ONDERZOEK STAP VOOR STAP
1. FUNDAMENTELE KEUZES EN HUN COMBINATIES
OVERZICHT ‘ONDERZOEK STAP VOOR STAP’
- Fundamentele keuzes en hun combinaties
- Het onderzoeksvoorstel
- Het eindrapport
- Het onderzoekstraject in de praktijk
- Fundamentele keuzes = keuzes die je moet maken
- Hoe onderzoeksvoorstel schrijven?
o Zeg je in tbegin wat je gaat doen
- Hoe een eindrapport (thesis, doctoraat, …) verschilt van onderzoeksvoorstel
o Je zegt op het einde wat je hebt gedaan en wat je resultaten zijn
VIJF FUNDAMENTELE KEUZES
1. Positivistisch – constructivistisch
2. Deductief – inductief
3. Waardevrij – normatief
4. Verklarend – beschrijvend
5. Kwantitatieve data – kwalitatieve data
- 5 fundamentele tegenstellingen -> van zodra je wet oz doet, heb je positie ingenomen in elk van die 5 mogelijke keuzes
- Deze keuzes lijken op het eerste gezicht dilemma’s, maar het is geen of-of keuze, maar het gaat om een continuum met
twee uiteinden.
- Vijf fundamentele keuzes zijn onvermijdelijk:
o Vijf keuzes verwijzen naar vijf fundamentele vragen die beantwoord moeten worden bij elk empirisch oz
Indien niet expliciet, dan impliciet
In de praktijk vaak door de globale onderzoeksstrategie ( ‘kwantitatief’ vs. ‘kwalitatief’) aan te geven
Begrip hiervan is essentieel om de sterktes en beperkingen van een onderzoek te begrijpen
Niet alle vijf even fundamenteel
1. POSITIVISTISCH – CONSTRUCTIVISTISCH
!!!: vergelijk positivisme en constructivisme -> dan deze slide die kenmerken geven (vanbuiten blokken)
- De meest fundamentele: verwijst naar ontologie en epistemologie
o Ontologie = bestaat er een wereld?
Leer/opvattingen over wat er is, wat betstaat er, bestaat er een wereld, hoe zijn we zeker dat we niet
aan het dromen zijn, SL bestaat dat, is dat er? -> ZIJN
o Epistemologie = Hoe kunnen we kennen wat er bestaat? Op welke manier?
Hoe kunnen we kennen wat er bestaat, hoekunnen we dat kennen, op welke manier, via observeren,
cijfers (stat) -> wat is de manier om de wereld te kennen? -> KENNEN
- Positivisme:
o Er is een externe wereld (los v ons) die kenbaar is door de wetenschappelijke methode
Methoden zijn sterk geïnspireerd door natuurwetenschappelijk onderzoek
o Empirisch onderzoek wil direct waarneembare sociale fenomenen beschrijven en verklaren
o Op zoek naar wetmatigheden
o Ideaal (radicaal oorspronkelijke positivisme): natuurwetenschappen en vooral fysica (formules, krachten,
wetten fysica) -> dat kan je toepassen op menselijk gedrag > daardoor voorspellen wrm mensen criminaliteit
plegen -> op zoek gaan naar wetten (vd fysica)
o Wetenschapper kijkt naar werkelijkheid en probeert die zo objectivistisch mogelijk te omschrijven
1
, - (Sociaal) constructivisme:
o Sociale fenomenen en hun betekenis worden voortdurend gecreëerd door sociale actoren
Geen externe wereld die wordt beschreven, maar een voortdurende constructie
Wij construeren e wereld
o Ook empirisch onderzoek is een proces van constructie door betekenisgeving
Wetenschappers die de wereld willen beschrijven zijn zelf ook mensen, dus wet oz is eig ook een
constructie -> ze construeren een werkelijkheid
o Veel aandacht voor de ‘representatie’ van de werkelijkheid en de effecten ervan
Veel aandacht voor taal
Gevoelig voor labels
Bv. Mensen in ons land zonder papieren ze gaan kijken welk label aan die mensen
worden gegeven: illegalen of mensen zonder papieren?
