Financiële analyse onderzoekt de financiële toestand en prestaties van een
onderneming op basis van historische jaarrekeninggegevens.
De vier grote onderdelen zijn:
Liquiditeit: kan de onderneming haar schulden op korte termijn
betalen?
Solvabiliteit: kan de onderneming haar schulden op lange termijn
dragen?
Rendabiliteit: levert de onderneming voldoende winst op in
verhouding tot haar verkopen of ingezette middelen?
Toegevoegde waarde: hoeveel waarde creëert de onderneming
zelf?
Daarnaast wordt ook gekeken naar kasstromen.
Een financiële analyse krijgt vooral betekenis door vergelijking:
met vorige jaren;
met ondernemingen uit dezelfde sector.
Hoofdstuk 2 — Beschikbaarheid van jaarrekeningen
Ondernemingen worden ingedeeld volgens hun grootte. Die grootte
bepaalt welk jaarrekeningschema ze moeten gebruiken.
Zeer kleine vennootschappen
Geen schema, vereenvoudigde boekhouding. Dit indien een natuurlijke
persoon, VOF of CV en zij geen financiële vennootschap zijn. Als ze wel
een financiële vennootschap zijn vallen ze toch onder het microschema.
Microvennootschap
Een microvennootschap overschrijdt maximaal één van deze grenzen:
10 werknemers;
€900.000 omzet exclusief btw;
€450.000 balanstotaal.
Ze gebruikt het microschema.
Kleine vennootschap
Een kleine vennootschap overschrijdt maximaal één van deze grenzen:
50 werknemers;
, €11.250.000 omzet exclusief btw;
€6.000.000 balanstotaal.
Ze gebruikt het verkort schema.
Grote vennootschap
Een grote vennootschap overschrijdt minstens twee van:
50 werknemers;
€11.250.000 omzet;
€6.000.000 balanstotaal.
Ze gebruikt het volledig schema.
Een grote vennootschap moet bovendien:
een commissaris-revisor hebben;
een jaarverslag opstellen.
Verslag van de commissaris-revisor: Dit houdt in dat een onafhankelijke
partij een oordeel vormt over het getrouw beeld van de financiële toestand
van een onderneming en over de naleving van de vennootschaps- en
boekhoudwetgeving.
Jaarverslag: Dit is een verslag van de bestuurders of zaakvoerders van de
onderneming waarin zij rekenschap geven van hun beleid. Inhoudelijk
bevat het jaarverslag onder meer een beschrijving van de wijze waarop
het resultaat en de financiële positie van het huidige boekjaar van de
onderneming tot stand is gekomen.
Financiële ondernemingen kunnen geen vereenvoudigde boekhouding
voeren. (Bv. bank, verzekerings- of beleggingsmaatschappij…) Met
vereenvoudigde boekhouding bedoelt men dat een onderneming geen
volledige dubbele boekhouding voert en geen jaarrekening volgens een
wettelijk schema moet neerleggen. Ze houdt dan eenvoudiger registers
bij, zoals een financieel dagboek, aankoopboek, verkoopboek en
inventaris. Enkel een vennootschap onder firma (VOF) of een
commanditaire vennootschap (CV) komen in aanmerking om een
vereenvoudigde boekhouding te voeren
Hoofdstuk 3 — Indeling van de jaarrekening
Een jaarrekening bestaat uit:
balans + resultatenrekening + toelichting
Balans
, De balans geeft de financiële toestand weer op één bepaald moment.
Activa
Activa tonen waarvoor het vermogen wordt gebruikt.
Belangrijkste groepen:
oprichtingskosten;
immateriële vaste activa;
materiële vaste activa;
financiële vaste activa;
vorderingen > 1 jaar;
voorraden;
vorderingen ≤ 1 jaar;
geldbeleggingen;
liquide middelen;
overlopende rekeningen.
Passiva
Passiva tonen waar de financiering vandaan komt.
Belangrijkste groepen:
eigen vermogen;
voorzieningen;
schulden > 1 jaar;
schulden ≤ 1 jaar;
overlopende rekeningen.
Altijd:
activa = passiva
Resultatenrekening
De resultatenrekening geeft de opbrengsten en kosten van een boekjaar
weer.
Heel belangrijk onderscheid:
opbrengsten − kosten = resultaat