1. Beleidsinformatica
Beleidsinformatica houdt zich bezig met het ontwerpen en gebruiken
van computerondersteunde informatiesystemen in organisaties. Het is een
interdisciplinair vakgebied tussen bedrijfskunde en informatica.
Bedrijfskunde focust op ondernemingen, processen en doelstellingen,
terwijl informatica focust op technologie, software en gegevensverwerking.
Beleidsinformatica onderzoekt vooral hoe informatietechnologie kan
worden ingezet om bedrijfsprocessen te ondersteunen en
bedrijfsdoelstellingen te bereiken.
Een onderneming is een economische eenheid die doelgericht goederen
of diensten levert. Daarvoor gebruikt ze productiefactoren zoals arbeid,
kapitaal, machines en kennis. Een onderneming die winst nastreeft, wordt
een bedrijf genoemd. Organisaties zonder winstoogmerk streven
bijvoorbeeld sociale, culturele of wetenschappelijke doelen na.
Informatietechnologie is een faciliterende technologie (enabling
technology): ze maakt nieuwe manieren van werken mogelijk of zorgt
ervoor dat bestaande activiteiten sneller, goedkoper of efficiënter kunnen
verlopen.
2. Basisbegrippen
Een computer is een functionele eenheid waarmee gegevens kunnen
worden verwerkt, getransformeerd en opgeslagen.
Gegevens of data zijn vastgelegde feiten die volgens bepaalde regels
kunnen worden verwerkt. Wanneer data worden verwerkt en betekenis
krijgen voor een gebruiker, spreken we van informatie.
Een informatiesysteem (IS) bestaat uit mensen en machines die
informatie genereren of gebruiken en via communicatierelaties met elkaar
verbonden zijn. Een informatiesysteem is dus veel meer dan alleen
hardware en software.
Een bedrijfsinformatiesysteem ondersteunt de bedrijfsprocessen en de
relaties binnen een onderneming en tussen de onderneming en haar
omgeving.
Een computergebaseerd informatiesysteem is een informatiesysteem
waarbij de captatie, opslag, overdracht en/of verwerking van informatie
door informatietechnologie wordt ondersteund.
Belangrijk is dat een informatiesysteem niet volledig geautomatiseerd
hoeft te zijn. Het kan zowel uit handmatige subsystemen als uit
geautomatiseerde subsystemen bestaan.
,3. Operationele en managementinformatiesystemen
Een operationeel informatiesysteem ondersteunt de dagelijkse
werking van een onderneming. Het ondersteunt bijvoorbeeld aankoop,
productie, verkoop, financiën en personeelszaken.
Een transactiesysteem ondersteunt dagelijkse, repetitieve transacties
zoals bestellingen, verkopen, betalingen of voorraadmutaties.
Een ERP-systeem (Enterprise Resource Planning) is een geïntegreerd
systeem dat verschillende functionele gebieden van de onderneming met
elkaar verbindt. Het kan bijvoorbeeld modules bevatten voor verkoop,
voorraad, productie, boekhouding en human resources. Het belangrijkste
kenmerk van ERP is dus integratie.
Een planningssysteem helpt managers plannen opstellen. Een
controlesysteem vergelijkt de werkelijke toestand met de geplande
toestand en helpt afwijkingen op te sporen. Plannings- en
controlesystemen behoren tot de managementondersteunende
informatiesystemen.
Managementinformatiesystemen (MIS) gebruiken gegevens uit
operationele systemen om managers te ondersteunen met rapporten,
analyses en informatie voor planning en controle.
Kantoorinformatiesystemen ondersteunen algemene
kantooractiviteiten zoals tekstverwerking, spreadsheets, presentaties, e-
mail, communicatie en documentbeheer.
Niveaus van informatiesystemen
Onderaan in de organisatie bevinden zich vooral operationele systemen
met veel gedetailleerde gegevens. Hoger in de organisatie worden
gegevens meer samengevat en gebruikt voor tactische en strategische
beslissingen.
4. Integratie van informatiesystemen
Horizontale integratie verbindt informatiesystemen van verschillende
functionele gebieden op hetzelfde niveau. Een verkoop kan bijvoorbeeld
automatisch worden doorgestuurd naar voorraadbeheer en boekhouding.