o Afhankelijk van welk label op je plakt zal je heel anders worden gezien
Kijken vooral naar resulaat ve constructie, hoe wordt werkelijkheid voorgesteld
o Radicaal/socaal constructivisme: we weten eig niet of er een wereld buiten ons is, we weten het niet zeker
We weten wel dat we een wereld construeren samen, dat we samen in interactie door talen een
wereld maken, criminaliteit is niet iets wat IS, het is iets wat we in interactie met elkaar samen
beslissen dat gedrag crimineel gedrag is (bv homosekualikteit, verkrachting binnen huwelijk)
- Bv. roofoverval door daders:
o Positivisme: kenmerken vd daders proberen verzamelen en op zoek gaan naar oorzaken wrm mensen dit doen
Gaat vaak kwantitatief zijn (stat)
We willen dus beschrijven en verklaren wie er roofovervallen pleegt en waarom
o Constructivisme: daders interviewen en vragen wat ze gedaan hebben, gevoeld, lichamelijke ervaring, wrm
doe je dat
NIET op zoek naar objectieve verklaring, WEL om te begrijpen hoe die dader zn eigen gedrag
construeert en het doet er niet toe of het klopt (bv. zeggen dat die erge jeugd gehad heeft)
Kijken naar ah dat is interessant dat hij die oorzaak geeft voor verklaring van zijn gedrag
Ze gaan ook kijken naar de taal van de dader: gebruikt hij zelf het woord ‘roofoverval’?
Je beseft ook dat jij als onderzoeker ook opnieuw dat verhaal construeert
- Extreem positivisme (radicaal):
o Sociale fenomenen verschillen niet van natuurlijke fenomenen
o Eerder een verwijt (dan e neutraal label)
o Mensen bestuderen is als biljartballen bestuderen
o Bestaat bijna niet meer (meeste criminologen erkennen dat mensen toch meer zijn dan fysieke objecten)
- Gematigd positivisme (postpositivisme):
o Bv. experimenten als ‘goudstandaard’ (bepalen voor waarde v geld) = experimenten zijn de beste manieren om
causaliteit vast te stellen
o Zo heb je er wel nog veel in de criminologie (de gematigde versie)
- Extreem constructivisme:
o We weten alleen dat we een werkelijkheid construeren
o Er is geen externe werkelijkheid die als maatstaf kan dienen: wetenschap is eigenlijk onmogelijk
o Probleem: we weten niet of er een wereld is buiten ons, weten alleen dat we die construeren, maar als je echt
geen wereld buiten ons hebt die je kan observeren, is elke uitspraak over de wereld evenwaardig, niks kan
weerlegd worden
Bv. ik zie een roze olifant staan, maar jij niet - >ja kan het niet weerleggen want we geloven niet dat er
een externe werled is
Dan zit je niet meer in d wetenschap, want daar gaan we ervan uit dat bep uitspraken toch valider
zijn dan andere
o Beperkte groep
- Gematigd constructivisme:
o Termen als ‘criminaliteit’ zijn geen ‘objectieve’ termen’, maar sociale constructies met vaak belangrijke
gevolgen
Geldt ook voor onderzoeksdata: politiestatistieken, citaten uit interviews,…
o Veel criminologen in positivisme hebben ook basisnoties v contructivisme mee (erkennen constructie v
begrippen als criminaliteit)
o Belang en gevolgen v labels -> criminolgoen zijn er extra gevoelig voor
2
, o Gradaties in: nog heel erg constructivistisch, die er wat tussen zitten (doen experimenten, maar erkennen ook
dat labels constructies zijn ) -> continuum en onderzoekers zoeken er een positie in
- Kritisch realisme:
o Is min of meer tussenpositie
o Ontologisch: er is externe werkelijkheid (zie positivisme)
Op vlak v ontologie neigt h meer naar positivisme
o Epistemologisch: wetenschappelijke blik is steeds geconstrueerd (en dus voorlopig en gekleurd)
Gaat er wel vanuit dat d geloofwaardigheid v uitspraken over d werkelijkheid beoordeeld kan worden
Epistemologisch: meer constr -> er is wel e werkelijkheid maar kunnen die maar beperkt leren
kennen, is voorlopig en doen pogingen, maar gaan die nooit helemaal en goed kunnen leren kennen
Uitspraken heel voorzichtig mee zijn (voorlopige uitspraken/hypothesen maar kan best dat we die
terug veranderen als er nieuwe inzichten zijn)
o Gekleurd door leeftijd, bias, achtergrond
- Of je het nu wil of niet, je neemt onvermijdelijk een positie in op dat continuum
- Impliciete keuzes willen we vermijden -> belangrijk dat je keuzes transparant izjn, dit is een goede wetenschappelijke
houding, je moet niet die woorden gebruiken (zie later fzo) maar neem een positie in
2. DEDUCTIEF – INDUCTIEF
De onderzoekscyclus:
Is ideaaltypische voorstelling, geen exacte voorstelling van de realiteit
- Stel je leest theorie en ontwikkelt een hypothese: "Slachtofferschap van een ernstig misdrijf heeft een impact op
aanzien van de doodstraf".
