Digestie 2 samenvatting
Nora Lemmens, 146652
Inhoudsopgave
Hoorcolleges......................................................................................................................................... 1
HC01 Introductie en secreties.......................................................................................................... 1
HC02 Enzymatische vertering & gal.................................................................................................4
HC03 Fermentatie............................................................................................................................ 5
HC04 Reactiepatronen lever............................................................................................................ 7
HC05 Biotransformatie en (de)toxificatie........................................................................................10
HC06 Functies van de lever - pathofysiologische mechanisme..................................................... 13
HC07 Aandoeningen van parenchym, galwegen en circulatie van gezelschapsdieren................. 17
HC08 Niet-infectieuze leveraandoeningen..................................................................................... 23
HC09 Pathofysiologie van maagdarminfecties deel I..................................................................... 26
HC10 Pathofysiologie van maagdarminfecties deel II.................................................................... 29
HC11 Infecties lever....................................................................................................................... 32
HC12 Liggingsveranderingen LH................................................................................................... 36
HC13 Koliek....................................................................................................................................40
HC14 MDV en andere liggingsveranderingen................................................................................ 43
HC15 Leveraandoeningen bij het paard.........................................................................................49
Werkcolleges.......................................................................................................................................54
WC01 Enzymatische vertering....................................................................................................... 54
WC02 Exocriene pancreasinsufficiëntie, pancreatitis en gal..........................................................57
WC03 Fermentatie en tympanie.....................................................................................................62
WC04 Histologie en macroscopie reactiepatronen lever............................................................... 67
WC05 Icterus en cholestase.......................................................................................................... 72
WC06 Virale darminfecties............................................................................................................. 77
WC07 Parasitaire infecties in het maagdarmkanaal...................................................................... 81
WC08 Bacteriële dunne darminfecties........................................................................................... 91
WC09 Bacteriële dikke darminfecties.............................................................................................98
WC10 Overkoepelend werkcollege: diarree................................................................................. 105
WC11 Infecties lever.....................................................................................................................112
WC12 Liggingsveranderingen LH................................................................................................ 121
WC13 Koliek.................................................................................................................................127
WC14 MDV en andere liggingsveranderingen............................................................................. 134
WC15 PSS/encefalopathie........................................................................................................... 140
MTE’s..................................................................................................................................................147
MTE 1 Farmacologie beïnvloeding van de maag......................................................................... 147
MTE 2 PR/e-module pensvloeistof.................................................................................149
MTE 3 PR/e-module integratie MD-kanaal...................................................................................152
MTE 4 Zelfstudiemodule Biotransformatie en (de)toxificatie........................................................ 154
Ziekteleer........................................................................................................................................... 160
Lever en galwegen....................................................................................................................... 160
Digestie.........................................................................................................................................174
,Hoorcolleges
HC01 Introductie en secreties
- Een mens produceert ca. 7 L secreet per dag. Bij een rund is dit 100-200 L/dag.
- Secretie ontstaat voornamelijk in speekselklieren, maag, darmen, pancreas en lever.
Dit bestaat voornamelijk uit water, mucus, bicarbonaat en maagzuur.
- Secretie bestaat uit 3 fase:
1. cephale fase → voorbereiding op voedsel dat gaat komen
2. gastrische fase → voedsel bevindt zich in de maag
3. intestinale fase → voedsel bevindt zich in de darmen
- Speeksel:
● mucines vormen mucus bij menging met water
○ zacht maken van voedsel
● enzymen:
○ lysozyme → antibacterieel effect
○ vertering is leeftijd- en diersoortafhankelijk
○ amylase alleen bij mens en varken
● ionen
○ pH regulatie, vooral door aanwezigheid van
buffers (o.a. bicarbonaat)
○ samenstelling is diersoortafhankelijk
- Speeksel is bij productie isotoon, door productie in acini uit
bloed, en wordt vervolgens hypotoon bij afvoer via ductuli.
