Productiefactoren Arbeid, grondstoffen & kapitaal
Micro-economie Focus op vraag & aanbod tussen
individuele actoren zoals consumenten,
bedrijven, markten …
Macro-economie Gehele economische systeem met focus op
economische groei, tewerkstelling, inflatie,
export/import
Nationaal, Europees, wereldeconomie
Theorieën over bestaan & functioneren Neoklassieke theorie,
(media)bedrijven transactiekostentheorie, agencytheorie
Opportuniteitskost Waarde en opbrengst vh best mogelijke
alternatief tov de uiteindelijk genomen
beslissing
Marktfalen Wanneer de markt onvoldoende werkt & er
niet in slaagt beste uitkomst te creëren
Transactiekosten Kosten om transactie uit te voeren zoals
zoek-&informatiekosten, contractkosten,
controle-&nalevingskosten
Coördinatiekosten Kosten om werk te organiseren&op te
volgen, bvb directeurslonen,
communicatiekosten
‘Principaal-agent’-probleem Wanneer een opdrachtgever (principaal)
niet volledig in staat is om te controleren of
de oprachtnemer (agent) niet alleen de
belangen vd opdrachtgever nastreeft, maar
ook beslissingen neemt die eigenbelang
dienen
Kenmerken die media-economie - Cultureel goed
onderscheidt v andere industrieën (10) - Publiek belang
- Publiek goed
- Indirecte prijsrelatie
- Aandacht
- Ervaringsgoed
- Risicovol
- Niet-fysiek
- Aparte kostenstructuur
- Minder concurrentie
Niet-rivaliserend Beschikbaarheid vh mediaproduct
vermindert niet als het aantal consumenten
ervan verhoogt
Niet-uitsluitbaar Consumptie kan niet w verboden voor
bepaalde mediaconsumenten, ook als ze er
niet voor betaald hebben (zoals radio)
Clubgoederen Goederen die niet-rivaliserend zijn, maar
wel uitsluitbaar
‘Nobody really knows’-principe Grote onzekerheid aan de vraagzijde
waardoor het commercieel succes ve
product moeilijk in te schatten is
Hit-gedreven industrie Beperkt aantal kaskrakers die zo rendabel
zijn dat ze ook de verliezen vd weinig
succesvolle producten dekken
,2. Size matters
Vaste kosten Kosten die niet wijzigen naarmate er
meer/minder geproduceerd/geconsumeerd
wordt (constante kosten). Bvb loon
personeel, verzekeringen, huur
bedrijfsgebouw, …
Variabele kosten Wijzigen naarmate er meer/minder
producten worden
geconsumeerd/geproduceerd. Bvb
grondstoffen, energie,
verzending/verpakking, …
Marginale kosten Kosten voor productie/consumptie van 1
extra eenheid (grenskosten).
First-copykosten Totale kostprijs om eerste exemplaar van
een mediagoed (film, videogame, tv-
programma, …) te produceren.
Schaalvoordeel Een schaalvoordeel ontstaat wanneer een
mediabedrijf meer efficiëntie realiseert
doordat het op grotere schaal kan
produceren: de vaste kosten worden over
een grotere productiehoeveelheid gespreid.
Kenmerken die een marktvorm bepalen - Aantal marktspelers
- Toetredingsdrempels
- Productdifferentiatie
- Marktmacht
Homogene producten Producten die gelijksoortig zijn voor kopers.
Aangezien er nauwelijks verschillen zijn,
kunnen kopers het ene product makkelijk
voor het andere inwisselen.
Heterogene producten Producten die uniek zijn voor kopers. Ze
hebben een duidelijk voordeel in
vergelijking met concurrerende producten.
Prijszetter Een aanbieder met marktmacht.
Verschillende marktvormen - Perfecte concurrentie
- Monopolistische concurrentie
- Oligopolie
- Monopolie
Pareto-optimaal Een perfect evenwicht van de markt.
Intellectueel monopolie Aanbieders hebben een octrooi/patent op
technologie waardoor enkel zij dit product
mogen verkopen.
Wettelijk monopolie Overheid bepaalt dat er niet meer dan 1
aanbieder mag zijn.
Natuurlijke monopolie Wanneer de gemiddelde kosten v/e product
blijven dalen bij toename v/d productie en
schaalvoordelen optreden. De overheid
verleent vanuit efficiëntieoogpunt een
monopolie aan aanbieder v/h product, maar
de aanbieder is vaak in handen v/d
overheid of sterk gereguleerd om de
consument te beschermen.
Homogeen oligopolie Aanbieders verkopen soortgelijke producten
en er wordt op basis v prijs geconcurreerd.
Heterogeen oligopolie Aanbieders verkopen gedifferentieerde
, producten en leggen meer nadruk op
productkenmerken & -innovatie dan op prijs
als verkoopargument.
Nulsomspel Winst voor de ene betekent noodzakelijk
verlies voor de andere.
Nash-evenwicht Binnen een oligopolie zorgt
gedragsaanpassing van de ene aanbieder
voor gedragsaanpassing van de andere. Zo
evolueert het naar een stabiel markt
evenwicht.
Structurele remedies Maatregelen die de structuur v/d markt
direct beïnvloeden met als doel de
concurrentie aan te wakkeren.
Gedragsmatige remedies Maatregelen die gewenst marktgedrag v/h
betrokken bedrijf afdwingen.
3. De sterkste schakel
Waardeketen Keten van industriële activiteiten binnen
eenzelfde bedrijf die waarde creëren.
Productieketen Een netwerk van organisaties, mensen,
technologie & industriële activiteiten waarin
producten, informatie & geld worden
uitgewisseld.
Verticale integratie Wanneer een bedrijf in meerdere schakels
van de productieketen betrokken is.
Flowprogramma’s Programma’s die bedoeld zijn voor
onmiddelijke consumptie gezien hun
tijdgebonden gebruikswaarde. Er is weinig
economische waarde verbonden aan
doorverkopen/opnieuw uitzenden van deze
programma’s. Deze worden doorgaans
intern door tv-omroepen gemaakt.
Vb: nieuwsuitzending, sportwedstrijd
Stockprogramma’s Programma’s met een langere
gebruikswaarde, waardoor ze geschikt zijn
voor doorverkoop/heruitzendingen. Deze
worden meestal door externe
productiehuizen/filmstudio’s geproduceerd.
Vb: film, fictieserie, documentaire
Facilitaire bedrijven Leveren een breed gamma van diensten
aan producenten, zoals verhuur van
opnamestudio’s & -apparatuur, verzorging
livetransmissie, ondertiteling, …
Netwerkoperator Bedrijf dat netwerkinfrastructur beheert &
onderhoudt.
Contentdistributienetwerken (CDN’s) Netwerk van servers die geografisch
verspreid zijn om zo content zonder
vertragingen bij eindgebruiker te brengen.
Datacenters Bieden centrale opslag, verwerking &
beheer van data & applicaties aan.
Telecomnetwerken Bedoeld om telecomdiensten zoals
telefonie, internettoegang,