o Onafhankelijke variabele: slachtofferschap van een ernstig misdrijf
o Afhankelijke variabele: houding ten aanzien van de doodstraf
o Operationalisering = wat bedoelt men met doodstraf? Over welke criminele feiten hebben we het hier?
o Design: bv enquête
o Deductief onderzoek is oz dat van boven naar beneden gaat: voorbeeld hierboven is dus een deductief
voorbeeld je vertrekt vetheorie die je test (testend onderzoek) (ve algemene naar e specifieke theorie)
o Inductief= je begint onderaan: geen hypothese of theorie, je gaat met een open geest in de wereld en bv
mensen interviewen en vertrekken met een hele open vraag, we zien wel waar we uitkomen. Je bent een
onbeschreven blad en de data spreken tot u (van het specifieke naar het algemene).
- Deductief:
o Van het algemene naar het specifieke
o Start bij theorie en hypothesen
Die vormen ‘de bril’ waardoor naar de data wordt gekeken
Testen van theorie
o Afgerond met inductieve beweging
o Gaat vaak 1 keer door de cyclus
- Inductief:
o Van het specifieke naar het algemene
o Start bij dataverzameling
Open benadering, veel ruimte voor context, perspectief v onderzoekssubjecten, creativiteit vd oz’er,…
Ontwikkelen van theorie
o Je ziet wel waar je uitkomt
o Kritiek vd indictieve oz’ers op de deductieve: je dwingt e kader op, je hebt e bril opgezet
3
, - Zuiver inductief onderzoek= Naïef inductivisme:
o Foute veronderstelling dat data geobserveerd kunnen worden zonder theoretische vooronderstellingen,
kennis of verwachtingen
o Weinig mensen die de extreme positie innemen
o Je gaat ervan uit dat je zonder enige theoretische voorkennis de wereld ingaat is naïef want ergens heb je
altijd wel bepaalde opvattingen over een bepaald onderwerp
Je kan niet je eigen opvattingen aan de kant zetten en zeggen dat die geen rol hebben, je denkt dat je
heel neutraal en heel onbeschreven bent terwijl je opvattingen wel een rol spelen maar zonder dat je
het ervan bewust bent
Vijand is het impliciete, belangrijk dat je expliciteert -> het is niet erg dat je vooroordelen hebt,
zolang je weet dat die bias er is en je er rekening mee houdt tijdens bv. interview
- Gematigd inductief onderzoek:
o Erkent belang van explicitering van theoretische verwachtingen
o Geven toe dat ze niet opvattingloos zijn, maar proberen die zoveel mogelijk te beperken en zoveel mogelijk
tussen haakjes te zetten
o Bv. ‘sensitizing concepts’ (Blumer):
= concepten die u gevoelig maken voor bepaalde empirische vaststellingen
Dat is e soort lightversie v d concepten en hypothesen die deductieve oz’ers gebruiken
Bv. Je hebt geen hypothese over slachtofferschap van ernstig misdrijf, je gaat gewoon oz
doen tav de doodstraf dat is je sensitizing concept: je gaat mensen interviewen &
bijzondere aandacht hebben voor h woord doodstraf. Aandacht ook richten op
slachtofferschap
Dus ook theoretische concepten, die je bij het begin van je oz al aanneemt, maar die veel
minder rigide gebruikt worden. Het zijn concepten die u gevoelig maken, waar je extra op let,
maar zonder dat je die test.
