Leerdoelen=
• De zeven definities van een groep geven en toepassen op een concrete situatie
• Verschillende types van groepen benoemen en aangeven welke als vpk belangrijk zijn
• Cohesie in eigen woorden kunnen toelichten en e ecten kunnen benoemen
• Groepsnormen in relatie brengen tot verpleegkundige beroepsuitoefening
• Voorbeelden geven van groepsnormen en e ect ervan op groep en zorg die wordt
verleend
• Het onderscheid tussen een groepsnorm en een rol uitleggen
• Conformisme als groepsgegeven in eigen woorden en aan de hand van een eigen
voorbeeld toelichten
• Factoren die conformisme beïnvloeden benoemen en illustreren aan de hand van een
voorbeeld
• De kenmerken, bijhorende eigenschappen en zwakheden van de teamrollen van Belbin
uitleggen
• Door zelfreflectie de rol die je in een team (verpleegkundige, privé,…) inneemt benoemen
• Door zelfreflectie twee à drie natuurlijke teamrollen (cf. Belbin) die je in een team
inneemt benoemen
• De verschillende fasen in de ontwikkeling van een groep benoemen en uitleggen en dit
volgens het groepsontwikkelingsmodel van Tuckman
, 1 Leven en werken in groepen
1.1 Wat is een groep?
Er zijn in de literatuur heel wat manieren om het begrip ‘groep’ te definiëren. We vermelden
zeven defini es van de term, waarbij het accent van elke definitie telkens bij een ander kenmerk
van een groep ligt
1. De leden streven een gemeenschappelijk doel na en sturen hun activiteiten in de
richting van dat doel (motivatie).
- Een zelfhulpgroep bestaat uit lotgenoten die een gemeenschappelijk doel nastreven:
steun en troost bij mekaar vinden.
2. De leden zijn op een bepaalde manier van elkaar afhankelijk.
- Een studentengroep die aan een groepsopdracht werkt, zijn voor de uitvoering van
deze opdracht afhankelijk van mekaar. Het eindcijfer van de groepsopdracht geldt
namelijk voor elk groepslid.
3. De leden hebben directe contacten met elkaar, communiceren onderling. Er is
interactie.
- Mensen die in werkgroepen samenwerken, communiceren met elkaar over het werk
dat ze uitvoeren. Dit gebeurt zowel op het totale groepsniveau als tussen twee
individuen.
4. De leden beschouwen zichzelf als lid van de groep, identificeren zich met de groep.
- Verpleegkundigen identificeren zich (sterk) met de groep waar ze deel van uitmaken.
Dit wordt bijvoorbeeld benadrukt via het dragen van een bepaald uniform.
5. Er ontstaan groepsnormen en een rolverdeling die de onderlinge relaties
structureren.
- Een team op een verpleegafdeling heeft een hoofdverpleegkundige,
verpleegkundigen, zorgkundigen, … Bij elke functie horen bepaalde taken en
verwachtingen.
6. De leden beïnvloeden elkaar.
- In een leefgroep is de wederzijdse beïnvloeding heel direct en zichtbaar. Als een
bewoner bijvoorbeeld roepend gedrag vertoont, zal dit invloed hebben op het gedrag
van andere bewoners.
7. Door zich te verenigen in een groep, streven de groepsleden bevrediging van eigen
behoeften na.
- De leden van een studentenvereniging zijn gemotiveerd om lid te worden van deze
groep vanwege de contacten die ze daar kunnen opdoen
,1.2 Type groepen
Er bestaan veel verschillende soorten groepen. Groepen kunnen sterk van elkaar verschillen,
afhankelijk van de groepsgrootte, groepssamenstellng, doelstelling, aantal bijeenkomsten…
Een handige manier om hier meer zicht op te krijgen, biedt de zogegeten HHH-formule die zich
richt op de doelen van de groep.
