SAMENVATTING LESSEN CKJ
Joke De Leener
2024-2025
, LES 1: INLEIDING EN OPFRISSING
-POWERPOINT-
1.DE 6 BASISVAARDIGHEDEN
1. Paraverbale en non-verbale communicatie bewust inzetten
2. Constructieve, flexibele posities innemen
3. Neutraal communiceren
4. Actief luisteren
5. Duidelijke zelfexpressie
6. Metacommunicatie
1.1 PARAVERBALE EN NON-VERBALE COMMUNICATIE
• SOFTEN
o Smile = echtheid, toon dat je de ander respecteert, waardevol vindt
o Open = ontspannen (afhangende schouders, ontspannen mind, handen los…)
o Forward = gepaste afstand, naar de ander gericht & voorover leunend, hoofd
licht schuin houden
o Touch = persoonlijke zone, context (let op het effect hiervan bij de ander!), is niet
alleen fysiek – waarderen zijn is evenzeer aanraken
o Eye contact = gepast (jij en de ander moet er zich gemakkelijk bij kunnen voelen)
– oogcontact terwijl je de ander aanspreekt en de ander vertelt
o Nod = knikken geeft aan dat je luistert, bij het verhaal bent & je moedigt aan om
verder te vertellen
1.2 CONSTRUCTIEVE, FLEXIBELE POSITIES
• Roos van Leary
1.3 NEUTRAAL COMMUNICEREN
• Waarnemen, observeren, interpreteren
o Observatie = wat zag je, hoor je… iemand doen (zo concreet mogelijk)
o Interpretatie = wat denk je daarbij? Wat vind je daarvan?
1
Communicatie met kinderen en jongeren
,1.4 ACTIEF LUISTEREN
• Omvat 3 pijlers:
o Onvoorwaardelijke aandacht geven
o Stimulerend luisteren
o Inlevend luisteren
• Onvoorwaardelijk/ aandachtig luisteren
o Aandacht geven met of zonder woorden (concentratie, belemmeringen
verhinderen), eigen referentiekader lossen, tijd nemen, non-verbale
communicatie bewust inzetten.
o Zet je non-verbale communicatie bewust in: SOFTEN
o Eigen referentiekader loslaten: gedachten als 3 de partij bekijken.
• Stimulerend luisteren
o Stimuleren om verder te vertellen en te verduidelijken d.m.v. doorvragen op
leemtes (concretiseren, verbreden en toetsen).
• Inlevend luisteren
o Voeling zoeken: wat bedoelt hij of zij? In zijn/ haar schoenen gaan staan
(referentiekader) d.m.v. gevoelsreflecties.
1.4.1 STIMULEREND LUISTEREN
• Zonder woorden:
o SOFTEN
o Stiltes laten
• Met woorden:
o TPS: toetsen – parafraseren – samenvatten op feiten niveau
o Doorvragen: verdiepen (vergrootglasvragen) & verbreden (helikoptervragen)
• Toetsen op feitenniveau:
o Toets of je het goed begrepen hebt.
o ‘begrijp ik het goed dat je bus 5 neemt en niet bus 6?’
• Parafraseren op feitenniveau:
o Herformuleerd, zeg het in je eigen woorden
o ‘dus je wil zeggen dat je het niet doet?’
• Samenvatten op feitenniveau:
o Vat af en toe/ op het einde (van een langer gesprek) samen wat de overkant
verteld heeft.
o ‘Dus ten eerste hebben we beslist… ten tweede… tot slot…’
o Doe dit zo neutraal, krachtig, gestructureerd… mogelijk
• Verdiepen:
o = doorvragen op één concrete situatie (‘filmisch verloop’
o = concretiseren
o De ander uitnodigen om zijn/ haar uitspraken te verduidelijken of te preciseren
2
Communicatie met kinderen en jongeren
, • Doorvragen op te algemene, vage, onduidelijke begrippen, gedragingen, gevoelens…
o Concrete beschrijvingen van gedrag van ander
▪ Bv: wat deed het kind precies in die situatie? Wat zei het kind?
o Omgevingsfactoren
▪ Bv: wie was erbij? Hoe laat was het?
o Verduidelijking gedachten of gevoelens die de ander heeft
▪ Bv: wat dacht je dan precies op dat moment?