Bieden geen uitgewerkte theorie of duidelijke richting
Maar maken de onderzoeker wel gevoelig, aandachtig voor bepaalde observaties
Deductief, maar wel heel open
o Vaak iteratief onderzoek:
Een dialoog tussen theorie en empirie
= herhaaldelijk interviews doen, opnieuw e dataverzameling doen, hypothese aanpassen, opnieuw
door ozcyclus gaan waarbij je geleidelijk aan u theorie ontwikkelt, combi v deductief en inductie
o Logica van abductie:
Obv empirische vaststellingen vrij snel door theorie geïnspireerde plausibele verklaringen formuleren
Die verklaringen worden als voorlopig gezien en nadien verder getest
Nadruk op plausibiliteit (= voorlopig) i.p.v. zekerheid
Veel aandacht voor opvallende, contra-intuïtieve verklaringen
In het midden, is e combi van de 2
Gaat uit van voorlopige hypothesen: je hebt u 1ste vaststellingen, je maakt 1ste plausibele voorlopige
hypothese (hangt samen met kritisch realisme), doet wat meer oz en past u hypothese wat aan
Logica achter iteratief oz, je ontwikkelt telkens voorlopgie hypothesen en bent voortdurend bereid
om die terug aan te passen, h is best mogelijk dat je bij volgende interview weer iets anders ontdekt
Plausibel = voorlopig, maar je bent wel bereid om je voorlopige hypothese in vraag te stellen
- Gematigd deductief onderzoek:
o Extra iteraties na een eerste ronde door de onderzoekscyclus
o Bv. d verrassende resultaten ve gestandaardiseerde survey bespreken in een reeks kwalitatieve interviews
o Eigenlijk is de vaststelling verassend, dus ik doe bijkomende kwalitatieve interviews om te proberen begrijpen
waarom mijn bevindingen niet helemaal kloppen/verassend zijn -> ik doe nog 1 keer de cyclus, paar interviews
om dan mn oz af te ronden om v varassende bevindingen te verklaren
4
1. FUNDAMENTELE KEUZES EN HUN COMBINATIES
OVERZICHT ‘ONDERZOEK STAP VOOR STAP’
- Fundamentele keuzes en hun combinaties
- Het onderzoeksvoorstel
- Het eindrapport
- Het onderzoekstraject in de praktijk
- Fundamentele keuzes = keuzes die je moet maken
- Hoe onderzoeksvoorstel schrijven?
o Zeg je in tbegin wat je gaat doen
- Hoe een eindrapport (thesis, doctoraat, …) verschilt van onderzoeksvoorstel
o Je zegt op het einde wat je hebt gedaan en wat je resultaten zijn
VIJF FUNDAMENTELE KEUZES
1. Positivistisch – constructivistisch
2. Deductief – inductief
3. Waardevrij – normatief
4. Verklarend – beschrijvend
5. Kwantitatieve data – kwalitatieve data
- 5 fundamentele tegenstellingen -> van zodra je wet oz doet, heb je positie ingenomen in elk van die 5 mogelijke keuzes
- Deze keuzes lijken op het eerste gezicht dilemma’s, maar het is geen of-of keuze, maar het gaat om een continuum met
twee uiteinden.
- Vijf fundamentele keuzes zijn onvermijdelijk:
o Vijf keuzes verwijzen naar vijf fundamentele vragen die beantwoord moeten worden bij elk empirisch oz
Indien niet expliciet, dan impliciet
In de praktijk vaak door de globale onderzoeksstrategie ( ‘kwantitatief’ vs. ‘kwalitatief’) aan te geven
Begrip hiervan is essentieel om de sterktes en beperkingen van een onderzoek te begrijpen
Niet alle vijf even fundamenteel
1. POSITIVISTISCH – CONSTRUCTIVISTISCH
!!!: vergelijk positivisme en constructivisme -> dan deze slide die kenmerken geven (vanbuiten blokken)
- De meest fundamentele: verwijst naar ontologie en epistemologie
o Ontologie = bestaat er een wereld?
