Inhoud
Hoofdstuk 1: Voortplanting en verloskunde bij het rund
1) Klinisch onderzoek en drachtdiagnose
1.1 Basiskennis
1.2 Klinisch onderzoek
1.3 Drachtdiagnose
2) Het rund dat niet tochtig wordt (gezien)
2.1 Inleiding
2.2 Klinisch onderzoek bij tochtig rund
2.3 Differentiaal diagnose ‘anoestrus’
3) Onregelmatige cyclus
3.1 Normale cyclus
3.2 Abnormale cyclus
3.3 Pathologische cysteuze ovariële follikels (C.O.F.)
4) Dracht
4.1 Fysiologie van de dracht
4.2 Subfertiliteit of moeilijk drachtig worden
4.3 Toepassing subfertiliteit: Witte Vaarzenziekte, Endometritis en Ovulatiestoornissen
6) Abortus bij het rund
6.1 Inleiding
6.2 Oorzaken
7) Pathologie tijdens de dracht (graviditeit)
7.1 Afwijkingen van de vruchtvliezen en het vruchtwater
7.2 Afwijkingen van de vrucht
7.3 Afwijkingen bij het moederdier
7.4 Ingrijpen bij de start van de partus
8) Partus
8.1 Toezicht op de partus (normale partus)
8.2 Voorbereiding van de kalving
8.3 Geboorteproces
8.4 Het verloskundig onderzoek
8.5 Verlossing per vias naturales
9) Na de partus
9.1 Nazorg moederdier
9.2 Nazorg kalf
1
, 10) Dystocia
10.1 Dystocia materna
10.2 Dystocia foetalis
10.3 Verlosmethodes bij dystocia
10.4 Repositieleer
10.5 Foetotomie
11) Abnormaal puerperium
11.1 Traumata aan het bekken of de zenuwen
11.2 Verwondingen / bloedingen van het geslachtsapparaat
11.3 Inversie en prolaps van de uterus en/of blaas
11.4 Bloedingen tijdens en na de partus (zie terug)
11.5 Retentie secundinarum (aan de nageboorte staan of ret. sec.)
11.6 Puerperale infecties
12) Abnormale uitvloeiing
12.1 Inleiding
12.2 Baarmoederontstekingen
13) Uiergezondheid
13.1 Inleiding tot uiergezondheid
13.2 Mastitis bij het rund
13.3 Mastitis bij het schaap
Hoofdstuk 2: Voortplanting en verloskunde bij de kleine herkauwers
1) Het schaap
1.1 Normale voortplanting
1.2 Manipulatie van de voortplanting: schaap drachtig maken
1.3 Drachtdiagnose
1.4 Partus
2) De geit
2.1 Normale voortplanting
2.2 Manipulatie van de voortplanting: schaap drachtig maken
2.3 Drachtdiagnose
2.4 Problemen met de voortplanting van de geit
2
,Hoofdstuk 3: Voortplanting en verloskunde bij het varken
1) Normale voortplanting
1.1 Anatomie
1.2 Oestrische cyclus
2) Graviditeitscyclus
2.1 Dracht en cijfers
2.2 Bevruchting
2.3 Ontwikkeling
3) Varkensveehouderij
3.1 Registratiesystemen
3.2 Opbouw van een zeugenbedrijf
4) Vruchtbaarheidsproblemen
4.1 Niet bronstig (berig) worden
4.2 Terugkomen
4.3 Verwerpen en mummificeren
5) Drachtdiagnose
Hoofdstuk 4: Voortplanting en verloskunde bij het paard
1) Endocrinologie van de voortplanting
1.1 Specifieke organen en hun functie
1.2 Cyclus van de merrie
1.3 Manipulatie van de cyclus
2) Cyclus van de merrie: onderzoek en behandeling
2.1 Anatomie en structuur van ovaria
2.2 Klinisch onderzoek
2.3 Orgaanspecifiek onderzoek van het genitaalstelsel
2.4 Behandeling
3) Dracht en drachtdiagnose
3.1 Fysiologie van de dracht
3.2 Endocrinologie van de dracht
3.3 Drachtdiagnose
4) Vruchtbaarheidsproblemen bij de merrie
4.1 Niet cyclische merrie
4.2 Subfertiliteit
5) Embryonale sterfte
5.1 Inleiding
5.2 Maternale factoren
5.3 Externe factoren
5.4 Embryonale factoren
5.5 Diagnose EED
5.6 Preventie, management en therapie van ED
6) Abortus bij het paard
6.1 Niet-infectieuze oorzaken
6.2 Infectieuze oorzaken
7) De normale partus bij de merrie
3
,4
,Hoofdstuk 1: Voortplanting en verloskunde
bij het rund
5
,6
,1 Klinisch onderzoek en drachtdiagnose
Doel van dit cursusonderdeel
1. Belang: Inzicht krijgen in het belang van de voortplanting en de verloskunde van herkauwers:
Waarom is dit zo belangrijk in deze sectoren?