• Verbreden:
o = verkennen van de context nodig om het verhaal te begrijpen
o Vragen naar ontstaan van een probleem, aantal keer dat iemand iets heeft
meegemaakt.
o Vragen naar persoonlijkheidsfactoren, belangrijke ervaringen die een rol
kunnen hebben gespeeld.
o Rechtstreeks naar de context vragen (bv: met hoeveel ben je thuis?)
o Vragen naar sterktes en persoonlijke visies van de ander (bv: hoe heb je het de
vorige keer opgelost?)
1.4.2 INLEVEND LUISTEREN
• Toetsen – parafraseren – samenvatten op belevingsniveau (reflecteren).
• Goede reflectie veronderstelt 3 stappen:
o Een gevoel verkennen (decoderen) door het te bevragen en te beluisteren.
o Het gevoel herformuleren in je eigen woorden.
o Daarvan iets teruggeven aan de gesprekspartner (bv: je bent er dus bang voor?)
• Non-verbale boodschappen benoemen en bevragen:
o Bv: ik zie dat je er stil van wordt, raakt het je? Brengt het je in verwarring?
• Inleven en meedenken/ meevoelen:
o Bv: ik kan me voorstellen dat dat heel veel pijn doet. Denk je dan dat je dom
bent?
• Gevoelens decoderen en parafraseren:
o Zeker ook op basis van non- verbaal gedrag (ik zie je schuiven op je stoel)
o Niet als een feit, maar vragend: interpretaties voorleggen.
▪ ‘Voel je je zenuwachtig wanneer ik daarover begin?’
▪ ‘Ik heb de indruk dat je je zenuwachtig voelt. Klopt dat?’
▪ ‘Dus eigenlijk zeg je…’
▪ ‘Vat ik het goed samen dat…’
▪ ‘Begrijp ik het goed dat je je beledigd voelt?’
o Zo precies mogelijk: juiste woordenschat
o Niet te lang in het negatieve hangen (je hebt je daar precies wel fier over
gevoeld?)
o Goede timing
3
Communicatie met kinderen en jongeren
Joke De Leener
2024-2025
, LES 1: INLEIDING EN OPFRISSING
-POWERPOINT-
1.DE 6 BASISVAARDIGHEDEN
1. Paraverbale en non-verbale communicatie bewust inzetten
2. Constructieve, flexibele posities innemen
3. Neutraal communiceren
4. Actief luisteren
5. Duidelijke zelfexpressie
6. Metacommunicatie
1.1 PARAVERBALE EN NON-VERBALE COMMUNICATIE
• SOFTEN
o Smile = echtheid, toon dat je de ander respecteert, waardevol vindt
o Open = ontspannen (afhangende schouders, ontspannen mind, handen los…)
o Forward = gepaste afstand, naar de ander gericht & voorover leunend, hoofd
licht schuin houden
o Touch = persoonlijke zone, context (let op het effect hiervan bij de ander!), is niet
alleen fysiek – waarderen zijn is evenzeer aanraken
o Eye contact = gepast (jij en de ander moet er zich gemakkelijk bij kunnen voelen)
– oogcontact terwijl je de ander aanspreekt en de ander vertelt
o Nod = knikken geeft aan dat je luistert, bij het verhaal bent & je moedigt aan om
verder te vertellen
1.2 CONSTRUCTIEVE, FLEXIBELE POSITIES
• Roos van Leary
1.3 NEUTRAAL COMMUNICEREN
• Waarnemen, observeren, interpreteren
o Observatie = wat zag je, hoor je… iemand doen (zo concreet mogelijk)
o Interpretatie = wat denk je daarbij? Wat vind je daarvan?
1
Communicatie met kinderen en jongeren
,1.4 ACTIEF LUISTEREN
• Omvat 3 pijlers:
o Onvoorwaardelijke aandacht geven
o Stimulerend luisteren
o Inlevend luisteren
• Onvoorwaardelijk/ aandachtig luisteren
o Aandacht geven met of zonder woorden (concentratie, belemmeringen
verhinderen), eigen referentiekader lossen, tijd nemen, non-verbale
communicatie bewust inzetten.
o Zet je non-verbale communicatie bewust in: SOFTEN
o Eigen referentiekader loslaten: gedachten als 3 de partij bekijken.
