,Besproken in klas>>
Irri-woorden
1. Ludiek – wordt door veel mensen ervaren als een clichéwoord dat onnodig vaak
wordt gebruikt.
2. Smikkelen – kinderlijk aandoend woord voor eten, waardoor het bij sommige
volwassenen irritatie oproept.
3. Peuzelen – vergelijkbaar met smikkelen; de speelse en kinderlijk klinkende
betekenis kan als overdreven worden ervaren.
4. Collegaatje – verkleinwoord dat in een professionele context kleinerend,
betuttelend of onnodig informeel kan klinken.
5. Qualitytime – Engels modewoord waarvoor meestal het eenvoudigere
Nederlandse tijd samen of tijd voor elkaar kan worden gebruikt.
6. Kids – Engels woord voor kinderen, dat door sommige taalgebruikers als onnodig
Engels wordt beschouwd.
7. Aanvliegen – managementjargon, vooral in de uitdrukking “een probleem anders
aanvliegen”. Het betekent simpelweg een probleem op een andere manier
aanpakken.
, 8. Hun (als onderwerp) – bijvoorbeeld “Hun hebben dat gedaan”. In de
standaardtaal is zij of ze hier correct.
9. Irriteren (als wederkerend werkwoord) – “ik irriteer me eraan” wordt traditioneel
als fout beschouwd; “ik erger me eraan” is de standaardvorm.
10. 67 – jongerentaal en internetmeme uit 2025–2026 waarvan de betekenis sterk
afhankelijk is van context en gebruik.
Ps dit is sowieso een leuk boek met opvallend interessant invalshoeken, dingen waar je
nog niet aan had gedacht (terugvertalen, meta-taal, SOFTEN e.d.)
1. Communicatie
1.2 Een procesmodel van communicatie
Communicatie is een dynamisch proces van betekenisoverdracht tussen zender en
ontvanger. Betekenis ontstaat niet uitsluitend uit de boodschap, maar uit de interactie
tussen zender, boodschap, kanaal, ontvanger en context.
Proces:
zender → coderen → boodschap → kanaal → decoderen → ontvanger → feedback
Element Functie
Zender formuleert en codeert betekenis
Boodscha
inhoud + relationele informatie
p
Kanaal overdrachtsmedium
Ontvange
decodeert en interpreteert
r
maakt wederzijdse beïnvloeding
Feedback
mogelijk
Ruis verstoort betekenisoverdracht
Context bepaalt mede de betekenis
Formule:
Effectieve communicatie ≠ exacte overdracht; effectieve communicatie =
voldoende gedeelde betekenis.
Communicatie is daarom transactioneel: iedere deelnemer beïnvloedt tegelijkertijd het
verdere verloop.
1.3 De boodschap
Een boodschap bevat zowel expliciete inhoud als impliciete informatie over relatie,
intentie en emotionele betrokkenheid.
Voorbeeld:
„Kun je het raam sluiten?”
letterlijk: een vraag;
, functioneel: een verzoek;
relationeel: afhankelijk van toon kan het vriendelijk, bevelend of geïrriteerd
klinken.
Tegenstelling:
inhoud = wat wordt gezegd;
betekenis = wat de ontvanger eruit afleidt.
1.3.1 Referentiekader
Het referentiekader omvat ervaringen, kennis, waarden, verwachtingen, emoties en
culturele interpretaties waarmee iemand informatie verwerkt.
Oorzaak → mechanisme → uitkomst:
verschillende ervaringen → verschillende interpretaties → mogelijk misverstand.
Hoe groter de overlap tussen referentiekaders, hoe groter doorgaans de kans op gedeeld
begrip.
Voorbeeld: „Dat was een stevige vergadering.” kan positief, neutraal of negatief worden
geïnterpreteerd.
1.4 Vertalen en terugvertalen
Communicatie vereist voortdurende omzetting:
1. zender vertaalt gedachte → woorden/gedrag;
2. ontvanger interpreteert → betekenis;
3. ontvanger reageert;
4. zender interpreteert de reactie;
5. betekenis wordt bijgesteld.
Terugvertalen betekent controleren of de geïnterpreteerde betekenis overeenkomt met
de bedoelde betekenis.
Technische regel:
bedoeling → codering → interpretatie → verificatie → correctie
Voorbeeld: „Je neemt veel initiatief” kan als compliment of kritiek worden opgevat.
Doorvragen vermindert interpretatie-onzekerheid.
1.4.1 Interne ruis
Interne ruis is verstoring binnen de communicatieve verwerking, bijvoorbeeld door
emoties, vooroordelen, stress, vermoeidheid of verwachtingen.
Prikkel → interne toestand → selectie/interpretatie → respons
Voorbeeld: een gestreste werknemer interpreteert neutrale feedback sneller als kritiek.
Tegenstelling:
externe ruis = verstoring in de omgeving;
interne ruis = verstoring in de persoon.