2. Fysiologie: Kennis verwerven omtrent het normale, fysiologische verloop van de
voortplantingscyclus bij de herkauwers
3. Pathologie: Inzicht en kennis verwerven over mogelijke afwijkingen
4. Klinisch: Nadruk op klinisch onderzoek (differentiaal) diagnose, curatieve en preventieve
behandeling
1) Basiskennis
1) Placenta: De placenta bij runderen (synepitheliochorialis) scheidt het foetale en maternale
deel, waardoor bij de geboorte geen schade aan de maternale mucosa optreedt.
→ “Syn” duidt op de vorming van bi- en trinucleaire cellen die essentiële eiwitten
produceren voor de dracht.
2) Anatomie baarmoeder: De positie van de baarmoeder bij koeien (vergeleken met paarden)
maakt rectaal onderzoek moeilijker.
→ Paard: baarmoeder hangt op, wat palpatie vergemakkelijkt.
→ Koe: baarmoeder ligt opgekruld (koersstuur), wat echografische interpretative
bemoeilijkt en bijvoorbeeld de diagnose van een tweeling lastiger maakt.
3) Oestrus of tochtigheid:
→ Duur: Gemiddeld 12-18 uur; bij hoogproductief melkvee mogelijk korter.
→ Detectie van bronst: De veehouder observeert tochtigheid om het juiste
inseminatiemoment te bepalen, aangezien er geen stier aanwezig is.
→ AMP/PM regel: gebaseerd op de tochtperiode van 12 – 18u, gevolgd door ovulatie
- Tochtigheid in de ochtend → insemineren in de middag.
- Tochtigheid in de middag → insemineren de volgende ochtend.
2) Klinisch onderzoek
Volgend schema zoveel mogelijk aanhouden bij eender welk probleem bij het genitaalstelsel
→ bv. koe ziek 10 dagen na een keizersnede = ganse lijstje doorlopen
→ bv. koe wordt niet tochtig na het afkalven = sla algemeen onderzoek over want dier = gezond
1) Signalement
2) Anamnese
3) Algemene indruk
4) Algemeen onderzoek
5) Orgaanspecifiek onderzoek: zijnde het onderzoeken van de genitaaltractus
7
, 1) Algemeen onderzoek
1) Temperatuur:
→ Volwassen koe: 38 – 39°C
→ Pasgeboren kalf: 38,5 – 40,5°C
→ Jong rund: 38,5 – 39,5°C
2) Mucosae: mooi roze
3) Huidturgor: ≤ 3 seconden
4) Ademhaling: 15 – 35x per minuut
5) Pols:
→ Volwassen rund: 60 – 80 per minuut
→ Jong rund: 80 – 100 per minuut
6) Lymfeknopen: mogen niet opgezet zijn (prescapulair, supramammair …)
2) Orgaanspecifiek onderzoek
1) Uitwendig onderzoek: inspectie en palpatie
2) Inwendig onderzoek: inspectie (vaginoscopisch) en palpatie (rectaal OZ + echografie)
Voor rectaal onderzoek geldt:
→ Cervix: is het oriëntatiepunt bij ROZ ter onderzoek van het geslachtsapparaat
→ Palpatie baarmoeder: beoordelen op
- Grootte
- Inhoud: Ziet er iets in?
- Contractiliteit: Zegt iets over het cyclusstadium
> Hard en stevig: Koe is tochtig
> Slap: Koe is niet tochtig (hoge concentraties progesteron)
- Symmetrie: Duidelijk verschil in 2 hoornen, is er dracht in één hoorn?
