Meerlagig plavei-epitheel (voortdurend vernieuwd vanuit basale laag, oppervlakkig afgestoten)
● Niet verhoornd (bevat nog een kern)
Bloed = bijzondere vorm van bindweefsel (bloedcellen in bloedplasma)
● Erytrocyten (rode -)
○ 02 en CO2 transport
● Leukocyten (witte -)
○ granulocyten (veellobige kern, 2 soorten granula) + agranulocyten (niet- , rol
immuunreacties)
○ immuunsysteem
● Trombocyten
○ Bloedstollingsmechanisme
Preparaat: bloed
Erytrocyt ode bloedcel, O2 en CO2 transport,
R
kernloos, meest voorkomend, hoge
buigzaamheid
eutrofiele
N T alrijkste leukocyten, gelobde kern (#
granulocyt lobben afh, verbonden via brugjes),
fijnkorrelig cytoplasma met granula
L ymfocyt leinste leukocyten, grote compacte
K
(agranulocyt) kern, smalle band cytoplasma (# varieert
met activiteitstoestand)
asofiele
B inst talrijke leukocyt, weinig primaire
M
granulocyt granula
, E osinofiele lobbige kern, cytoplasma vol met
2
granulocyt granula
trombocyt "bloedplaatjes", rol in bloedstolling
Monocyt rootste leukocyt, grote excentrische
G
kern (indeuking (erger bij ouder)
elmembraan = uitwendige begrenzing
C
Cytoplasma = celinhoud + bescherming
Kern = genetisch materiaal, regelt genexpressie
Kernenvelop = omgeeft de cel
Nucleolus = in kern, aanmaak RNA
Granula = korrelig, 2 soorten
Practicum 2: Epitheelweefsel en spierweefsel
Éénlagig plavei-epitheel
Kern vormt uitstulping, omdat cel zo afgeplat is
Bekleed bloedvaten langs binnen = endotheel
● Andere lagen van wand gevormd door spierweefsel en bindweefsel
Bloedvaten 3 types
● Arteriae: voeren bloed weg van hart
● Venae: voeren bloed naar het hart
● Capillairen (haarvaten): tussen arteria en vena, uitwisseling met weefsels
Preparaat: schildklier (Rattus)
T unica intima A
aneengesloten plavei-epitheel,
(intima) rust op basale membraan, bij
arteriën nog een lamina elastica
interna