HOOFDSTUK 1: INLEIDING FUNCTIONELE ANATOMIE
1. Inleiding
Het vak Functionele Anatomie onderzoekt hoe de structuur van het menselijk lichaam samenhangt met zijn
werking.
Door kennis van de bouw (anatomie) krijgt men inzicht in de functie (fysiologie).
De cursus behandelt:
● Het skelet – beschermt vitale organen en biedt aanhechtingsplaatsen voor spieren.
● Het spierstelsel en de gewrichten – maken beweging tussen lichaamsdelen mogelijk.
● Het cardiovasculair stelsel – transporteert zuurstof, voedingsstoffen en verwijdert afvalstoffen.
● De inwendige organen – houden het lichaam in leven.
● Het voortplantingsstelsel – zorgt voor reproductie.
● Het zenuwstelsel – ontvangt, verwerkt en stuurt informatie, en maakt interactie met de omgeving
mogelijk.
1.1 Indeling
De anatomie is onderverdeeld in vier grote onderdelen:
1. Bewegingsstelsel – omvat:
○ Osteologie: studie van het skelet
○ Artrologie: studie van de gewrichten
○ Myologie: studie van de skeletspieren
2. Bloedvatenstelsel en lymfestelsel
3. Splanchnologie – studie van de organen
4. Zenuwstelsel (neuroanatomie) – onderverdeeld in een centraal en een perifeer zenuwstelsel
In de eerste bachelor worden bestudeerd:
● Bewegingsstelsel
● Perifeer zenuwstelsel
→ ingedeeld in bovenste lidmaat, onderste lidmaat en romp.
De neuroanatomie (centrale zenuwstelsel) komt aan bod in tweede bachelor bij “Neurowetenschappen”.
,Studiehulp:
Een anatomische atlas is noodzakelijk om structuren visueel te leren kennen.
Aanbevolen atlassen zijn o.a. Sobotta, Netter, Gray’s Anatomy, en Moore & Dalley.
1.2 Anatomische streken van het menselijk lichaam
Het lichaam wordt ingedeeld in anatomische streken (regio’s) om beschrijvingen te vereenvoudigen.
Belangrijkste streken:
● Hoofd (cephalon)
● Hals (cervix)
● Romp (truncus)
○ Thorax (borstholte)
○ Abdomen (buikholte)
○ Pelvis (klein bekken)
○ Perineum (gebied rond geslachtsorganen en anus)
● Bovenste en onderste ledematen (membrum superius & inferius)
Verdeling van het abdomen en bekken (9 streken):
1. Epigastrische streek – boven de navel; bevat maag, lever, pancreas, duodenum
2. Rechter hypochondrische streek – lever, galblaas, rechter nier
3. Linker hypochondrische streek – milt, linker nier, delen dikke darm
4. Umbilicale streek – centrum rond de navel; darmen, nieren, grote bloedvaten
5. Rechter lumbale streek – delen dunne/dikke darm, lever, nier
6. Linker lumbale streek – dunne/dikke darm, nier
7. Hypogastrische streek – onder de navel; blaas, darmen
8. Rechter inguinale streek (lies) – darmen
9. Linker inguinale streek (lies) – darmen
10. Andere streken:
● Arm: oksel (regio axillaris), elleboog (regio cubitalis, fossa cubitalis)
● Rug: lumbale streek
, ● Been: bil (regio glutea), knieholte (fossa poplitea)
1.3 Lichaamsholten
lichaamsholten= afgesloten ruimten die organen bevatten en beschermen.
Er zijn aanvankelijk twee hoofdholten in het embryo:
● Dorsale lichaamsholte – bevat hersenen en ruggenmerg
● Ventrale lichaamsholte – de grootste; wordt door het diafragma in twee delen gescheiden:
1. Thoracale (borst)holte
■ Rechter en linker pleuraholte (longen)
■ Pericardholte (hart)
■ Tussen beide ligt het mediastinum
2. Abdominopelviene holte
■ Abdominale holte: maag, darmen, lever, galblaas, pancreas, milt, nieren
■ Pelviene holte: dikke darm, blaas, voortplantingsorganen (uterus, ovaria, prostaat,
zaadblaasjes)
1.4 Anatomische terminologie
Anatomische termen zijn Latijnse of Griekse benamingen die internationaal worden gebruikt (volgens de
Terminologia Anatomica).