Verticale integratie verbindt systemen binnen hetzelfde functionele
gebied maar op verschillende hiërarchische niveaus. Operationele
verkoopgegevens kunnen bijvoorbeeld worden samengevat tot
managementrapporten.
Onthoud dus:
,Horizontaal = tussen afdelingen of functies.
Verticaal = tussen organisatieniveaus.
Integratie vermindert dubbel werk, fouten en inconsistente gegevens.
5. Systemen en subsystemen
Een systeem bestaat uit elementen die onderling verbonden zijn en op
elkaar inwerken.
Een complex systeem kan worden opgesplitst in subsystemen.
Subsystemen communiceren met elkaar via interfaces.
Een modulair systeem is opgebouwd uit afzonderlijke subsystemen of
modules die elk een bepaalde functionaliteit ondersteunen en gegevens
met elkaar kunnen uitwisselen.
6. Informatiesystemen als socio-technische systemen
Een bedrijfsinformatiesysteem is een socio-technisch systeem. Dat
betekent dat een technische en een sociale component onlosmakelijk met
elkaar verbonden zijn.
De technische component omvat bijvoorbeeld hardware, software, data en
netwerken. De sociale component omvat mensen, taken, gedrag, kennis
en organisatie.
Daarom is softwareontwikkeling niet hetzelfde als
informatiesysteemontwikkeling. Een informatiesysteem omvat ook
processen, mensen, opleiding en organisatie.
Socio-technische systemen vertonen verschillende kenmerken. Bij
opkomend gedrag (emergent behaviour) vertoont het volledige systeem
eigenschappen die niet zichtbaar zijn wanneer men enkel de afzonderlijke
onderdelen bekijkt. Bij niet-deterministisch gedrag kan dezelfde input
verschillende resultaten opleveren, onder andere omdat mensen deel
uitmaken van het systeem. Bovendien hebben socio-technische systemen
een complexe structuur, waardoor hun gedrag moeilijk volledig te
voorspellen is.
7. Technology Acceptance Model
Het Technology Acceptance Model (TAM) verklaart mee waarom
mensen een informatiesysteem wel of niet gebruiken.
Twee factoren zijn centraal:
Perceived usefulness: de gebruiker vindt dat het systeem nuttig is
en helpt om beter te werken.
, Perceived ease of use: de gebruiker vindt dat het systeem
gemakkelijk te gebruiken is.
Een systeem kan technisch goed werken maar toch mislukken wanneer
gebruikers het niet nuttig of gebruiksvriendelijk vinden.
8. Individu, taak, informatie en organisatie
Op individueel niveau bestaat een relatie tussen individu, taak en
informatie. Een werknemer voert een taak uit en heeft daarvoor
informatie nodig.
Op organisatieniveau werken verschillende individuen en afdelingen
samen binnen bedrijfsprocessen. Informatiesystemen ondersteunen
daarom niet alleen individuele taken, maar ook de samenwerking binnen
volledige processen.
De logica is:
bedrijfsdoelstelling → bedrijfsproces → informatiebehoefte →
informatiesysteem
9. Informatiesystemen tussen ondernemingen
Een open standaard is een gepubliceerde standaard die toegankelijk is
voor marktdeelnemers en zonder buitensporige kosten kan worden
gebruikt. Open standaarden maken samenwerking tussen verschillende
informatiesystemen eenvoudiger.
Een interorganisationeel informatiesysteem verbindt de
informatiesystemen van twee of meer ondernemingen.
B2B betekent Business to Business en verwijst naar elektronische
interactie tussen ondernemingen, bijvoorbeeld bestellingen of facturen.
Een virtuele organisatie is een door informatiesystemen ondersteunde
samenwerking tussen verschillende organisaties die samen als één
organisatorische eenheid functioneren.
Een elektronische markt is een computergebaseerd platform waarop
vraag en aanbod van producten of diensten bij elkaar worden gebracht.
B2C betekent Business to Consumer: interactie tussen een onderneming
en particuliere klanten.
C2C betekent Consumer to Consumer: interactie tussen consumenten
onderling.
Een consumenteninformatiesysteem ondersteunt voornamelijk
interacties tussen een onderneming en particuliere klanten.