends beyond the child/family
system level