De termen beschrijven de vorm, ligging, functie of inhoud van structuren.
Begrip van de term zelf helpt bij het onthouden en herkennen van anatomische kenmerken.
→ Veel woorden lijken op Engelse of Franse termen.
→ Soms bestaan er ook goedgekeurde Nederlandse benamingen (zoals “borstspier”).
1.5 Oriëntatietermen
De officiële anatomische houding:
● Persoon staat rechtop
● Armen naast het lichaam
, ● Handpalmen naar voren
● Voeten naast elkaar
Alle oriëntatie- en richtingstermen worden vanuit deze houding bepaald.
1.5.1 Drie assen
1. Cephalo/craniocaudale as – van hoofd (cephalon) naar staart (cauda), dus van boven naar onder.
2. Dorsoventrale as – van rugzijde (dorsum) naar buikzijde (venter).
3. Laterolaterale as – van rechts naar links.
1.5.2 Drie vlakken
1. Frontaal / coronaal vlak – evenwijdig met het voorhoofd; verdeelt voor- en achterkant.
2. Transversaal / dwars vlak – horizontaal; verdeelt boven- en onderkant.
3. Parasagittaal / midsagittaal vlak – verdeelt lichaam in linker- en rechterhelft; het mediaanvlak is
precies in het midden.
1.5.3 Andere oriëntatietermen
● Craniaal / Superior – naar het hoofd
● Caudaal / Inferior – naar de voeten
● Ventraal / Anterior – naar de voorzijde, buikzijde
● Dorsaal / Posterior – naar de rugzijde
● Palmair – naar handpalm
● Plantair – naar voetzool
● Dorsaal (hand/voet) – naar handrug of voetrug
● Superficialis / externus – oppervlakkig
● Profundus / internus – diep
● Mediaal – naar het midden
● Lateraal – naar de zijkant
● Proximaal – dichter bij de romp
● Distaal – verder van de romp
1. Inleiding
Het vak Functionele Anatomie onderzoekt hoe de structuur van het menselijk lichaam samenhangt met zijn
werking.
Door kennis van de bouw (anatomie) krijgt men inzicht in de functie (fysiologie).
De cursus behandelt:
● Het skelet – beschermt vitale organen en biedt aanhechtingsplaatsen voor spieren.
● Het spierstelsel en de gewrichten – maken beweging tussen lichaamsdelen mogelijk.
● Het cardiovasculair stelsel – transporteert zuurstof, voedingsstoffen en verwijdert afvalstoffen.
● De inwendige organen – houden het lichaam in leven.
● Het voortplantingsstelsel – zorgt voor reproductie.
● Het zenuwstelsel – ontvangt, verwerkt en stuurt informatie, en maakt interactie met de omgeving
mogelijk.
1.1 Indeling
De anatomie is onderverdeeld in vier grote onderdelen:
1. Bewegingsstelsel – omvat:
○ Osteologie: studie van het skelet
○ Artrologie: studie van de gewrichten
○ Myologie: studie van de skeletspieren
2. Bloedvatenstelsel en lymfestelsel
3. Splanchnologie – studie van de organen
4. Zenuwstelsel (neuroanatomie) – onderverdeeld in een centraal en een perifeer zenuwstelsel
In de eerste bachelor worden bestudeerd:
● Bewegingsstelsel
● Perifeer zenuwstelsel
→ ingedeeld in bovenste lidmaat, onderste lidmaat en romp.
De neuroanatomie (centrale zenuwstelsel) komt aan bod in tweede bachelor bij “Neurowetenschappen”.
,Studiehulp:
Een anatomische atlas is noodzakelijk om structuren visueel te leren kennen.
Aanbevolen atlassen zijn o.a. Sobotta, Netter, Gray’s Anatomy, en Moore & Dalley.
1.2 Anatomische streken van het menselijk lichaam
Het lichaam wordt ingedeeld in anatomische streken (regio’s) om beschrijvingen te vereenvoudigen.