Irri-woorden
1. Ludiek – wordt door veel mensen ervaren als een clichéwoord dat onnodig vaak
wordt gebruikt.
2. Smikkelen – kinderlijk aandoend woord voor eten, waardoor het bij sommige
volwassenen irritatie oproept.
3. Peuzelen – vergelijkbaar met smikkelen; de speelse en kinderlijk klinkende
betekenis kan als overdreven worden ervaren.
4. Collegaatje – verkleinwoord dat in een professionele context kleinerend,
betuttelend of onnodig informeel kan klinken.
5. Qualitytime – Engels modewoord waarvoor meestal het eenvoudigere
Nederlandse tijd samen of tijd voor elkaar kan worden gebruikt.
6. Kids – Engels woord voor kinderen, dat door sommige taalgebruikers als onnodig
Engels wordt beschouwd.
7. Aanvliegen – managementjargon, vooral in de uitdrukking “een probleem anders
aanvliegen”. Het betekent simpelweg een probleem op een andere manier
aanpakken.
, 8. Hun (als onderwerp) – bijvoorbeeld “Hun hebben dat gedaan”. In de
standaardtaal is zij of ze hier correct.
9. Irriteren (als wederkerend werkwoord) – “ik irriteer me eraan” wordt traditioneel
als fout beschouwd; “ik erger me eraan” is de standaardvorm.
10. 67 – jongerentaal en internetmeme uit 2025–2026 waarvan de betekenis sterk
afhankelijk is van context en gebruik.
Ps dit is sowieso een leuk boek met opvallend interessant invalshoeken, dingen waar je
nog niet aan had gedacht (terugvertalen, meta-taal, SOFTEN e.d.)
1. Communicatie
1.2 Een procesmodel van communicatie
Communicatie is een dynamisch proces van betekenisoverdracht tussen zender en
ontvanger. Betekenis ontstaat niet uitsluitend uit de boodschap, maar uit de interactie
tussen zender, boodschap, kanaal, ontvanger en context.
Proces:
zender → coderen → boodschap → kanaal → decoderen → ontvanger → feedback
Element Functie
Zender formuleert en codeert betekenis
Boodscha
inhoud + relationele informatie
p
Kanaal overdrachtsmedium
Ontvange
decodeert en interpreteert
r
maakt wederzijdse beïnvloeding
Feedback
mogelijk
Ruis verstoort betekenisoverdracht
Context bepaalt mede de betekenis
Formule:
Effectieve communicatie ≠ exacte overdracht; effectieve communicatie =
voldoende gedeelde betekenis.
Communicatie is daarom transactioneel: iedere deelnemer beïnvloedt tegelijkertijd het
verdere verloop.
1.3 De boodschap
Een boodschap bevat zowel expliciete inhoud als impliciete informatie over relatie,
intentie en emotionele betrokkenheid.
Voorbeeld:
„Kun je het raam sluiten?”
letterlijk: een vraag;
, functioneel: een verzoek;
relationeel: afhankelijk van toon kan het vriendelijk, bevelend of geïrriteerd
klinken.
Tegenstelling:
inhoud = wat wordt gezegd;
betekenis = wat de ontvanger eruit afleidt.
1.3.1 Referentiekader
Het referentiekader omvat ervaringen, kennis, waarden, verwachtingen, emoties en
culturele interpretaties waarmee iemand informatie verwerkt.
Oorzaak → mechanisme → uitkomst:
verschillende ervaringen → verschillende interpretaties → mogelijk misverstand.
Hoe groter de overlap tussen referentiekaders, hoe groter doorgaans de kans op gedeeld
begrip.
Voorbeeld: „Dat was een stevige vergadering.” kan positief, neutraal of negatief worden
geïnterpreteerd.
1.4 Vertalen en terugvertalen
Communicatie vereist voortdurende omzetting:
1. zender vertaalt gedachte → woorden/gedrag;
2. ontvanger interpreteert → betekenis;
3. ontvanger reageert;
4. zender interpreteert de reactie;
5. betekenis wordt bijgesteld.
Terugvertalen betekent controleren of de geïnterpreteerde betekenis overeenkomt met
de bedoelde betekenis.
Technische regel:
bedoeling → codering → interpretatie → verificatie → correctie
Voorbeeld: „Je neemt veel initiatief” kan als compliment of kritiek worden opgevat.
Doorvragen vermindert interpretatie-onzekerheid.
1.4.1 Interne ruis
Interne ruis is verstoring binnen de communicatieve verwerking, bijvoorbeeld door
emoties, vooroordelen, stress, vermoeidheid of verwachtingen.
Prikkel → interne toestand → selectie/interpretatie → respons
Voorbeeld: een gestreste werknemer interpreteert neutrale feedback sneller als kritiek.
Tegenstelling:
externe ruis = verstoring in de omgeving;
interne ruis = verstoring in de persoon.