II
Een constructivistische les voor de burgerlijke
ongehoorzaamheidsleer
In deze recensie staan de artikelen van sociaal- en politiek filosofen Gerrit Schaafsma en
Janneke Toonders, uit respectievelijk 2024 en 2023, en het artikel van rechtsfilosoof Cees
Maris uit 1982 centraal. Ondanks het verschil in publicatiedatum behandelen alle drie de
artikelen het onderwerp van burgerlijke ongehoorzaamheid (BO). Anders dan de artikelen van
Toonders en Schaafsma, die zich toespitsen op BO in de context van de klimaatcrisis, neemt
Maris’ artikel de rechtvaardiging van krakersacties als focuspunt. Desondanks maakt Maris
een theoretisch punt dat anno 2026 nog steeds relevant is; ook voor de recentere bijdragen van
Schaafsma en Toonders. Op die blijvende relevantie ga ik hieronder in.
Maris bekritiseert rechtssocioloog Kees Schuyts benadering van BO, omdat deze
benadering het ‘interactionisme’ als uitgangspunt neemt maar vervolgens voortbouwt op de
ideale theorie van politiek filosoof John Rawls.1 Het interactionisme gaat er volgens hem
vanuit dat mensen de werkelijkheid niet objectief waarnemen, maar dat de betekenis die zij
daaraan toekennen afhankelijk is van hun positionaliteit.2 Rawls’ theorie vereist dat men zich
achter een (hypothetische) sluier van onwetendheid plaatst en vanuit een abstract, universeel
perspectief delibereert over de te vormen rechtvaardige maatschappij.3
Maris merkt hierbij op dat dit tegenstrijdig is, omdat het interactionisme impliceert dat
zo’n perspectief niet beschikbaar is, zeker voor gemarginaliseerden. 4 Macht speelt hierbij dan
ook een belangrijke rol: Rawls’ model vereist gelijke communicatie, terwijl communicatie in
de werkelijkheid door machtsrelaties wordt vertekend.5 Wat wij als ‘rechtvaardig’
beschouwen is daarmee zelf een product van machtsrelaties, niet van een neutraal
perspectief.6 Uitgaande van dit constructivisme concludeert Maris dat abstracte theorieën
1
C.W. Maris & P. Polka, ‘Hoe burgerlijk zijn ongehoorzame krakers?’, Stad en Recht 1982, p. 87-88.
2
Maris & Polka 1982, p. 89.
3
J. Rawls, ‘The Justification of Civil Disobedience’, in: H.A. Bedau (red.), Civil Disobedience, New York:
Pegasus 1969, p. 240-241.
4
Maris & Polka 1982, p. 89-90.
5
Maris & Polka 1982, p. 91.
6
Maris & Polka 1982, p. 91.