- Bij hoge speekselvloed is het hypotoon maken van speeksel moeilijker.
- Speekselsecretie in een ductuscel:
● luminale zijde: Na+ en K+ worden uitgescheiden voor H+ de cel in en HCO3- en
Cl- voor HCO3- naar het lumen toe.
● basale zijde: actieve Na+/K+-ATPase en een Cl--kanaaltje
- De nervus vagus stimuleert de speekselsecretie.
- Maagsap:
● HCl → denaturatie van eiwitten (zodat pepsine erbij kan) en onschadelijk
maken van micro-organisme.
● Pepsinogeen → inactief proenzym, wordt bij lage pH pepsine, zorgt voor
afbraak van eiwitten
● Alkalisch slijm → mucus met bicarbonaat, zorgt voor bescherming van de
maagwand tegen de lage pH van het lumen
● water (vanwege osmotische gradiënt)
● ionen (o.a. Na+ en K+, voor transporters)
- Maagsapsecretie in pariëtale cellen:
● luminale zijde: uitscheiding van HCl d.m.v. H+/K+-ATPase
● basale zijde: Cl-/HCO3--uitwisselaar
● in de cel: koolzuuranhydrase
- De maag wordt zowel via neurale reflex (nervus vagus), humoraal effect (endocriene
en paracriene hormonen) en het ENS geïnnerveerd.
1
,- Neurohumorale regulatie van de maag:
● neuraal
○ ENS (mechano- en chemoreceptoren) → stimulatie
○ Parasympathicus, N. vagus (ACh) → stimulatie
● endocrien
○ gastrine uit G-cellen met afgifte in de maag / het duodenum →
stimulatie
● paracrien (lokale invloed)
○ histamine uit ECL-cellen met afgifte in de maag → stimulatie
(krachtigste stimulator voor HCl secretie)
○ somatostatine door deltacellen met afgifte in de maag → remming
- Stimuli voor afgifte:
● gastrine → hoge pH, aminozuren, peptiden en ACh
● histamine → gastrine en ACh (vagus)
● somatostatine → lage pH, gastrine, entoergastronen, ENS
- Cephale fase:
● stimulus: denken aan, zien, ruiken en proeven van voedsel
● N. vagus innerveert pariëtale cellen en G-cellen
● ACh en gastrine stimuleren productie van histamine door ECL cellen
- Gastrische fase:
● stimulus: rek maagwand
● vagovagale reflex + ENS → innervatie van pariëtale cellen en G-cellen
● stimulus: aminozuren, peptide door eiwitspliting door pepsine
● stimulatie van G-cellen door feedforward reflex
- Intestinale fase:
● stimulus: aminozuren en peptiden in chymus in darm → stimulatie van
G-cellen in de darm (productie van darm-specifiek gastrine, werkt langer).
● stimulus: aminozuren en peptiden in het bloed → stimulatie pariëtale cellen
- Regulatie pariëtale cel:
● ACh-M3 met ACh van Nervus vagus (stimulatie)
● CCK met gastrine (stimulatie)
● H2-receptor met histamine (stimulatie)
● ST2-receptor met somatostatine (remming)
- Ze werken in op de protonpomp aan de luminale zijde van de pariëtale cel.
- Enterogastronen → hormonen die door darmcellen worden gemaakt en
maagzuursecretie remmen, via stimulering van D-cellen die somatostatine maken.
- Gastroduodenale coördinatie is voor het voorkomen van maag- en
duodenumzweren:
● door ENS
● door enterogastron werking van secretine, GIP en CCK
- Secretine → enzym afgegeven door S-cellen in het duodenum bij een lage pH.
● remming van zuursecretie en lediging van de maag
● stimulatie van bicarbonaat secretie
- GIP → gastric inhibitory polypeptide, afgegeven door K-cellen in het
duodenum/jejunum bij aanwezigheid van koolhydraten of vetzuren.
