Met dit document heb je een representatief formatief oefententamen in handen ter
voorbereiding op het tentamen van de cursus Inleiding en Geschiedenis van de Psychologie aan
Tilburg University. De toets is inhoudelijk opgesteld aan de hand van de verplichte
hoorcollegeslides, de werkgroepsessies en de voorgeschreven literatuur uit de cursus.
Geteste leerdoelen in dit oefententamen:
• Historische Figuren, Theorieën & Concepten: Het herkennen van bepalende denkers
(zoals Descartes of Skinner), stromingen (zoals dualisme en behaviorisme) en
kernbegrippen (zoals animal spirits of reinforcement), en ook het begrijpen van de
onderlinge relaties daartussen.
• Koppeling met Hedendaagse Vraagstukken: Het identificeren en duiden van de
verbanden tussen historische ontwikkelingen en moderne thema's binnen het
psychologische vakgebied.
• Historisch Redeneren & Debat: Het beredeneren welke standpunten en conclusies
historische figuren waarschijnlijk zouden innemen ten aanzien van klassieke en actuele
psychologische discussies.
• Reflectie op Bronmateriaal: Het kritisch reflecteren op geselecteerde historische
bronnen, teksten en materialen uit de geschiedenis van de psychologie.
Om jouw kennis zo realistisch mogelijk te testen, vind je helemaal op de laatste bladzijde de
complete antwoordsleutel. Voor de normering hanteren we een grens van 42 van de 60 punten,
wat neerkomt op een score van een 5,5 die wordt afgerond op een 6. Voor het beste
studieresultaat raad ik je aan om de vragen eerst achter elkaar te maken zonder de stof erbij te
pakken en pas na afloop je antwoorden te controleren met de sleutel. Mocht je vragen fout
hebben, zoek die specifieke onderwerpen dan direct terug in de slides of het boek en probeer
voor jezelf te beredeneren waarom het juiste antwoord klopt en waarom de overige drie opties
onjuist zijn.
Veel succes met het maken van de toets en met de verdere voorbereiding op het tentamen!
,1. Welke relatie bestaat er volgens René Descartes tussen de menselijke geest en het
fysieke lichaam?
A. Geest en lichaam zijn gescheiden substanties die via de pijnappelklier interactie hebben.
B. Het bewustzijn is een mechanisch bijproduct van de stroom van animal spirits door de
zenuwen.
C. De menselijke geest is een illusie die ontstaat uit de gecombineerde werking van sensaties.
2. Hoe verschilt het empirisme van John Locke fundamenteel van het rationalisme van
René Descartes?
A. Locke beargumenteerde dat ware kennis enkel via deductie ontstaat, terwijl Descartes
inductie benadrukte.
B. Locke stelt dat ideeën ontstaan door zintuiglijke ervaring, terwijl Descartes aangeboren
ideeën aanvaardt.
C. Locke ziet de menselijke geest als een actief orgaan, terwijl Descartes de geest beschouwt
als een blanco vel.
3. Welke conceptuele indeling van monaden formuleerde Gottfried Leibniz in zijn filosofie?
A. Sensitieve monaden sturen reflexen aan, vegetatieve monaden de groei, en rationele
monaden de wil.
B. Primaire monaden verwerken gewaarwordingen, secundaire monaden beelden, en supreme
monaden dromen.
C. Bare monaden bezitten slechts waarneming, sentient monaden bewustzijn, en rationale
monaden apperceptie.
4. Wat hield de "subtractieve methode" van F.C. Donders in voor het meten van mentale
processen?
A. Het verschil in reactietijd tussen een complexe en een eenvoudige taak weerspiegelt de
mentale verwerkingstijd.
B. De tijd die spieren nodig hebben om te bewegen wordt afgetrokken van de totale tijd om de
wilstijd te bepalen.
C. De duur van fysieke prikkeloverdracht via zenuwen wordt afgetrokken van de perifere
reactietijd van de proefpersoon.
, 5. Hoe verhoudt de "wet van effect" van Thorndike zich tot de "operante conditionering"
van Skinner?
A. Thorndike richtte zich op onbewuste reflexen, terwijl Skinner beweerde dat gedrag enkel
ontstaat door vermijding.
B. Beiden benadrukken dat gedrag verandert door de consequenties die op het uitgevoerde
gedrag volgen.
C. Beide theorieën stellen dat leersucces afhangt van de innerlijke motivatie en de
behoeftenhiërarchie van het dier.
6. Welk onderscheid maakte Aristoteles tussen de verschillende soorten zielen in levende
organismen?
A. Sensitieve zielen sturen reflexen aan, rationele zielen de dromen, en spirituele zielen het
moraal.
B. Primaire zielen verwerken sensaties, secundaire zielen beelden, en cognitieve zielen de
logica.
C. Vegetatieve zielen voeden, sensitieve zielen nemen waar en leren, en rationele zielen kunnen
redeneren.
7. Wat verklaart de James-Lange theorie over het ontstaan van menselijke emoties?
A. Een emotie is het directe bewuste gevolg van een voorafgaande fysiologische reactie op een
prikkel.
B. Een lichamelijke reactie ontstaat pas nadat het verstand de emotionele betekenis van een
situatie begrijpt.
C. Emoties en fysiologische verschijnselen ontstaan gelijktijdig maar volledig onafhankelijk van
elkaar.
8. Wat is het belangrijkste verschil tussen klassieke (Pavloviaanse) en operante
(Skinneriaanse) conditionering?
A. Klassieke conditionering gebruikt enkel beloningen, terwijl operante conditionering
uitsluitend straf hanteert.
B. Bij klassieke conditionering lokt de stimulus de respons uit; bij operante bepalen
consequenties de responsfrequentie.
C. Bij klassieke conditionering leert een organisme via inzicht; bij operante conditionering via
associaties.