- Vergroeiingen: Komt vooral voor bij BWB, zeker na keizersneden
→ Palpatie eierstokken: Zowel follikels als corpora lutea zijn voelbaar – vaak voel je
beide tegelijkertijd
- Follikel = zacht, fluctuerend (ontploffingsgevaar, ~ ballon)
- Corpus luteum = uitstekende paddenstoel dat uitsteek op het ovarium
> Vroeg CL: zachte paddenstoel voelbaar
> Mid-cycle CL: bepaald in sterke mate de grootte van het ovarium
> Oud CL: torentje (paddenstoel) die hard aanvoelt
- Abnormale structuren: cysten en tumoren
3) Aanvullend onderzoek: Bloedonderzoek en endometriumbiopsie
Conclusie
1. Volledig & correct: Het onderzoek moet volledig en correct worden uitgevoerd
2. Het is de basis voor een juiste diagnose
3. Veel oefenen is het advies
4. Slordigheid en haast zijn de grootste vijanden van de dierenarts
8
,3) Drachtdiagnose
1) Inleiding
1.1. Redenen om drachtdiagnose uit te voeren
1) Dracht bevestigen: Zo vlug mogelijk opsporen van de niet-drachtige dieren, zodat deze zo
snel mogelijk tochtig/drachtig kunnen worden.
→ Ideaal: de ideale test om dracht te diagnosticeren werkt reeds voor de 21 dagen na
de inseminatie met een goede precisie, zodat je bij geen dracht opnieuw kan
insemineren bij de eerstvolgende tocht.
2) Drachtduur bepalen:
→ Hoe ver is het dier drachtig?
→ Deze koe moest al lang gekalfd hebben?
3) Vitaliteit kalf: Leeft het kalf nog?
4) Geslacht kalf: Wat is het geslacht van het kalf?
5) Tweelingdracht: Is het dier drachtig van een tweeling?
6) …
1.2. Bevruchting
1) Inseminatie: na inseminatie vindt fertilisatie plaats in eileider, waar de zygote 4 – 5 d
verblijft vooraleer het naar de baarmoeder gaat
→ Bij 90% van de koeien = succesvolle bevruchting
→ Bij 40% van de koeien resulteert het uiteindelijk in afkalven, wijst op aanzienlijke
embryonale sterfte.
2) Afhankelijk van wel/geen bevruchting zal het anders verlopen:
→ Wel bevruchting: Vanaf dag 13 produceert het embryo interferon tau >>
- Remt prostaglandineproductie in baarmoeder (nodig om CL te behouden)
→ Geen bevruchting: Vanaf dag 17 produceert baarmoeder prostaglandine >>
- Breekt CL af en zorgt voor nieuwe cyclus (opnieuw tochtig worden)
1.3. Drachtdiagnose door veehouder o.b.v. uitblijven van de tochtigheid
1) Uitblijven van tochtigheid = veelgebruikte drachtindicator voor veehouder maar let op
want dit is slechts een eerste indicator, vaak fouten gemaakt:
→ Slechts 50% van de tochtigheid wordt nauwkeurig gedetecteerd
→ Cyclusuitval kan ook andere oorzaken hebben.
→ Tot 6% van de drachtige koeien kan lichte tochtigheidssymptomen vertonen,
meestal tussen maand 4 en 8.
→ Veehouders overschatten vaak het aantal drachtige dieren.
9
,Overschatting aantal drachtige dieren door veehouders
Drachtcontrole bij koeien + Fouten door beperkte bronstdetectie
Uitblijven van tochtigheid als drachtindicator: Als een veehouder geen tochtigheid opmerkt bij een
koe na inseminatie, gaat hij ervan uit dat ze mogelijk drachtig is. Echter, dit is een eerste, maar niet
altijd betrouwbare indicator.
Probleemstelling: Stel dat een veehouder 100 koeien laat insemineren met een drachtpercentage
van 50%: dan zijn 50 koeien drachtig, en 50 niet.
- Als de bronstdetectie (tochtigheid herkennen) slechts 50% effectief is, dan worden van de 50
niet-drachtige koeien maar 25 als tochtig herkend.
- Resultaat: De veehouder zal de andere 25 koeien ook als drachtig beschouwen, terwijl deze dat
eigenlijk niet zijn.
Conclusie en gevolg: Dit kan leiden tot foutieve aannames over de drachtstatus: koeien die niet
tochtig lijken maar ook niet drachtig zijn, worden door de veehouder vaak ten onrechte als drachtig
gezien.
- Wanneer een koe tochtig wordt op dag 21 na inseminatie, zal de veehouder haar vaak meteen
opnieuw insemineren, ervan uitgaande dat ze niet drachtig is.
- Bij dieren waarbij geen tochtigheid wordt gezien, zijn er altijd enkele die nog steeds niet drachtig
blijken te zijn, ondanks dat ze als mogelijk drachtig worden beschouwd.
10