INLEIDING: THE GREAT DIVERGENCE
Euraziatische en Afrikaanse handelssysteem, 15de eeuw:
kern van de wereldeconomie gevormd door China, het Midden-Oosten, Turkije en India
Het oosten is welvarend en het westen is arm
Reizen van Zheng He, 1405-1455:
Zheng He gaat op ontdekking om handelspotentieel te zoeken en niet direct om regio’s te koloniseren.
De Chinese vloten waren veel beter en steviger dan die uit Europa
1433: Chinezen staken overzeese verkenningstochten, maar waarom? Dit was waarschijnlijk door de
kostprijs en uit angst dat de Chinese cultuur ging beïnvloedt worden door de andere culturen. Hierdoor kon de vraag rijzen over
de macht van de keizer in China.
→China ging actief op zoek naar handelscontacten en de grenzen van de wereld tot 1433, waarna de overzeese
verkenningstochten werden gestaakt
Maar wat als ze waren verder gedaan? Moesten ze verder zijn gegaan ging men het Afrikaans continent verder onderzoeken
en uiteindelijk tot in het Westen gekomen zijn. Men had delen kunnen veroveren van die continenten door de hoeveelheid
bemanning en sterke vloten.
1. INLEIDING:
- 15de eeuw keerpunt in de wereldgeschiedenis
▪ 1433: Chinezen staken overzeese verkenningstochten
▪ 1492: Columbus ‘ontdekt’ Amerika
o Grote rijken (Islam, India, China, Europa) vele gelijkenissen
- Vanaf 1500 meer contacten op wereldschaal – Globalisering
- Versneld vanaf 19de eeuw = Industriële Revolutie
- ‘The Rise of the West’ & ‘The Great Divergence’ (Huntington)
o Wanneer: 1750, 1800? Of vroeger?
o Oorzaken? Verklaringen?
Beide regio’s moeten met elkaar vergeleken worden om een verklaring te vinden
2. HOE GROOT WAS/ IS DE KLOOF?
- Grote verschillen tussen arm en rijk
o 1800 = 1/5e wereldbevolking bezit 60% rijkdom
o 2010 = is dat 85%
- Rijkdom vooral geconcentreerd in het Westen – vooral na 1800
- Hoe meten?
o Data weinig betrouwbaar, bijvoorbeeld BNP
o BNP goede indicator?
o Grote verschuivingen sinds 1800
- Voor 1800 kern industriële productie buiten Westen;
o China + India: >50% voor 1800, en 5% begin jaren 1900
China en India hebben rond 1000 samen ongeveer de helft vh aandeel van de
wereldeconomie, maar kennen vervolgens een zeer sterke daling
o Westen en IR grote groei: 32% in 1800 en >80% in 20ste eeuw
Europa kent vanaf de ontdekkingsreizen een sterke groei en Amerikaans aandeel stijgt hierdoor
,- Dus: ‘Great Divergence’ tussen 1700 en 1900
o Vanaf late 20ste eeuw ‘Great Convergence’
o The great divergence:
China, het Midden-Oosten en India hebben het grootste aandeel in de wereldeconomie, maar het Westen neemt
dit over. Maar gevolgd door de great convergence waar de aandelen van China en India in de wereldeconomie
terug beginnen te stijgen.
De koopkracht van het Westen begint te stijgen vanaf 1800, maar verschil tussen de verschillende Westerse
landen = the little divergence in het Westen = verschil op basis van koopkracht en welvaart binnen de
verschillende Westerse landen.
- Verklaring?
o Opkomst Westen niet onvermijdelijk/noodzakelijk
o Uniek cumulatief proces: wortels in en buiten Europa
o 3 visies: (mogelijke examenvraag)
de visies op de geschiedenis is niet vast en zal ook veranderen doorheen de tijd. Er zijn meerdere invalshoeken
en het gaat comparatief zijn. (je moet verschillende regio’s gaan vergelijken) = world/ global industry
▪ Autonoom, intern proces
▪ Toeval? – Grote gelijkenissen
het was geen toeval.
▪ Toenemende interactie tussen Oosten en Westen
gaat de toenemende interactie bestuderen en leggen de klemtoon op het feit dat het een ongelijke
interactie is (kolonialisme vs imperialisme)
Het Westen was niet enkel beter, het ging ook over het koloniseren en dat is de reden dat het Westen
rijk is geworden want men heeft gebruikt gemaakt van anderen.
