5.1 productterminologie:
Producten worden binnen een organisatie vaak geïdentificeerd aan de hand van een
productnummer, waardoor het product op een unieke en ondubbelzinnige manier wordt
gepresenteerd.
Dit nummer wordt ook wel aangeduid als de productidentiteit. De kenmerken van het product (VPF)
worden hiermee vastgesteld.
V = Vorm = Externe uiterlijk
P = Pasvorm = mate waarin het product kan worden verbonden met andere producten.
F = Functie = betrekking op de prestaties van het product.
European Article Numbering (EAN): is een gestandaardiseerde code die wereldwijd wordt toegepast
als artikelcodering en opmaak van labels in de supply chain voor onder andere winkels ten behoeve
van kasafhandeling en voorraadadministratie.
Producten worden opgebouwd uit inkoopdelen (aangekocht) of maakdelen (zelf gemaakt binnen de
organisatie)
Het aansturingsproces binnen de productie vindt meestal plaats op basis van een bewerkingsblad.
Hierin worden alle bewerkingen in chronologische volgorde weergegeven.
Men onderscheidt in het algemeen:
1) Grondstoffen: zijn ruwe materialen die van buiten worden betrokken en uitsluitend in
gewicht, volume, oppervlakte of lengte worden verhandeld.
2) Onderdelen: producten die enkelvoudig zijn. (worden vaak uit één stuk vervaardigd)
3) Samenstellingen: Vast gemonteerde of blijvend bij elkaar verpakte producten, opgebouwd
uit een aantal bestaande producten die onafhankelijk van elkaar vervaardigd of verkregen
zijn.
4) Eindproducten: normaal in de verkoopcatalogus opgenomen producten die voor
klantenverkoop bedoeld zijn.
5.2 productstructuren:
De stuklijst: lijst met de gebruikte materialen en/of onderdelen die de ontwerper onderaan zijn
producttekening zet. De stuklijsten worden in de productiebesturing vooral productstructuren
genoemd, of Bill of Materials (BOM), ook bestaat hiervoor in de procesindustie het begrip
‘receptuur’.
De Low level code (LLC) is nodig om de uiteindelijke materiaalbehoefteberekening te
vereenvoudigen.
Stuklijstexplosie: hierin wordt een product ontleed in al
zijn onderdelen en grondstoffen.
Stuklijstimplosie: is een proces waarbij je terugrekent
van een onderdeel of grondstof tot het eindproduct.
Cumulatieve levertijd: de totale doorlooptijd vanaf
leverancier tot aan de aflevering.
Deze gegevens kunnen ook toegevoegd worden aan de
productstructuur.
, De opzet is dat we de waard toevoeging van ons product dusdanig moeten doen, dat we zo veel
mogelijk rendement maken.
Dit kan op de volgende 5 manieren:
1) Later bestellen: Door het product later te bestellen lopen we veel minder risico.
2) Later maken: door wijzigingen in de sutklijst kan het mogelijk zijn om producten in een
kortere doorlooptijd te maken.
3) Van anoniem naar ordergestuurd: als het mogelijk is de doorlooptijd na het KOOP te
verkorten, kan de planning van bepaalde producten veranderen van sturing op basis van
voorspellingen naar ordergestuurd. Daardoor is er geen risico meer aanwezig bij het doen
van de bestelling.
4) Goedkoper: het verlagen van de kostprijs.
5) Sneller: het verkorten van de langste levertijd. Hiermee verkort je de voorspelhorizon en
zullen de voorspellingen nauwkeuriger zijn waardoor er minder voorraad benodigd is.
5.3 productiegrondvormen:
Vanuit de grondstoffen zien we de goederenstroom zich uitsplitsen (divergentie). Tijdens de
productie verloopt de goederenstroom lineair.
Naarmate men verder assembleert komt de goederenstroom sterker samen (convergentie).
De wijze van productie en de daarbij behorende besturing verschilt sterk per bedrijfstype.
Dit zijn 4 veel voorkomende typen productie:
1) Divergente productie: hier wordt meestal een constante stroom van goederen verwerkt, de
complexiteit is te herleiden tot het aantal varianten dat op de markt gebracht wordt.
2) Parallelle productie: er is geen productierelatie tussen de stromen, ze kunnen qua materiaal apart
bestuurd worden.
3) Serieproductie: Producten worden achter elkaar vervaardigd. Meestal gaat het om speciale
producten, waarbij het omstellen van de apparatuur in verhouding duur is.
4) Convergente productie: Komt voor bij bedrijven die samengestelde producten leveren.
In complexe gevallen van convergente productie is slechts sprake van een eenmalige vervaardiging.
In een convergente productie wordt vaak gebruik gemaakt van een modulaire bouw, dit houdt in dat
men standaardonderdelen gebruikt waaruit diverse soorten eindproducten kunnen worden
samengesteld.
De meeste productiestromen zullen mengvormen zijn van eerder genoemde varianten, die elk een
ander soort besturingsvorm hebben.
Er zijn twee basisgrondvormen te onderscheiden: continue en functionele productie.
Bij continue productie fabriceert men in een lijnopstelling, het product is voortdurend in bewerking.