● remming van zuursecretie en lediging van de maag
2
, - CCK → cholecystokinine, afgegeven door I-cellen in duodenum/jejunum bij
aanwezigheid van vetten of eiwitten.
● remming van zuursecretie en lediging van de maag
- De pancreas:
● endocrien deel → eilandjes van Langerhans (ca. 2%)
○ alfa (glucagon), beta (insuline) en delta (somatostatine) cellen
● exocrien deel (ca. 85%)
○ acini → acinaire cellen (zymogeen)
○ afvoergangen → ductus cellen (bicarbonaat en water)
- Pancreassap:
● enzymen → proteasen gesecerneerd als pro-enzymen
○ secretie → acinaire cellen
○ functie → afbraak van eiwitten, koolhydraten en vetten
● HCO3- (en water)
○ secretie → ductuscellen
○ functie → bescherming tegen lage pH in het lumen (buffer)
- Uitscheiding van pancreassap in ductuscel:
● luminale zijde: Cl-/HCO3--uitwisselaar en Cl--kanaaltjes
● basale zijde: Na+/K+-ATPase, Na+/H+-uitwisselaar en K+-kanaaltjes
● in de cel: koolzuuranhydrase
- Neurohumorale regulatie van pancreassapsecretie:
● neuraal
○ parasympathicus, N. vagus
○ ENS
● endocrien
○ secretine → stimulatie ductucscel (HCO3-)
○ CCK → stimulatie acinaire cel (pro-enzymen)
- Galzuren → zouten via synthese uit cholesterol, uitgescheiden als Na+ zouten voor
emulgatie van vetten.
● gal wordt via de poortader bijna volledig opgenomen
- Regulatie van galsecretie:
● endocrien
○ CCK → stimulatie van galblaaslediging en stimulatie relaxatie van
Sfincter van Oddi
○ secretine → stimulatie galgang epitheel tot water en HCO3- secretie
3
Nora Lemmens, 146652
Inhoudsopgave
Hoorcolleges......................................................................................................................................... 1
HC01 Introductie en secreties.......................................................................................................... 1
HC02 Enzymatische vertering & gal.................................................................................................4
HC03 Fermentatie............................................................................................................................ 5
HC04 Reactiepatronen lever............................................................................................................ 7
HC05 Biotransformatie en (de)toxificatie........................................................................................10
HC06 Functies van de lever - pathofysiologische mechanisme..................................................... 13
HC07 Aandoeningen van parenchym, galwegen en circulatie van gezelschapsdieren................. 17
HC08 Niet-infectieuze leveraandoeningen..................................................................................... 23
HC09 Pathofysiologie van maagdarminfecties deel I..................................................................... 26
HC10 Pathofysiologie van maagdarminfecties deel II.................................................................... 29
HC11 Infecties lever....................................................................................................................... 32
HC12 Liggingsveranderingen LH................................................................................................... 36
HC13 Koliek....................................................................................................................................40
HC14 MDV en andere liggingsveranderingen................................................................................ 43
HC15 Leveraandoeningen bij het paard.........................................................................................49
Werkcolleges.......................................................................................................................................54
WC01 Enzymatische vertering....................................................................................................... 54
WC02 Exocriene pancreasinsufficiëntie, pancreatitis en gal..........................................................57
WC03 Fermentatie en tympanie.....................................................................................................62
WC04 Histologie en macroscopie reactiepatronen lever............................................................... 67
WC05 Icterus en cholestase.......................................................................................................... 72
WC06 Virale darminfecties............................................................................................................. 77
WC07 Parasitaire infecties in het maagdarmkanaal...................................................................... 81
WC08 Bacteriële dunne darminfecties........................................................................................... 91
WC09 Bacteriële dikke darminfecties.............................................................................................98
WC10 Overkoepelend werkcollege: diarree................................................................................. 105
WC11 Infecties lever.....................................................................................................................112
WC12 Liggingsveranderingen LH................................................................................................ 121
WC13 Koliek.................................................................................................................................127
WC14 MDV en andere liggingsveranderingen............................................................................. 134
WC15 PSS/encefalopathie........................................................................................................... 140
MTE’s..................................................................................................................................................147
MTE 1 Farmacologie beïnvloeding van de maag......................................................................... 147
MTE 2 PR/e-module pensvloeistof.................................................................................149
MTE 3 PR/e-module integratie MD-kanaal...................................................................................152
MTE 4 Zelfstudiemodule Biotransformatie en (de)toxificatie........................................................ 154
Ziekteleer........................................................................................................................................... 160
Lever en galwegen....................................................................................................................... 160
Digestie.........................................................................................................................................174
,Hoorcolleges
HC01 Introductie en secreties
- Een mens produceert ca. 7 L secreet per dag. Bij een rund is dit 100-200 L/dag.