• Stimulerend luisteren
o Stimuleren om verder te vertellen en te verduidelijken d.m.v. doorvragen op
leemtes (concretiseren, verbreden en toetsen).
• Inlevend luisteren
o Voeling zoeken: wat bedoelt hij of zij? In zijn/ haar schoenen gaan staan
(referentiekader) d.m.v. gevoelsreflecties.
1.4.1 STIMULEREND LUISTEREN
• Zonder woorden:
o SOFTEN
o Stiltes laten
• Met woorden:
o TPS: toetsen – parafraseren – samenvatten op feiten niveau
o Doorvragen: verdiepen (vergrootglasvragen) & verbreden (helikoptervragen)
• Toetsen op feitenniveau:
o Toets of je het goed begrepen hebt.
o ‘begrijp ik het goed dat je bus 5 neemt en niet bus 6?’
• Parafraseren op feitenniveau:
o Herformuleerd, zeg het in je eigen woorden
o ‘dus je wil zeggen dat je het niet doet?’
• Samenvatten op feitenniveau:
o Vat af en toe/ op het einde (van een langer gesprek) samen wat de overkant
verteld heeft.
o ‘Dus ten eerste hebben we beslist… ten tweede… tot slot…’
o Doe dit zo neutraal, krachtig, gestructureerd… mogelijk
• Verdiepen:
o = doorvragen op één concrete situatie (‘filmisch verloop’
o = concretiseren
o De ander uitnodigen om zijn/ haar uitspraken te verduidelijken of te preciseren
2
Communicatie met kinderen en jongeren
, • Doorvragen op te algemene, vage, onduidelijke begrippen, gedragingen, gevoelens…
o Concrete beschrijvingen van gedrag van ander
▪ Bv: wat deed het kind precies in die situatie? Wat zei het kind?
o Omgevingsfactoren
▪ Bv: wie was erbij? Hoe laat was het?
o Verduidelijking gedachten of gevoelens die de ander heeft
▪ Bv: wat dacht je dan precies op dat moment?
• Verbreden:
o = verkennen van de context nodig om het verhaal te begrijpen
o Vragen naar ontstaan van een probleem, aantal keer dat iemand iets heeft
meegemaakt.
o Vragen naar persoonlijkheidsfactoren, belangrijke ervaringen die een rol
kunnen hebben gespeeld.
o Rechtstreeks naar de context vragen (bv: met hoeveel ben je thuis?)
o Vragen naar sterktes en persoonlijke visies van de ander (bv: hoe heb je het de
vorige keer opgelost?)
1.4.2 INLEVEND LUISTEREN
• Toetsen – parafraseren – samenvatten op belevingsniveau (reflecteren).
• Goede reflectie veronderstelt 3 stappen:
o Een gevoel verkennen (decoderen) door het te bevragen en te beluisteren.
o Het gevoel herformuleren in je eigen woorden.
o Daarvan iets teruggeven aan de gesprekspartner (bv: je bent er dus bang voor?)
• Non-verbale boodschappen benoemen en bevragen:
o Bv: ik zie dat je er stil van wordt, raakt het je? Brengt het je in verwarring?
• Inleven en meedenken/ meevoelen:
o Bv: ik kan me voorstellen dat dat heel veel pijn doet. Denk je dan dat je dom
bent?
• Gevoelens decoderen en parafraseren:
o Zeker ook op basis van non- verbaal gedrag (ik zie je schuiven op je stoel)
o Niet als een feit, maar vragend: interpretaties voorleggen.
▪ ‘Voel je je zenuwachtig wanneer ik daarover begin?’
▪ ‘Ik heb de indruk dat je je zenuwachtig voelt. Klopt dat?’
▪ ‘Dus eigenlijk zeg je…’
▪ ‘Vat ik het goed samen dat…’
▪ ‘Begrijp ik het goed dat je je beledigd voelt?’
o Zo precies mogelijk: juiste woordenschat
o Niet te lang in het negatieve hangen (je hebt je daar precies wel fier over
gevoeld?)
o Goede timing
3
Communicatie met kinderen en jongeren