Leer/opvattingen over wat er is, wat betstaat er, bestaat er een wereld, hoe zijn we zeker dat we niet
aan het dromen zijn, SL bestaat dat, is dat er? -> ZIJN
o Epistemologie = Hoe kunnen we kennen wat er bestaat? Op welke manier?
Hoe kunnen we kennen wat er bestaat, hoekunnen we dat kennen, op welke manier, via observeren,
cijfers (stat) -> wat is de manier om de wereld te kennen? -> KENNEN
- Positivisme:
o Er is een externe wereld (los v ons) die kenbaar is door de wetenschappelijke methode
Methoden zijn sterk geïnspireerd door natuurwetenschappelijk onderzoek
o Empirisch onderzoek wil direct waarneembare sociale fenomenen beschrijven en verklaren
o Op zoek naar wetmatigheden
o Ideaal (radicaal oorspronkelijke positivisme): natuurwetenschappen en vooral fysica (formules, krachten,
wetten fysica) -> dat kan je toepassen op menselijk gedrag > daardoor voorspellen wrm mensen criminaliteit
plegen -> op zoek gaan naar wetten (vd fysica)
o Wetenschapper kijkt naar werkelijkheid en probeert die zo objectivistisch mogelijk te omschrijven
1
, - (Sociaal) constructivisme:
o Sociale fenomenen en hun betekenis worden voortdurend gecreëerd door sociale actoren
Geen externe wereld die wordt beschreven, maar een voortdurende constructie
Wij construeren e wereld
o Ook empirisch onderzoek is een proces van constructie door betekenisgeving
Wetenschappers die de wereld willen beschrijven zijn zelf ook mensen, dus wet oz is eig ook een
constructie -> ze construeren een werkelijkheid
o Veel aandacht voor de ‘representatie’ van de werkelijkheid en de effecten ervan
Veel aandacht voor taal
Gevoelig voor labels
Bv. Mensen in ons land zonder papieren ze gaan kijken welk label aan die mensen
worden gegeven: illegalen of mensen zonder papieren?
o Afhankelijk van welk label op je plakt zal je heel anders worden gezien
Kijken vooral naar resulaat ve constructie, hoe wordt werkelijkheid voorgesteld
o Radicaal/socaal constructivisme: we weten eig niet of er een wereld buiten ons is, we weten het niet zeker
We weten wel dat we een wereld construeren samen, dat we samen in interactie door talen een
wereld maken, criminaliteit is niet iets wat IS, het is iets wat we in interactie met elkaar samen
beslissen dat gedrag crimineel gedrag is (bv homosekualikteit, verkrachting binnen huwelijk)
- Bv. roofoverval door daders:
o Positivisme: kenmerken vd daders proberen verzamelen en op zoek gaan naar oorzaken wrm mensen dit doen
Gaat vaak kwantitatief zijn (stat)
We willen dus beschrijven en verklaren wie er roofovervallen pleegt en waarom
o Constructivisme: daders interviewen en vragen wat ze gedaan hebben, gevoeld, lichamelijke ervaring, wrm
doe je dat
NIET op zoek naar objectieve verklaring, WEL om te begrijpen hoe die dader zn eigen gedrag
construeert en het doet er niet toe of het klopt (bv. zeggen dat die erge jeugd gehad heeft)
Kijken naar ah dat is interessant dat hij die oorzaak geeft voor verklaring van zijn gedrag
Ze gaan ook kijken naar de taal van de dader: gebruikt hij zelf het woord ‘roofoverval’?
