Principes van financiering
1. Een euro vandaag heeft niet dezelfde waarde als een euro morgen
Komt door de TIJDSWAARDE van geld
2. Gelijke activa (financiële goederen) moeten dezelfde marktprijs hebben (bij
vrije handel)
Bij albert heijn en jumbo (reële goederen) verschillen de prijs per
product wel.
3. De marktprijs is de beste schatting van de waarde van activa
4. Gratis bestaat niet; alles heeft kosten
Zelfs als je een investeringsproject niet aan gaat; dan loop je
waarschijnlijk rendement mis = deel van kosten
5. Risico en onzekerheid zijn inherent (= fluctueren) en financiële
beslissingen moeten expliciet meegenomen worden.
6. Hoe meer risico je neemt, hoe meer rendement je kan halen. Kan
goed/slecht uitpakken, dus daarom ook negatief risico goed meenemen!
7. Flexibiliteit heeft een waarde. Vb. mensen tijdelijk inhuren, via
uitzendbureaus inhuren = mensen zijn bereid daarvoor te betalen =
‘makkelijk’.
8. Transparantie, verificatie en vertrouwen zijn pijlers van het financiële
systeem.
HOOFDSTUK 1: BASIS FINANCIAL MANAGEMENT
Financial management gaat over financiële beslissingen; het biedt
probleemoplossend raamwerk voor ondernemingen. Bij beslissingen voor
ondernemingen en deze probleemoplossers, denk je aan; Welke activiteiten
wel/niet ondernemen? Hoe moeten we dat betalen/financieren? Hoe om te gaan
met tijd en onzekerheid? Wat doen we met de winst?
Onderdelen van financial management zijn;
- Investeren: kopen en verkopen van reële (handelsgoederen) en financiële
activa
- Financieren: financiële middelen steken in de activa
- Financiële intermediatie: financiële markten en instituten
,Reële activa > brengen schaarse goederen voort of helpen daarbij. Denk aan
handelsgoederen of investeringsgoederen (machines, gebouwen)
Financiële activa > vergemakkelijken de eigendom van reële activa. Denk aan
aandelen en obligaties.
Bij financiële activa heb je markten waarop je geen winst kan halen, wel
rendement, maar markten zo goed geregeld dat echt winst maken eig niet
gebeurd.
Financiële intermediairs (zoals banken) fungeren als schakel tussen financiële
activa en het publiek. Voorbeelden hiervan zijn commerciële banken,
spaarinstituten, pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen of
beleggingsmaatschappijen.
Markt = plaats om te ruilen
- Financiële markt = effecten worden geruild
1. Primaire markt = effecten worden als eerst aangeboden
2. Secundaire markt = effecten worden nogmaals aangeboden
Er zijn verschillende marktvormen
- Dealer markt = bank plaatst effecten
- Auction (veiling) markt = veiling van een bedrijfsonderdeel
- Directe markt = pensioenfonds koopt aandelen
- Broker (makelaars) markt = kleine belegger koopt aandelen
Financieel systeem = verzameling van markten en instituties die financiële
contracten opstellen en afdwingen en de uitruil van financiële activa en risico’s
faciliteren.
Heeft spelers, zoals financiële intermediairs, publiek, overheid en
toezichthouders etc.
Heeft functies, zoals betalingsverkeer, prijsvorming, risicobeheer etc.
Financieel manager
= financiële investeringsselectie en -organisatie: plannen, evalueren, vergelijken
en selecteren van lange termijn projecten
= ondernemingsfinanciering: bepalen van de mix tussen eigen en vreemd
vermogen, hoe dit kan worden verkregen en hoe het beschermd kan worden
= werkkapitaalbeheer: het omgaan met financiële behoeften op korte termijn en
beheer van vlottende activa/passiva
,Principaal vs Agent
1. Principalen = de aandeelhouders/eigenaren
2. Agenten = management dat de dagelijkse besluiten neemt
Belangenconflict!! Vb. de hoogte van het salaris van topmanagers
& Asymmetrische informatie, want CEO en CFO weten alle details
Het principaal-agent probleem is een pijler van financiering. Het probleem
wordt opgelost door monitoring, contracten en prikkels.
HOOFDSTUK 2: FINANCIËLE STATEN
- Balans (totale activa = vv + ev)
- Resultatenrekening (winsten = opbrengsten – kosten)
- Kasstroomoverzicht (netto kasstroom = kasinstroom – kasuitstroom)
- Winstinhoudingsoverzicht (boek Brooks)
Het kasstroomoverzicht = verslag dat inzicht geeft in de kasstromen van een
onderneming, in een bepaalde periode. Dit verslag bevat operationele
kasstromen (resultaat + afschrijvingen – belasting over EBIT),
, investeringskasstromen (netto investeringen + afschrijvingen) en
financieringskasstromen (geld van “elders” naar “elders”).
Dit kan via de directe methode: analyse van bankafschriften en bonnetjes
Of via de indirecte methode: o.b.v. financiële staten