1. Voegwoorden en verwante woorden
● Als / of: bij onzekerheid gebruik je of: "Ik weet niet of zij komt."
● Als / toen: toen gaat over een eenmalige gebeurtenis in het
verleden. Als gaat over iets dat zich herhaalde ("elke keer dat").
● Als / dan: bij gelijkheid gebruik je als (even groot als). Bij
ongelijkheid gebruik je dan (groter dan).
● Dan ik / dan mij: "Ze was er vroeger dan ik", want het is een
verkorte bijzin ("dan ik er was").
● Voorwaardelijke wijs: als is altijd correct, en mochten kan bij een
reële mogelijkheid. Moesten is geen standaardtaal.
● Aangezien / gezien: aangezien is een voegwoord en te vervangen
door omdat. Gezien is een voorzetsel en te vervangen door
vanwege.
● Hoewel / ondanks dat: gebruik hoewel.
● Ten slotte / tenslotte: ten slotte betekent "tot slot". Tenslotte
betekent "per slot van rekening".
2. Enkelvoud en meervoud, congruentie
● Woorden als kudde, groep, menigte, bende, massa en ook procent
krijgen een enkelvoud: "Een kudde schapen versperde de weg."
● Bij een opsomming met en gebruik je een meervoud. Bij of is
enkelvoud de norm, maar meervoud kan als er weinig nadruk op
ligt.
● Zowel … als: bij twee enkelvouden volgt een enkelvoud (heeft). Bij
twee meervouden volgt een meervoud.
● Congruentie: in "Ik ben de enige die blijft" hoort blijft bij "die".
● Onderwerp of meewerkend voorwerp: "Alle deelnemers wordt
gevraagd …" (alle deelnemers is hier meewerkend voorwerp).
● Zo'n / zulke: zo'n bij een enkelvoud, zulke bij een meervoud.
3. Werkwoorden
● Overgankelijke werkwoorden hebben een lijdend voorwerp
nodig: "Ze betreurde het zo vroeg te moeten vertrekken". Hun
voltooid deelwoord gaat met hebben: "De Rode Duivels hebben
gewonnen."
● Passieve voltooide tijd: geen overbodig geweest: "Trotsky is
vermoord" (niet "is vermoord geweest").
● Om te + infinitief: gebruik om, niet voor: "We zijn gekomen om je
te helpen."
● Werkwoordelijke eindgroep: hou de werkwoorden samen: "als ik
vroeg moet opstaan".
● Hij wil / wilt: willen, zullen, kunnen zijn onregelmatig. Bij hij/zij/het
krijgen ze geen -t: hij wil, zal, kan. Bij je/jij zijn beide vormen
correct.