Je beseft ook dat jij als onderzoeker ook opnieuw dat verhaal construeert
- Extreem positivisme (radicaal):
o Sociale fenomenen verschillen niet van natuurlijke fenomenen
o Eerder een verwijt (dan e neutraal label)
o Mensen bestuderen is als biljartballen bestuderen
o Bestaat bijna niet meer (meeste criminologen erkennen dat mensen toch meer zijn dan fysieke objecten)
- Gematigd positivisme (postpositivisme):
o Bv. experimenten als ‘goudstandaard’ (bepalen voor waarde v geld) = experimenten zijn de beste manieren om
causaliteit vast te stellen
o Zo heb je er wel nog veel in de criminologie (de gematigde versie)
- Extreem constructivisme:
o We weten alleen dat we een werkelijkheid construeren
o Er is geen externe werkelijkheid die als maatstaf kan dienen: wetenschap is eigenlijk onmogelijk
o Probleem: we weten niet of er een wereld is buiten ons, weten alleen dat we die construeren, maar als je echt
geen wereld buiten ons hebt die je kan observeren, is elke uitspraak over de wereld evenwaardig, niks kan
weerlegd worden
Bv. ik zie een roze olifant staan, maar jij niet - >ja kan het niet weerleggen want we geloven niet dat er
een externe werled is
Dan zit je niet meer in d wetenschap, want daar gaan we ervan uit dat bep uitspraken toch valider
zijn dan andere
o Beperkte groep
- Gematigd constructivisme:
o Termen als ‘criminaliteit’ zijn geen ‘objectieve’ termen’, maar sociale constructies met vaak belangrijke
gevolgen
Geldt ook voor onderzoeksdata: politiestatistieken, citaten uit interviews,…
o Veel criminologen in positivisme hebben ook basisnoties v contructivisme mee (erkennen constructie v
begrippen als criminaliteit)
o Belang en gevolgen v labels -> criminolgoen zijn er extra gevoelig voor
2
, o Gradaties in: nog heel erg constructivistisch, die er wat tussen zitten (doen experimenten, maar erkennen ook
dat labels constructies zijn ) -> continuum en onderzoekers zoeken er een positie in
- Kritisch realisme:
o Is min of meer tussenpositie
o Ontologisch: er is externe werkelijkheid (zie positivisme)
Op vlak v ontologie neigt h meer naar positivisme
o Epistemologisch: wetenschappelijke blik is steeds geconstrueerd (en dus voorlopig en gekleurd)
Gaat er wel vanuit dat d geloofwaardigheid v uitspraken over d werkelijkheid beoordeeld kan worden
Epistemologisch: meer constr -> er is wel e werkelijkheid maar kunnen die maar beperkt leren
kennen, is voorlopig en doen pogingen, maar gaan die nooit helemaal en goed kunnen leren kennen
Uitspraken heel voorzichtig mee zijn (voorlopige uitspraken/hypothesen maar kan best dat we die
terug veranderen als er nieuwe inzichten zijn)
o Gekleurd door leeftijd, bias, achtergrond
- Of je het nu wil of niet, je neemt onvermijdelijk een positie in op dat continuum
- Impliciete keuzes willen we vermijden -> belangrijk dat je keuzes transparant izjn, dit is een goede wetenschappelijke
houding, je moet niet die woorden gebruiken (zie later fzo) maar neem een positie in
2. DEDUCTIEF – INDUCTIEF
De onderzoekscyclus:
Is ideaaltypische voorstelling, geen exacte voorstelling van de realiteit
- Stel je leest theorie en ontwikkelt een hypothese: "Slachtofferschap van een ernstig misdrijf heeft een impact op
aanzien van de doodstraf".
o Onafhankelijke variabele: slachtofferschap van een ernstig misdrijf
o Afhankelijke variabele: houding ten aanzien van de doodstraf
o Operationalisering = wat bedoelt men met doodstraf? Over welke criminele feiten hebben we het hier?
o Design: bv enquête
o Deductief onderzoek is oz dat van boven naar beneden gaat: voorbeeld hierboven is dus een deductief
voorbeeld je vertrekt vetheorie die je test (testend onderzoek) (ve algemene naar e specifieke theorie)
o Inductief= je begint onderaan: geen hypothese of theorie, je gaat met een open geest in de wereld en bv
mensen interviewen en vertrekken met een hele open vraag, we zien wel waar we uitkomen. Je bent een
onbeschreven blad en de data spreken tot u (van het specifieke naar het algemene).