- Secretie ontstaat voornamelijk in speekselklieren, maag, darmen, pancreas en lever.
Dit bestaat voornamelijk uit water, mucus, bicarbonaat en maagzuur.
- Secretie bestaat uit 3 fase:
1. cephale fase → voorbereiding op voedsel dat gaat komen
2. gastrische fase → voedsel bevindt zich in de maag
3. intestinale fase → voedsel bevindt zich in de darmen
- Speeksel:
● mucines vormen mucus bij menging met water
○ zacht maken van voedsel
● enzymen:
○ lysozyme → antibacterieel effect
○ vertering is leeftijd- en diersoortafhankelijk
○ amylase alleen bij mens en varken
● ionen
○ pH regulatie, vooral door aanwezigheid van
buffers (o.a. bicarbonaat)
○ samenstelling is diersoortafhankelijk
- Speeksel is bij productie isotoon, door productie in acini uit
bloed, en wordt vervolgens hypotoon bij afvoer via ductuli.
- Bij hoge speekselvloed is het hypotoon maken van speeksel moeilijker.
- Speekselsecretie in een ductuscel:
● luminale zijde: Na+ en K+ worden uitgescheiden voor H+ de cel in en HCO3- en
Cl- voor HCO3- naar het lumen toe.
● basale zijde: actieve Na+/K+-ATPase en een Cl--kanaaltje
- De nervus vagus stimuleert de speekselsecretie.
- Maagsap:
● HCl → denaturatie van eiwitten (zodat pepsine erbij kan) en onschadelijk
maken van micro-organisme.
● Pepsinogeen → inactief proenzym, wordt bij lage pH pepsine, zorgt voor
afbraak van eiwitten
● Alkalisch slijm → mucus met bicarbonaat, zorgt voor bescherming van de
maagwand tegen de lage pH van het lumen
● water (vanwege osmotische gradiënt)
● ionen (o.a. Na+ en K+, voor transporters)
- Maagsapsecretie in pariëtale cellen:
● luminale zijde: uitscheiding van HCl d.m.v. H+/K+-ATPase
● basale zijde: Cl-/HCO3--uitwisselaar
● in de cel: koolzuuranhydrase
- De maag wordt zowel via neurale reflex (nervus vagus), humoraal effect (endocriene
en paracriene hormonen) en het ENS geïnnerveerd.
