Week 1
Kernbegrip 1: doelstellingen en karakter van het strafprocesrecht
Pijler I = waarheidsvinding
Pijler II = rechtsbescherming
Historie
Beginpunt: schuldvraag beslist o.b.v. godsoordelen. Inmiddels denken we anders
over de menselijke waardigheid: invloed van de Verlichting. Rechten en vrijheden
van de burgers voorop. Martelmethoden worden niet meer toegepast.
Het strafproces wordt rationeler: de waarheid moet door de mens zelf worden
achterhaald (pijler I). We willen alleen veroordeling wanneer iemand schuldig is.
De invloed van de verlichting: in het strafproces moeten ook de rechten en
vrijheden van burgers worden gerespecteerd (pijler II)
Hoofddoelstelling
Hoofddoelstelling = verzekeren van de juiste toepassing van het materiële
strafrecht te realiseren, opdat schuldigen (kunnen) worden gestraft en
onschuldigen niet
De realisering van dit doel wordt mogelijk gemaakt door de waarheid te
achterhalen (pijler I)
o Het gaat niet om het achterhalen van de volledige waarheid, maar om dat
wet relevant is ter beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv
o Waarheidsbegrip
Relativering
De waarheid kan nooit met zekerheid worden vastgesteld waardoor het risico op
een onjuiste toepassing van het materiële strafrecht nooit kan worden uitgesloten
o Daarom moet steeds een balans worden gevonden tussen wetshandhaving
en rechtsbescherming
Vb. inzet opsporingsbevoegdheden (art. 27 Sv) en voorlopige
hechtenis (ernstige bezwaren)
o Principiële asymmetrie: we vinden het minder erg dat een schuldige vrij is,
dan dat een onschuldige vast zit. Sommige fouten in het strafproces vinden
we dus erger dan anderen. Dat zien we terug in regels:
Vb. bewijsminimumregel (art. 342 lid 2 Sv): 1 getuige is geen
getuige. Hierin zie je terug dat zelfs een hele geloofwaardige
verklaring van 1 getuige niet tot een veroordeling mag leiden.
Waarheidsvinding vooropgesteld
o Maar: de eerlijke waarheidsvinding is geen rustig bezit
Afscheidsrede Peter van Koppen: “We hoeven de zorg voor een
rechtstatelijk eerlijk proces niet uit Den Haag te verwachten. Daar
zijn vooral efficiëntie, stroomlijning van procedures en verharding
, van strafrechtelijk optreden bon ton. Het tegengeluid ontbreekt.”
Rechtsbescherming (pijler II)
Eerbiediging van de rechten en vrijheden van burgers. Belang waarheidsvinding
wordt afgewogen tegen de belangen van burgers.
Invloed Europees recht: alle waarborgen deels gebaseerd op Europees recht.
recent: onderzoek aan smartphone
Karakter van het strafprocesrecht
Accusatoire versus inquisitoire procesmodellen
o Waarheidsvinding door middel van een eerlijk proces. “Fair trail” als
bedoeld in art. 6 EVRM; Bill of Rights (VS).
o Accusatoir = het gaat over een partijenproces. De aanklager vs. de
verdediging ten overstaande van een jury. De rechter speelt als
scheidsrechter. VS, Australië, Canada. Het uitvechten tussen partijen
leidt tot de waarheid.
o Inquisitoir = het gaat over een proces waar een actieve overheid/rechter
actief opzoek gaat naar de waarheid continentale recht: Nederland,
Duitsland, Frankrijk. Een integere overheid vindt de waarheid.
o In beide gestreefd om te waarheid te vinden; alleen de manier waarop
verschilt. In beide systemen is het uitgangspunt door dit te doen door een
eerlijk proces; niet zonder mogelijkheden om zich te verdedigen tegen de
aanklacht. Er is oog voor het eerlijke strafproces.
Typering Nederlandse strafprocesrecht? Gematigd inquisitoir. Docent is het
hiermee oneens, want het feit dat we een actieve rechter hebben maakt het in de
basis inquisitoir. Stevige verdedigingsrechten maken het niet accusatoir, maar
eerlijk.
o “Contradictoir proces op inquisitore leest geschoeid”
Ruime opsporingsbevoegdheden door autoriteiten
Actieve rechter
Verdachte als volwaardige procespartij; tegenspraak door verdachte
Inquisitoire basis; maar het proces richt zich ook op discussiepunten
Balans
Voortdurende zoektocht naar een compromis tussen verschillende belangen
In het strafproces wordt de waarheid (pijler I) op een behoorlijke wijze (pijler II) aan
het licht gebracht
o De doelstellingen hoeven niet te schuren, maar vaak ook bestaat wel
degelijk een spanning tussen de doestelling
Mr. Big-methode
Ondervragingsrecht
Vormverzuimen
Steeds moet de vraag worden gesteld: rechtvaardigt de waarheidsvinding haar prijs
nog?