- Deductief:
o Van het algemene naar het specifieke
o Start bij theorie en hypothesen
Die vormen ‘de bril’ waardoor naar de data wordt gekeken
Testen van theorie
o Afgerond met inductieve beweging
o Gaat vaak 1 keer door de cyclus
- Inductief:
o Van het specifieke naar het algemene
o Start bij dataverzameling
Open benadering, veel ruimte voor context, perspectief v onderzoekssubjecten, creativiteit vd oz’er,…
Ontwikkelen van theorie
o Je ziet wel waar je uitkomt
o Kritiek vd indictieve oz’ers op de deductieve: je dwingt e kader op, je hebt e bril opgezet
3
, - Zuiver inductief onderzoek= Naïef inductivisme:
o Foute veronderstelling dat data geobserveerd kunnen worden zonder theoretische vooronderstellingen,
kennis of verwachtingen
o Weinig mensen die de extreme positie innemen
o Je gaat ervan uit dat je zonder enige theoretische voorkennis de wereld ingaat is naïef want ergens heb je
altijd wel bepaalde opvattingen over een bepaald onderwerp
Je kan niet je eigen opvattingen aan de kant zetten en zeggen dat die geen rol hebben, je denkt dat je
heel neutraal en heel onbeschreven bent terwijl je opvattingen wel een rol spelen maar zonder dat je
het ervan bewust bent
Vijand is het impliciete, belangrijk dat je expliciteert -> het is niet erg dat je vooroordelen hebt,
zolang je weet dat die bias er is en je er rekening mee houdt tijdens bv. interview
- Gematigd inductief onderzoek:
o Erkent belang van explicitering van theoretische verwachtingen
o Geven toe dat ze niet opvattingloos zijn, maar proberen die zoveel mogelijk te beperken en zoveel mogelijk
tussen haakjes te zetten
o Bv. ‘sensitizing concepts’ (Blumer):
= concepten die u gevoelig maken voor bepaalde empirische vaststellingen
Dat is e soort lightversie v d concepten en hypothesen die deductieve oz’ers gebruiken
Bv. Je hebt geen hypothese over slachtofferschap van ernstig misdrijf, je gaat gewoon oz
doen tav de doodstraf dat is je sensitizing concept: je gaat mensen interviewen &
bijzondere aandacht hebben voor h woord doodstraf. Aandacht ook richten op
slachtofferschap
Dus ook theoretische concepten, die je bij het begin van je oz al aanneemt, maar die veel
minder rigide gebruikt worden. Het zijn concepten die u gevoelig maken, waar je extra op let,
maar zonder dat je die test.
Bieden geen uitgewerkte theorie of duidelijke richting
Maar maken de onderzoeker wel gevoelig, aandachtig voor bepaalde observaties
Deductief, maar wel heel open
o Vaak iteratief onderzoek:
Een dialoog tussen theorie en empirie
= herhaaldelijk interviews doen, opnieuw e dataverzameling doen, hypothese aanpassen, opnieuw
door ozcyclus gaan waarbij je geleidelijk aan u theorie ontwikkelt, combi v deductief en inductie
o Logica van abductie:
Obv empirische vaststellingen vrij snel door theorie geïnspireerde plausibele verklaringen formuleren
Die verklaringen worden als voorlopig gezien en nadien verder getest
Nadruk op plausibiliteit (= voorlopig) i.p.v. zekerheid
Veel aandacht voor opvallende, contra-intuïtieve verklaringen
In het midden, is e combi van de 2
Gaat uit van voorlopige hypothesen: je hebt u 1ste vaststellingen, je maakt 1ste plausibele voorlopige
hypothese (hangt samen met kritisch realisme), doet wat meer oz en past u hypothese wat aan
Logica achter iteratief oz, je ontwikkelt telkens voorlopgie hypothesen en bent voortdurend bereid
om die terug aan te passen, h is best mogelijk dat je bij volgende interview weer iets anders ontdekt
Plausibel = voorlopig, maar je bent wel bereid om je voorlopige hypothese in vraag te stellen
- Gematigd deductief onderzoek:
o Extra iteraties na een eerste ronde door de onderzoekscyclus
o Bv. d verrassende resultaten ve gestandaardiseerde survey bespreken in een reeks kwalitatieve interviews
o Eigenlijk is de vaststelling verassend, dus ik doe bijkomende kwalitatieve interviews om te proberen begrijpen
waarom mijn bevindingen niet helemaal kloppen/verassend zijn -> ik doe nog 1 keer de cyclus, paar interviews
om dan mn oz af te ronden om v varassende bevindingen te verklaren
4