• ‘HHH’ staat voor ‘hoofd’, ‘hart’ en ‘handen’. Dit levert een indeling van drie soorten
groepen op. Daarbij staat
- ‘hoofd’ voor kennis,
- ‘hart’ voor gevoel en
- ‘handen’ voor gedrag of daadkracht
1.2.1 Primaire en secundaire groepen
Primaire groepen= worden gekenmerkt door persoonlijke, intieme relaties in directe
contactsituaties en door spontaan gedrag (bv. het gezin of een vriendengroep).
secundaire groep= hier zijn de relaties eerder koel, onpersoonlijk, rationeel en formeel.
(treft men vaak in arbeidssituaties)
1.2.2 Informele en formele groepen
formele groepen= hierin staat vast wat het doel is, zijn de rollen verdeeld, is de leider
bekend en weet ieder aan welke normen men zich dient te houden. (vooral in de
werksfeer bv. een team in een dag verzorgingscentrum)
informele groepen = hierin staat dit alles veel minder vast. In zulke groepen wordt
bijvoorbeeld de leider niet o icieel aangewezen, maar een bepaalde persoon kan door
de groepsleden wel als leider worden beleefd. Zo kunnen er ook spontaan
groepsnormen ontstaan die niet op papier staan, maar die het doen en laten van de
leden wel in sterke mate kunnen bepalen. (bv. een vriendengroep of een leefgroep)
, 1.2.3 ‘Hoofd, hart, handen’ groepen (HHH-formule)
Groepen waarin het hoofd centraal staat, zijn cogni ef georiënteerd
- voorbeelden: cursusgroepen, , informatiebijeenkomsten
= In deze groepen draait het om het vergroten van kennis en inzicht door
informatieoverdracht. Een spreker deelt kennis over uiteenlopende onderwerpen, zoals
gezondheid, revalidatie of wettelijke regelingen, zodat deelnemers beter geïnformeerde
keuzes kunnen maken. De bijeenkomsten zijn meestal beperkt in aantal of eenmalig.
Groepen waarin het hart centraal staat, zijn gericht op ervaringen en belevingen
van de groepsleden
- Zelfhulpgroepen, lotgenotengroepen
= In deze groepen staan het verwerken van emoties en het delen van persoonlijke
ervaringen centraal. Door het uitwisselen van gevoelens en belevingen versterken
deelnemers hun veerkracht en leren ze omgaan met veranderingen in hun leven. De
interactie tussen groepsleden speelt een belangrijke rol, en er is veel ruimte voor eigen
inbreng binnen een losse, niet-strakke structuur.
Groepen waarin de handen centraal staan, zijn gericht op vaardigheden en
competen es
- Mindfulnesstraining, training in conflicthantering, assertiviteitstraining
= In deze groepen draait het om het aanleren en oefenen van nieuw gedrag. De nadruk
ligt op leerprocessen, waarbij de begeleider verschillende werkvormen inzet, zoals
rollenspelen en oefeningen. Het doel is het ontwikkelen van vaardigheden, bijvoorbeeld
op het gebied van communicatie, opvoeding of probleemhantering.
1.3 Groepselementen
1.3.1 Groepsdoel(en)
Groepen ontstaan omdat leden één of meerdere gemeenschappelijke doelen nastreven. Er
wordt onderscheid gemaakt tussen
- formele doelen= die door de organisatie of instelling bepaald worden
- informele doelen= die voortkomen uit de persoonlijke behoeften van de
groepsleden.
1. Deze doelen kunnen soms met elkaar botsen, wat kan leiden tot onvrede of
conflicten binnen de groep.
De taak van de groepsleider is om deze formele en informele doelen op elkaar af te stemmen
zodat er één duidelijk gemeenschappelijk groepsdoel ontstaat. Als dit proces niet slaagt, kan de
groep slecht functioneren of zelfs uiteenvallen, waardoor het behalen van de groepsdoelen in
gevaar komt.