Belangrijkste streken:
● Hoofd (cephalon)
● Hals (cervix)
● Romp (truncus)
○ Thorax (borstholte)
○ Abdomen (buikholte)
○ Pelvis (klein bekken)
○ Perineum (gebied rond geslachtsorganen en anus)
● Bovenste en onderste ledematen (membrum superius & inferius)
Verdeling van het abdomen en bekken (9 streken):
1. Epigastrische streek – boven de navel; bevat maag, lever, pancreas, duodenum
2. Rechter hypochondrische streek – lever, galblaas, rechter nier
3. Linker hypochondrische streek – milt, linker nier, delen dikke darm
4. Umbilicale streek – centrum rond de navel; darmen, nieren, grote bloedvaten
5. Rechter lumbale streek – delen dunne/dikke darm, lever, nier
6. Linker lumbale streek – dunne/dikke darm, nier
7. Hypogastrische streek – onder de navel; blaas, darmen
8. Rechter inguinale streek (lies) – darmen
9. Linker inguinale streek (lies) – darmen
10. Andere streken:
● Arm: oksel (regio axillaris), elleboog (regio cubitalis, fossa cubitalis)
● Rug: lumbale streek
, ● Been: bil (regio glutea), knieholte (fossa poplitea)
1.3 Lichaamsholten
lichaamsholten= afgesloten ruimten die organen bevatten en beschermen.
Er zijn aanvankelijk twee hoofdholten in het embryo:
● Dorsale lichaamsholte – bevat hersenen en ruggenmerg
● Ventrale lichaamsholte – de grootste; wordt door het diafragma in twee delen gescheiden:
1. Thoracale (borst)holte
■ Rechter en linker pleuraholte (longen)
■ Pericardholte (hart)
■ Tussen beide ligt het mediastinum
2. Abdominopelviene holte
■ Abdominale holte: maag, darmen, lever, galblaas, pancreas, milt, nieren
■ Pelviene holte: dikke darm, blaas, voortplantingsorganen (uterus, ovaria, prostaat,
zaadblaasjes)
1.4 Anatomische terminologie
Anatomische termen zijn Latijnse of Griekse benamingen die internationaal worden gebruikt (volgens de
Terminologia Anatomica).
De termen beschrijven de vorm, ligging, functie of inhoud van structuren.
Begrip van de term zelf helpt bij het onthouden en herkennen van anatomische kenmerken.
→ Veel woorden lijken op Engelse of Franse termen.
→ Soms bestaan er ook goedgekeurde Nederlandse benamingen (zoals “borstspier”).
1.5 Oriëntatietermen
De officiële anatomische houding:
● Persoon staat rechtop
● Armen naast het lichaam
, ● Handpalmen naar voren
● Voeten naast elkaar
Alle oriëntatie- en richtingstermen worden vanuit deze houding bepaald.
1.5.1 Drie assen
1. Cephalo/craniocaudale as – van hoofd (cephalon) naar staart (cauda), dus van boven naar onder.
2. Dorsoventrale as – van rugzijde (dorsum) naar buikzijde (venter).
3. Laterolaterale as – van rechts naar links.
1.5.2 Drie vlakken
1. Frontaal / coronaal vlak – evenwijdig met het voorhoofd; verdeelt voor- en achterkant.
2. Transversaal / dwars vlak – horizontaal; verdeelt boven- en onderkant.
3. Parasagittaal / midsagittaal vlak – verdeelt lichaam in linker- en rechterhelft; het mediaanvlak is
precies in het midden.
1.5.3 Andere oriëntatietermen
● Craniaal / Superior – naar het hoofd
● Caudaal / Inferior – naar de voeten
● Ventraal / Anterior – naar de voorzijde, buikzijde
● Dorsaal / Posterior – naar de rugzijde
● Palmair – naar handpalm
● Plantair – naar voetzool
● Dorsaal (hand/voet) – naar handrug of voetrug
● Superficialis / externus – oppervlakkig
● Profundus / internus – diep
● Mediaal – naar het midden
● Lateraal – naar de zijkant
● Proximaal – dichter bij de romp
● Distaal – verder van de romp