1. Beleidsinformatica en informatiesystemen
Beleidsinformatica bestudeert het ontwerpen en gebruiken van
computerondersteunde informatiesystemen in organisaties. Het is
interdisciplinair: bedrijfskunde kijkt naar organisaties, processen en
doelstellingen, terwijl informatica kijkt naar technologie, software en
gegevensverwerking.
Informatietechnologie (IT) is een faciliterende of enabling technology:
technologie maakt nieuwe werkwijzen mogelijk of laat bestaande
activiteiten efficiënter verlopen.
Data of gegevens zijn vastgelegde feiten. Wanneer deze gegevens
worden verwerkt en betekenis krijgen voor een gebruiker, spreken we van
informatie.
Een informatiesysteem (IS) bestaat uit mensen en machines die
informatie genereren of gebruiken en via communicatierelaties met elkaar
verbonden zijn. Een IS is dus meer dan hardware en software.
Een bedrijfsinformatiesysteem ondersteunt bedrijfsprocessen en
relaties binnen de onderneming en tussen de onderneming en haar
omgeving.
Een computergebaseerd informatiesysteem gebruikt
informatietechnologie voor de captatie, opslag, overdracht en/of
verwerking van informatie.
2. Soorten informatiesystemen
Een operationeel informatiesysteem ondersteunt de dagelijkse
werking, zoals aankoop, productie, verkoop, financiën en personeel.
Een transactiesysteem ondersteunt repetitieve dagelijkse transacties,
zoals bestellingen, betalingen en voorraadwijzigingen.
Een ERP-systeem integreert verschillende functionele gebieden, zoals
verkoop, voorraad, productie, boekhouding en HR. Het sleutelwoord bij
ERP is integratie.
Een MIS of managementinformatiesysteem gebruikt gegevens uit
operationele systemen om managers te ondersteunen met rapporten,
analyses, planning en controle.
Een planningssysteem ondersteunt het opstellen van plannen. Een
controlesysteem vergelijkt de werkelijke situatie met de geplande
situatie en signaleert afwijkingen.
,3. Integratie
Horizontale integratie verbindt verschillende functionele afdelingen op
hetzelfde organisatieniveau.
Verticale integratie verbindt systemen op verschillende hiërarchische
niveaus binnen dezelfde functie.
Horizontaal = tussen functies/afdelingen.
Verticaal = tussen organisatieniveaus.
4. Systeem, subsysteem en modulariteit
Een systeem bestaat uit onderling verbonden elementen.
Een complex systeem kan worden opgesplitst in subsystemen, die via
interfaces met elkaar communiceren.
Een modulair systeem bestaat uit afzonderlijke modules die elk een
bepaalde functionaliteit ondersteunen.
5. Socio-technisch systeem
Een bedrijfsinformatiesysteem is een socio-technisch systeem: de
technische en sociale component zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De technische kant bestaat uit bijvoorbeeld hardware, software, data en
netwerken. De sociale kant bestaat uit mensen, taken, kennis, gedrag en
organisatie.
Daarom is softwareontwikkeling niet hetzelfde als
informatiesysteemontwikkeling.
Socio-technische systemen kunnen opkomend gedrag vertonen: het
geheel vertoont eigenschappen die niet zichtbaar zijn in de afzonderlijke
onderdelen. Ze kunnen ook niet-deterministisch zijn: dezelfde input
hoeft niet altijd dezelfde uitkomst te geven.
6. Technology Acceptance Model
Het TAM verklaart waarom gebruikers een systeem wel of niet accepteren.
Twee factoren zijn essentieel:
perceived usefulness = de gebruiker vindt het systeem nuttig;
perceived ease of use = de gebruiker vindt het gemakkelijk te
gebruiken.
Een technisch goed systeem kan dus mislukken wanneer gebruikers het
niet nuttig of gebruiksvriendelijk vinden.
7. Interorganisationele systemen
,Een open standaard is gepubliceerd en toegankelijk voor verschillende
marktpartijen.
Een interorganisationeel informatiesysteem verbindt
informatiesystemen van meerdere organisaties.
B2B = onderneming ↔ onderneming.
B2C = onderneming ↔ consument.
C2C = consument ↔ consument.
Een elektronische markt brengt vraag en aanbod via een
computergebaseerd platform samen.
8. Doelstellingen van informatiesystemen
De vier economische hoofddoelstellingen zijn:
1. Rationalisering: sneller, goedkoper en efficiënter werken.
2. Verbetering van informatie: betere, actuelere en volledigere
informatie.
3. Besluitvormingsondersteuning: betere beslissingen door
analyse.
4. Innovatie: nieuwe processen, producten, diensten en
bedrijfsmodellen mogelijk maken.
9. Belangrijke toepassingen
Automatisering = technologie neemt taken over die vroeger door
mensen werden uitgevoerd.
Zelfbediening = activiteiten verschuiven van werknemer naar klant.
Individualisering = producten of diensten worden aangepast aan
individuele klanten.
Mass customization combineert massaproductie met individuele
aanpassing.
VR (virtual reality) creëert een virtuele wereld. AR (augmented reality)
voegt digitale informatie toe aan de werkelijke wereld.
CRM (customer relationship management) ondersteunt het beheer van
klantrelaties.
Cloudcomputing stelt IT-middelen via netwerken beschikbaar. SaaS
(Software as a Service) levert software als dienst via internet.
IoT (Internet of Things) verbindt fysieke objecten met sensoren,
processors en netwerken.
, RFID(radio frequency Identification) gebruikt radiogolven om objecten
te identificeren. Passieve tags hebben geen eigen stroombron; actieve
tags wel.
HOOFDSTUK 2 — IT EN DE INFORMATIEMAATSCHAPPIJ
1. Digitalisering
Oorspronkelijk betekende digitalisering het omzetten van analoge
gegevens naar digitale gegevens. Tegenwoordig verwijst het ruimer naar
de fundamentele verandering van processen, producten, diensten en
bedrijfsmodellen door IT.
2. IT-maturiteit en digitale kloof
IT-maturiteit geeft aan hoe goed een land of organisatie IT kan
gebruiken. Factoren zijn onder meer infrastructuur, beschikbaarheid,
betaalbaarheid, vaardigheden en feitelijk gebruik.
De digitale kloof is ongelijkheid in toegang tot of gebruik van IT. Die kan
bestaan tussen landen én tussen bevolkingsgroepen binnen één land.
IT-maturiteit = niveau van ontwikkeling en gebruik.
Digitale kloof = verschillen/ongelijkheid in toegang en gebruik.
3. Netneutraliteit
Netneutraliteit betekent dat internetverkeer niet discriminerend mag
worden behandeld. Providers zouden bepaalde websites, diensten,
afzenders of ontvangers niet systematisch mogen bevoordelen of
benadelen.
4. Globalisering
Globalisering is de toenemende economische, politieke, communicatieve
en culturele verbondenheid van de wereld.
IT bevordert dit doordat informatie, werk en coördinatie gemakkelijker
over geografische grenzen heen verlopen.
5. Outsourcing en offshoring
Outsourcing betekent dat taken die vroeger intern werden uitgevoerd
langdurig geheel of gedeeltelijk aan een externe leverancier worden
overgedragen.
Mogelijke voordelen zijn kostenbesparing, flexibiliteit, expertise en focus
op kernactiviteiten. Mogelijke nadelen zijn afhankelijkheid, verlies van
kennis, minder controle en beveiligingsrisico's.