, Kernbegrip 2: legaliteitsbeginsel
Het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel is neergelegd in art. 1 Sv: ‘Strafvordering heeft alleen
plaats op de wijze bij wet voorzien’. De grondslag van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel
is gelegen in de rechtszekerheid van de burger. Het biedt een zekere bescherming tegen
strafvorderlijke willekeur en beschermt de vrijheid van de burger.
Bevordert rechtseenheid (codificatiegedachte)
o In samenhang met art. 107 Gw
Waarborgfunctie (voorkomen van willekeur/machtsmisbruik)
o Boodschap aan strafvorderlijke actoren: buiten de wet om mag niet aan
strafvordering worden gedaan
o Boodschap aan wetgever: wetgeving moet op een zodanige wijze
vormgegeven dat het risico op willekeur wordt beperkt
Democratische legitimatie
o Het wetgevingsproces vormt een belangrijke waarborg voor de
vertegenwoordiging van verschillende belangen
De vraag over de wettelijke grondslag speelt vaak in het kader van opsporingsmethoden,
zoals bij het onderzoek aan smartphones.
Kernbegrip 3: rechtsbronnen van het strafprocesrecht
Bronnen van het strafprocesrecht:
Het Wetboek van Strafvordering.
Wet RO
De Grondwet
Er in enkele afzonderlijke wetten afwijkende strafprocesrechtelijke bepalingen. De
belangrijkste zijn:
o De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR)
o De Algemene Douanewet (ADW)
o De Wet op de economische delicten (WED)
o De Wet oorlogsstrafrecht
o De Wet internationale misdrijven
o De Wet wapens en munitie
o De Opiumwet
o De Wegenverkeerswet 1994.
De mensenrechtenverdragen: het EVRM en het IVBPR.
Ook valt nog te denken aan de kaderbesluiten, richtlijnen en verordeningen van de
EU en het Handvest van de grondrecht van de EU.
Ongeschreven recht; aanvullende werking van algemene rechtsbeginselen.
, Kernbegrip 4: klassieke uitgangspunten zoals onschuldpresumptie en
proportionaliteit en subsidiariteit
De onschuldpresumptie houdt in dat eenieder die wordt beschuldigd van een strafbaar feit
voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld overeenkomstig de wet is bewezen. De
onschuldpresumptie wordt ook wel de praesumptio innocentiae of het vermoeden van
onschuld genoemd. De onschuldpresumptie is neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM en art. 14 lid
2 IVBPR.
Het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging houdt in dat van de
strafrechtsfunctionarissen mag worden verlangd dat zij de in aanmerking komende
belangen behoorlijk tegen elkaar afwegen. Dat houdt in dat op een voor de betrokkenen
minst bezwarende wijze moet worden opgetreden (subsidiariteit) en dat er een redelijke
verhouding moet zijn tussen die wijze van optreden en het beoogde doel
(proportionaliteit). Als het doel ook kan worden bereikt op een manier waardoor de
betrokkene minder wordt getroffen, moet daarvoor worden gekozen.
Er kan een viertal materiële beginselen worden onderscheiden:
Het vertrouwensbeginsel: onder het vertrouwensbeginsel wordt verstaan dat door
de overheid opgewekte verwachtingen in redelijkheid moeten worden
gehonoreerd, tenzij zwaarwichtige belangen zich daartegen verzetten.
Het gelijkheidsbeginsel: gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen
Het beginsel van zuiverheid van oogmerk: ofwel het verbod van détournement de
pouvoir houdt in dat de overheid een bevoegdheid niet voor een andel doel mag
gebruiken dan waarvoor deze is gegeven. Om die reden wordt ook wel eens van
het vereiste van doelbinding gesproken.
Het beginsel van redelijke en billijke afweging: zie hierboven.
Leerdoel 1: onderscheid tussen de algemene taakstellende bepalingen en specifieke
wettelijke bepalingen als grondslag voor de inzet van opsporingsbevoegdheden
Art. 3 Politiewet: de algemene taakstelling van de politie
Art. 141 Sv: wie mag dat dan doen? Wie zijn belast met het opsporen van strafbare feiten?
Wanneer is deze wettelijke basis van toepassing? Voor wat voor handelingen worden deze
bevoegdheden ingezet?
Vrij algemene handelingen, het zijn algemene taakstellingen
Je mag hiermee geen inbreuk maken op grondrechten, ook niet als je een
opsporingsambtenaar bent
o Je mag alleen een beperkte/geringe inbreuk maken. Bij een meer dan
beperkte inbreuk dan legitimeert de grondslag niet het handelen.
Voorbeeld van een geringe inbreuk op een grondrecht = het inzetten van lokmiddelen, het
volgen van een veelpleger (daar hoeft geen verdenking voor te zijn, voor deze