H1: Homo sapiens als studieonderwerp
1. Een bijzondere paradox
Waarom heeft de homo sapiens het overleefd tussen al die andere soorten?
Wie is de Homo sapiens?
- Homo: mens
- Sapiens: verstandelijk
- We hebben een groot brein, lange kindertijd (waardoor we een lange tijd
kunnen leren), aanleg voor kunst/taal/abstractie
- We hebben paradoxaal gedrag
o We gedragen zich soms tegenstrijdig met onze eigen overtuigingen
o Vb. je weet dat roken ongezond is, maar toch doe je het, je weet dat
vliegen slecht is voor het milieu maar toch boek je een reis, we
hebben de landbouw ontwikkeld maar we zorgen ook voor vervuiling
in de landbouw
- Onevenaarbaar succes in biomassa, flexibiliteit, creativiteit,… maar ook
hebben we de neiging tot geweld, destructief (=vernietigend, schadelijk)
o Succes in biomassa: we zijn met veel op aarde
o De intelligentie van al deze mensen die zorgt ervoor dat we flexibel
en creatief zijn, maar zorgt ook voor oorlog, massaproductie van
wapens, destructief gedrag
o (onze kracht is tegelijk ook onze risicozone)
- Grote ecologische voetafdruk
o Omdat we met veel zijn, technologie gebruiken, energie
verbruiken… hebben we een grote impact op de planeet.
2. Het rationalisme en empirisme
Lang gelden (voordat psychologie of sociologie bestond) probeerden filosofen te
begrijpen hoe mensen denken/ hieruit zijn 2 grote stromingen ontstaan die de
basis vormen van alle gedragswetenschappen (die later kwamen)
Rationalisme:
- Kennis ontstaat door denken en redeneren.
- De mens begrijpt gedrag door te vertrekken vanuit een logica en bouwt zo
een theorie op.
- Eerst theorie, dan waarneming
Empirisme:
- Kennis ontstaat door indrukken en ervaringen
1
, - Eerst waarneming, dan theorie
Gedragswetenschap heeft beide nodig.
- Voor wetenschap heb je zowel rationalisme en empirisme nodig.
- Je moet een theorie bedenken (rationalisme) en deze vervolgens
observeren (empirisme)
In de 19de eeuw onderzocht men het bewustzijn van de mens. Hieruit ontstonden
2 stromingen.
- Structuralisme – W. Wundt
o Onderzoekt het bewustzijn in kleine onderdelen. (waaruit bestaat
het bewustzijn?)
o Dit deed men door systematisch te kijken naar de objectieve
observaties van bewuste ervaringen van proefpersonen.
(observeren van ervaringen)
- Functionalisme – W. James
o Onderzoek de functie van het bewustzijn. (waarvoor dient het
bewustzijn?)
o (onderzoekt het bewustzijn als een geheel en niet in delen)
o Past de theorie van Darwin toe en concludeert dat het bewustzijn
een overlevingswaarde heeft.
Theorie van Darwin: enkel eigenschappen die helpen bij het
overleven of voortplanten blijven bestaan. (vb. een giraffen
met langere nekken kunnen beter aan eten en blijven dus
langer bestaan, giraffen met korte nekken sterven uit)
Aangezien andere wetenschappers het oneens zijn met bovenstaande theorieën
ontstaan er nieuwe ideeën:
- Behaviorisme – Skinner
o Men bestudeert enkel het observeerbaar gedrag (want volgend hen
kan je bewustzijn niet objectief meten)
o Overtuiging: alle gedrag is aangeleerd via conditionering (honden
van Pavlov)
Mensen/dieren leren door beloningen, straffen
(conditionering)
o (focus: omgeving)
- Psychodynamica – Freud
o Freud vindt dat menselijk gedrag niet enkel verklaard kan worden
door conditionering.
o Bestudeert de onbewuste drijveren van het gedrag (veel gedrag
wordt gestuurd door processen waarvan we ons niet bewust zijn)
o Overtuiging: gedrag komt voort uit het onbewuste
o (focus: onbewuste)
- Humanisme – Rogers
o Rogers vindt dat menselijk gedrag niet verklaard kan worden door
conditionering en het onderbewuste.
o Mensen kunnen veranderen en willen zichzelf ontwikkelen/groeien.
o Mensen hebben de focus op zelfrealisatie (zelfontplooiing,
persoonlijke groei)
o (focus: groei)
2
,- Deze theorieën tonen aan dat menselijk gedrag vanuit verschillende
invalshoeken bekeken kan worden.
3
, 3. Moderne benaderingen van de
gedragswetenschappen vandaag
We zien dat verschillende stromingen telkens een ander antwoord hebben op
dezelfde vraag: waarom gedragen mensen zich zoals ze doen?
Moderne benaderingen van de gedragswetenschappen proberen deze stromingen
te combineren.
Dankzij technologie kunnen wetenschappers hersen bestuderen, gedrag meten,
emoties onderzoeken… Dit toont dat verschillende wetenschappers
samenwerken in de moderne gedragswetenschappen (=interdisciplinair)
3.1. Biologische benadering
- Deze stroming kijkt naar de hersenen en het zenuwstelsel.
- Gedrag wordt verklaard via genen, hersenen, neurotransmitters…
- Gedrag ontstaat doordat onze hersenen reageren op prikkels.
- Men onderzoekt:
o Welke hersengebieden actief betrokken zijn bij bepaalde taken.
o Welke processen betrokken zijn bij emoties, agressie, morele
oordelen…
3.2. Cognitieve benadering
- Deze stroming kijkt naar het denken, geheugen, taal, probleemoplossing…
- Men onderzoekt hoe mensen informatie verzamelen, opslagen, verwerken
en begrijpen.
3.3. Evolutionaire benadering
- Deze stroming kijkt naar de evolutie van de mens.
- Veel gedragingen bestaan omdat ze vroeger nuttig waren om te overleven.
o Gedrag dat ervoor zorgden dat de kans op overleving verhoogd
werd en voortplanting bevordert wordt doorgegeven
3.4. Sociaal-culturele benadering
- Deze stroming kijkt naar cultuur en sociaal leren.
- Gedrag is afhankelijk van de socio-culturele context.
o Veel gedrag leren we van onze omgeving.
- Vb. cultuur bepaalt onze waarden, normen, opvoeding, sociale
verwachtingen…
Gedrag is interdisciplinair: het wordt veroorzaakt door een combinatie van alle
bovenstaande benaderingen (het is een ‘en-en’ verhaal en geen ‘of-of’ verhaal)
4