1
,- Neurohumorale regulatie van de maag:
● neuraal
○ ENS (mechano- en chemoreceptoren) → stimulatie
○ Parasympathicus, N. vagus (ACh) → stimulatie
● endocrien
○ gastrine uit G-cellen met afgifte in de maag / het duodenum →
stimulatie
● paracrien (lokale invloed)
○ histamine uit ECL-cellen met afgifte in de maag → stimulatie
(krachtigste stimulator voor HCl secretie)
○ somatostatine door deltacellen met afgifte in de maag → remming
- Stimuli voor afgifte:
● gastrine → hoge pH, aminozuren, peptiden en ACh
● histamine → gastrine en ACh (vagus)
● somatostatine → lage pH, gastrine, entoergastronen, ENS
- Cephale fase:
● stimulus: denken aan, zien, ruiken en proeven van voedsel
● N. vagus innerveert pariëtale cellen en G-cellen
● ACh en gastrine stimuleren productie van histamine door ECL cellen
- Gastrische fase:
● stimulus: rek maagwand
● vagovagale reflex + ENS → innervatie van pariëtale cellen en G-cellen
● stimulus: aminozuren, peptide door eiwitspliting door pepsine
● stimulatie van G-cellen door feedforward reflex
- Intestinale fase:
● stimulus: aminozuren en peptiden in chymus in darm → stimulatie van
G-cellen in de darm (productie van darm-specifiek gastrine, werkt langer).
● stimulus: aminozuren en peptiden in het bloed → stimulatie pariëtale cellen
- Regulatie pariëtale cel:
● ACh-M3 met ACh van Nervus vagus (stimulatie)
● CCK met gastrine (stimulatie)
● H2-receptor met histamine (stimulatie)
● ST2-receptor met somatostatine (remming)
- Ze werken in op de protonpomp aan de luminale zijde van de pariëtale cel.
- Enterogastronen → hormonen die door darmcellen worden gemaakt en
maagzuursecretie remmen, via stimulering van D-cellen die somatostatine maken.
- Gastroduodenale coördinatie is voor het voorkomen van maag- en
duodenumzweren:
● door ENS
● door enterogastron werking van secretine, GIP en CCK
- Secretine → enzym afgegeven door S-cellen in het duodenum bij een lage pH.
● remming van zuursecretie en lediging van de maag
● stimulatie van bicarbonaat secretie
- GIP → gastric inhibitory polypeptide, afgegeven door K-cellen in het
duodenum/jejunum bij aanwezigheid van koolhydraten of vetzuren.
● remming van zuursecretie en lediging van de maag
2
, - CCK → cholecystokinine, afgegeven door I-cellen in duodenum/jejunum bij
aanwezigheid van vetten of eiwitten.
● remming van zuursecretie en lediging van de maag
- De pancreas:
● endocrien deel → eilandjes van Langerhans (ca. 2%)
○ alfa (glucagon), beta (insuline) en delta (somatostatine) cellen
● exocrien deel (ca. 85%)
○ acini → acinaire cellen (zymogeen)
○ afvoergangen → ductus cellen (bicarbonaat en water)
- Pancreassap:
● enzymen → proteasen gesecerneerd als pro-enzymen
○ secretie → acinaire cellen
○ functie → afbraak van eiwitten, koolhydraten en vetten
● HCO3- (en water)
○ secretie → ductuscellen
○ functie → bescherming tegen lage pH in het lumen (buffer)
- Uitscheiding van pancreassap in ductuscel:
● luminale zijde: Cl-/HCO3--uitwisselaar en Cl--kanaaltjes
● basale zijde: Na+/K+-ATPase, Na+/H+-uitwisselaar en K+-kanaaltjes
● in de cel: koolzuuranhydrase
- Neurohumorale regulatie van pancreassapsecretie:
● neuraal
○ parasympathicus, N. vagus
○ ENS
● endocrien
○ secretine → stimulatie ductucscel (HCO3-)
○ CCK → stimulatie acinaire cel (pro-enzymen)
- Galzuren → zouten via synthese uit cholesterol, uitgescheiden als Na+ zouten voor
emulgatie van vetten.
● gal wordt via de poortader bijna volledig opgenomen
- Regulatie van galsecretie:
● endocrien
○ CCK → stimulatie van galblaaslediging en stimulatie relaxatie van
Sfincter van Oddi
○ secretine → stimulatie galgang epitheel tot water en HCO3- secretie
3