3. EEN INTERN PROCES:
- Europa eerst ‘aan de rand’ Afro-Euraziatische handelssysteem; later wereldmacht
- Max Weber, et.al.
Max Weber had heel veel invloed en was de vertegenwoordiger van de groep die enkel naar het Westen gaat kijken.
Het Westen is de oorzaak van vele revoluties en zo werd het Westen het deel van de wereld met de meeste macht
o Westen is dynamisch, Oosten statisch
▪ Protestantse ethiek
Weber gaat ook aandacht hebben voor religie
▪ Nieuwe westerse cultuurpatronen: arbeid, discipline, vrijheid, hard werken,..
→ afschaffing van de feodaliteit en geleidelijk aan meer individuele vrijheid en meer
onafhankelijkheid. Als er meer individuele vrijheid is gaat men meer ondernemen
er gaat geleidelijk aan vanuit de hoofdstad een overheid gaan ontstaan. Er gingen moderne
natiestaten ontstaan (verzameling van regio’s die veel autonomie hebben en deze regionale heren
gingen hun eigen beleid voeren)
▪ Bureaucratisch, legaal-rationeel staatsmodel (individuele eigendomsrechten) en militair apparaat
• Bureaucratie: als je je macht wil vergroten heb je ambtenaren nodig en dus ook opleiding.
• Legaal-rationeel staatsmodel: geleidelijk aan ontstonden moderne natiestaten met een
overheid zoals we die vandaag de dag kennen. Je krijgt meer controle en meer kennis.
Overheid gaat ook waken over individuele eigendomsrechten en vrijheid.
Er gaat een juridisch apparaat ontstaan over eigendom en vrijheid.
• Militair apparaat: als je bescherming wilt moet je een leger hebben. Voor een leger moet je
geld hebben en daarvoor ga je naar de inwoners en bedrijven en belastingen gaan
ontwikkelen
, ▪ Moderne wetenschap
Als je Westen en Oosten gaat vergelijken ga je zien dat het Westen gaat evolueren. Het Westen gaat
oude ideeën gaan loslaten en gaan op zoek naar de rede en zijn onderzoek gaan doen. Niet alles heeft
een religieuze betekenis. Niet alleen wetenschappelijke inzichten maar ook economisch en
technologisch gaan inzetten.
▪ Demografische ontwikkelingen
(vanaf 1750) gaat de bevolking heel snel toenemen in (West) Europa en gaat op 100 jaar verdubbelen
en dit heeft vanalles in beweging gebracht. De mensen hadden voeding nodig, maar hoe kon dit? →
heeft modernisering op gang gebracht door inwoners te laten denken over efficiënte
productiemethoden.
▪ Markteconomie: cfr. ‘onzichtbare hand’
de doorbraak van het economisch liberalisme en dus de evolutie naar een vrije markt economie en
zorgt voor meer groei.
▪ Onvermijdelijk resultaat = Industriële Revolutie
al de verschillende elementen samen hebben gezorgd voor de revolutie
- David Landes (1998)
bouwt voort op de ideeën van Weber (volgt deze in grote maten)
= de economische groei in het Westen is niet gelijk verdeeld en wijst op de economische welvaartsverschillen tussen
West- Centraal- en Zuid- Europa. De groei loopt niet gelijk en de nieuwe cultuur, markteconomie,… worden voornamelijk
verklaard door het feit dat Europa bestaat uit compacte natiestaten. (ze staan al bij al op zichzelf)
o Kern opkomst Westen ligt in West-Europa
o Klemtoon op nieuwe cultuur, nieuwe markteconomie en nieuwe instellingen
▪ Flexibel: compactere (natie)staten, bescherming eigendom, initiatief en markten
deze natiestaten zijn veel makkelijker bereid om te veranderen en zijn dus veel flexibeler om te
veranderen en zal zich veel makkelijker kunnen aanpassen aan veranderingen. Ze zijn veel mobieler.
- Recente vragen bij Eurocentrisch discours:
het feit dat Europa bestaat uit een lappendeken, kan voor oorlog zorgen maar kan ook voor competitie. Die competitie gaat
vooruitgang genereren. Maar meer en meer kritiek: wat is het nu?
o Brits? West-Europees? Europees?
