ICR WC 1 – 11/09/25........................................................................................2
ICR WC 2 – 19/09/25........................................................................................5
Aantekeningen wc 2....................................................................................................... 9
HR Fluorideringsarrest..................................................................................................10
ICR WC 3 – 26/09/25......................................................................................11
ICR WC 4 – 29/10/25..................................................................................................... 16
Aantekeningen WC 4.................................................................................................... 23
ICR WC 5 – 5/11/25........................................................................................23
Aantekeningen wc 5..................................................................................................... 28
ICR WC 6 – 12/11/25......................................................................................29
Aantekeningen WC 6.................................................................................................... 34
HR Zusters van Walburga.......................................................................................... 35
HR De Wilde/ Nederland............................................................................................ 35
,ICR WC 1 – 11/09/25
Opdracht 1
Neem de Nederlandse Grondwet voor u. In welke artikelen ziet u de
beginselen van de democratische rechtsstaat (legaliteitsbeginsel,
machtenscheiding, rechterlijke controle, grondrechten en
democratiebeginselen) uitgedrukt? Geef bij elk van de genoemde
beginselen ten minste drie voorbeelden. Motiveer uw antwoorden.
- Legaliteitsbeginsel:
Art. 16 GW, Strafrecht kan alleen bij wet worden vastgesteld:
geen straf zonder wet.
Art. 89 GW, Regering kan geen eigenstandig bindend recht
maken buiten de wetgever om.
Art. 104 GW, Belastingen mogen niet willekeurig worden
opgelegd door de overheid.
- Machtenscheiding:
Art. 81 GW, Scheiding en samenwerking van wetgevende macht.
Art. 42 lid 2 GW, Uitvoerende macht bij ministers, niet bij de
Koning.
Art. 116 GW, De rechterlijke macht staat apart en onafhankelijk
van wetgever en bestuur.
- Rechterlijke controle:
Art. 112 GW, Rechter waarborgt bescherming van rechten.
Art. 113 lid 1 GW, Alleen een rechter mag straffen opleggen, niet
de uitvoerende macht.
Art. 117 GW, Waarborg voor onpartijdige controle.
- Grondrechten:
Art. 1 GW, Basisrecht dat alle burgers gelijke bescherming geeft.
Art. 7 GW, Vrijheid van communicatie, cruciaal in een
democratie.
Art. 9 GW, Waarborgt politieke participatie en inspraak.
- Democratiebeginselen:
Art. 4 GW, Uitdrukking van volkssoevereiniteit.
Art. 50 GW, Vertegenwoordigende democratie.
Art. 53 GW, Democratische legitimiteit via verkiezingen.
Opdracht 2
De Nederlandse regering heeft in 1984 met de Bondsrepubliek Duitsland
het
Samenwerkingsverdrag Eems-Dollard gesloten. Dit verdrag moest bij wet
in formele zin
worden goedgekeurd. Voordat de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot
,goedkeuring in
behandeling nam, startten milieuorganisaties een gerechtelijke procedure:
ze vonden dat het verdrag in strijd was met een aantal milieunormen en
dat goedkeuring ervan dus
onrechtmatig was. De milieuorganisaties wilden, dat de rechter voordat
het verdrag bij wet werd goedgekeurd uitsprak dat het onrechtmatig was.
Het gerechtshof te ’s-Gravenhage moest een oordeel geven. Het hof
stelde in zijn arrest (27 september 1990, AB 1991, 85) de
milieuorganisaties in het ongelijk met de volgende motivering:
“Het is in strijd met het Nederlandse staatsrechtelijke bestel dat de rechter
zich in een vonnis uitspreekt over een wetsvoorstel dat in behandeling is
bij de regering of
volksvertegenwoordiging.”
In welk beginsel van de democratische rechtsstaat vindt deze redenering
haar grondslag? Motiveer uw antwoord.
-Het beginsel dat hieraan ten grondslag ligt is het beginsel van de
machtenscheiding, tiras politica. In Nederland geldt dat de
wetgeving wordt gemaakt door de regering en de Staten-Generaal
gezamenlijk, art. 81 GW.
- De rechter heeft de taak om wetten toe te passen en geschillen te
beslechten (art. 112 GW), maar mag niet ingrijpen in de
wetgevingsprocedure.
- Als de rechter zich zou uitspreken over de inhoud of rechtmatigheid
van een nog niet aangenomen wetsvoorstel, zou hij zich mengen in
de bevoegdheden van de wetgever. Dat zou de scheiding tussen
wetgevende en rechtsprekende macht aantasten.
- Pas nadat een wet tot stand is gekomen, kan de rechter toetsen aan
hogere (internationale) normen, bijvoorbeeld via art. 93–94
Grondwet (verdragsrecht met rechtstreekse werking gaat boven
nationale wet).
Opdracht 3
1. Welk orgaan of welke organen vormen in het Nederlandse
staatsbestel de wetgever? Verklaar waarom deze constructie niet
past binnen de leer van de Trias Politica.
- In het Nederlandse staatsbestel wordt de wetgever gevormd door de
regering én de Staten-Generaal gezamenlijk (art. 81 Grondwet).
- De Staten-Generaal vertegenwoordigen het volk, de regering
(Koning en ministers, art. 42 GW) maakt deel uit van de uitvoerende
macht.
- → Binnen de leer van Montesquieu’s Trias Politica zouden
wetgevende en uitvoerende macht strikt gescheiden moeten zijn.
- In Nederland is er juist een vervlechting: de uitvoerende macht
(regering) zit óók in de wetgevende macht.
, 2. Geef nog een voorbeeld uit de Grondwet waaruit blijkt dat een zuiver
stelsel van
machtenscheiding in de verhouding tussen wetgevende, uitvoerende
en rechterlijke macht in Nederland niet is gerealiseerd.
- Art. 105 GW – De begroting wordt vastgesteld bij wet, maar deze
wet wordt ingediend door de regering.
→ De regering (uitvoerende macht) initieert wetgeving
(begrotingswetten), terwijl de formele wetgever (wetgevende
macht) die wetten moet aannemen.
- Nog een voorbeeld: Art. 117 lid 1 GW – Rechters worden benoemd
bij koninklijk besluit.
→ De uitvoerende macht (regering) beïnvloedt de samenstelling van
de rechterlijke macht.
3. Het rechterlijke toetsingsverbod in artikel 120 Grondwet kan op
grond van een
bepaalde opvatting van democratie worden verdedigd. Wat is, uit
het oogpunt van de democratie, de rechtvaardiging van het
rechterlijke toetsingsverbod?
- Art. 120 GW: de rechter mag wetten in formele zin en verdragen
niet toetsen aan de Grondwet.
- Rechtvaardiging: democratische legitimiteit.
Wetten in formele zin zijn tot stand gekomen door de regering en de
Staten-Generaal (art. 81 GW). De Staten-Generaal zijn direct
gekozen door het volk (art. 50 en 53 GW).
De gedachte is dat de wetgever, als democratisch gelegitimeerd
orgaan, beter de wil van het volk vertegenwoordigt dan de rechter,
die niet gekozen is.
- Democratie-argument: rechterlijk toetsingsverbod voorkomt dat
een niet-gekozen rechter een gekozen wetgever corrigeert.