→ vragen omtrent waar de grote vooruitgang gaat plaatsvinden.
o Individualisme en arbeidsethos typisch Europees?
men wilt harder werken, maar waarom? Men wil meer vrijheid en op het ‘gemak’ zijn. Men wilt dezelfde
middelen kunnen vergaren als de elite. Men wilt meer financiële vrijheid.
→ is dit dan typisch voor het Westen? Weber: in het Oosten waren ze gewoon lui (stereotype)
o Europa en mondiaal en koloniaal economisch systeem?
de rol van Europa als Kolonisator
o Wat met niet-Europese culturen?
, 4. GROTE GELIJKENISSEN:
Meer en meer onderzoekers en onderzoekspaden, niet alleen in het Westen maar wereldwijd.
in eerste instantie voornamelijk Europa vergelijken met China.
- Doorbraak Westen 19de eeuw = op minerale grondstoffen gebaseerde IR en Europees imperialisme
o Azië in 18de eeuw = 66% wereldbevolking en 60% wereldrijkdom
o Azië begin 20ste eeuw = 55% wereldbevolking en 20% wereldrijkdom
- Meeste vergelijkingen adhv China vs. Europa
o Voor 1800 gelijkenissen > verschillen: cfr. landbouw, staatsorganisatie, eigendomsrechten, kennis, markten…
o Waarom doorbraak Europa? (Pomeranz (2000))
Pomeranz is als de eerste op een serieuze manier Europa gaan vergelijken met China en stelde zich de vragen
‘vanaf wanneer en waarom’
Conclusie: bakermat van de industriele revolutie (als je deze regios gaat vergelijken) met de Yangtze-delta, dan
zijn het evenwaardige kernen. Ze zitten op hetzelfde niveau van technonologie, kapitaalinvesteringen,
ondernemingsinitiatief. Veel meer gelijkenissen dan verschillen tussen deze kernen.
▪ Tot IR evenwaardige kernen: Engeland en Yangtze-delta
▪ Denkfout: Europese weg is noodzaak en uitzondering!
het is een grote fout dat men ervanuit gaat dat de revolutie in Europa de oplossing warren. Maar de
weg van Europa is eerder een uitzondering en had veel problemen (elementen van schaarste met
trigger bevolkingsgroei)
o (West-)Europa kiest voor andere weg:
▪ Schaarste in energie: hout & houtskool -> steenkool & cokes
door schaarste gaat men op zoek naar een alternatief en gaat men ook genoodzaakt zijn om het ergens
anders te zoeken. Men gaat handel drijven en gaan veroveren.
▪ Schaarste in grondstoffen (arbeid, katoen, voedsel)
door de bevolkingstoename is er een tekort dus men zal het elders moeten gaan zoeken
→ goedkoopste vorm van arbeid: slaven.
▪ Dus: handelskapitalisme en IR geen lang progressief proces, maar noodzaak. Ecologische bottleneck!
▪ China: steunt op groot, aaneengesloten rijk – conservatief
Europa wordt gepushed om alternatieven te zoeken en de wereld te veroveren door elders opzoek te
gaan naar de middelen. Het is geen lang progressief proces, het is van moeten. Men had geen andere
keuze. Er ging concurrentie ontstaan tussen de verschillende kolonies om delen te veroveren.
→ dit was minder in het Oosten en konden dit zelf beredeneren en zijn conservatief.
- Bin Wong (1998, 2000)
wijst heel nadrukkelijk op de grote verschillen.
o Grote verschillen inzake politieke organisatie
o Europa: rivaliserende staten (lappendeken van kleine en grote landen), competitie (intern en extern),
maximalisering winst en macht, flexibel
▪ Niet enkel competitie tussen landen, maar ook in landen zelf en dus tussen de klassen zelf
(19de eeuw: klasse met veel macht: adel, kerk en bourgeoisie → leidt tot democratie, meer gelijkheid
en meer welvaart.
o China: eengemaakt, vooral agrarisch, elites kiezen voor status quo (Ming-dynastie), sociale bescherming
als men zorgt voor een bepaalde vorm van gelijkheid, zal er minder vanuit het onderste deel van de
maatschappij minder revolutie gaan ontstaan en zo zorgt men voor vrede. Men wou niet dat arbeiders gingen
protesteren. Om macht te beschermen ging men een stuk van hun macht afgeven.