EXAMENBUNDEL
Psychodiagnostiek bij jonge kinderen
Les 5 · Psychodiagnostiek 3 SPP
Kern van de les: Kwaliteitsvolle diagnostiek bij jonge kinderen is holistisch, ontwikkelingsgericht,
contextueel, multi-informant en bij voorkeur gebaseerd op meerdere meetmomenten.
Doel: begrijpen, toepassen op casussen en gericht kunnen antwoorden op open examenvragen.
Pagina 1
,PSYCHODIAGNOSTIEK 3 SPP · LES 5
1. Wat moet je voor het examen kennen?
Zeker kennen: De kernprincipes van diagnostiek bij jonge kinderen, doel en verloop van het anamnestisch
interview, de inhoud van de tien ontwikkelingsdomeinen, de functie en beperking van de Wegwijzer
Ontwikkelingszorgen en de kwaliteitscriteria voor ADHD- en ASS-diagnostiek.
Kunnen uitleggen waarom jonge kinderen een specifieke diagnostische aanpak vragen.
De begrippen holistisch, intra-individueel, inter-individueel, vertraagd, afwijkend, divergent
profiel, expressieve/receptieve taal, grove/fijne motoriek, ADL, sensorische informatieverwerking
en SOLK juist gebruiken.
Het anamnestisch interview kunnen situeren, opbouwen en onderscheiden van tests en
gedragsvragenlijsten.
De tien ontwikkelingsdomeinen kunnen benoemen en per domein weten welke thema’s je
bevraagt.
Kunnen beargumenteren waarom één meetmoment en één informatiebron meestal onvoldoende
zijn.
De Wegwijzer Ontwikkelingszorgen kunnen uitleggen: doel, doelgroep, inhoud, inzet en
beperkingen.
De reportage “De jacht op labels” kritisch kunnen analyseren aan de hand van richtlijnen voor
kwaliteitsvolle diagnostiek.
Kunnen uitleggen waarom EEG geen aanbevolen individueel diagnostisch instrument voor ADHD
is.
De spanning kunnen bespreken tussen labels, toegang tot ondersteuning, wachtlijsten, kosten en
zorgkwaliteit.
Niet letterlijk memoriseren: De voorbeeldvragen op de dia’s hoeven niet woordelijk van buiten te worden
geleerd. Je moet wél per ontwikkelingsdomein weten waarop je focust. Ook de Wegwijzer zelf hoef je niet
uit het hoofd te leren; ken waarvoor en wanneer je hem inzet.
Pagina 2
, PSYCHODIAGNOSTIEK 3 SPP · LES 5
2. Psychodiagnostiek bij jonge kinderen
2.1 Waarom is deze doelgroep bijzonder?
Psychodiagnostiek bij kinderen van ongeveer 0 tot 6 à 7 jaar vraagt een specifieke expertise. Hun
functioneren verandert snel, ontwikkelingsdomeinen beïnvloeden elkaar sterk en jonge kinderen
kunnen hun ervaringen nog maar beperkt verwoorden. De diagnosticus moet daarom niet alleen meten,
maar ook observeren, contextinformatie verzamelen en ontwikkeling in de tijd volgen.
Kenmerk Betekenis voor diagnostiek
Taal, motoriek, cognitie, emotie, sociaal gedrag, lichamelijk functioneren en context mogen
Domeinen zijn verweven
niet los van elkaar worden geïnterpreteerd.
Er bestaan verschillen binnen één kind én tussen kinderen. Een momentopname kan snel
Ontwikkeling is variabel
achterhaald zijn.
Ontwikkeling verloopt Groeispurten worden afgewisseld met tragere periodes of consolidatie. Later zijn dan een
niet lineair leeftijdsgenoot is niet automatisch pathologisch.
Nature en nurture werken voortdurend op elkaar in. Gezinsfunctioneren, stimulering,
Sterke omgevingsinvloed
veiligheid, gezondheid, school en opvang kleuren het beeld.
Beperkte zelfrapportage Observatie en informatie van ouders, verzorgers en school zijn extra belangrijk.
De diagnosticus moet ontwikkelingspsychologie kennen om normale, vertraagde en
Normale variatie is groot
afwijkende ontwikkeling te onderscheiden.
2.2 Holistische en transactionele blik
Een holistische benadering betekent dat je het kind als geheel onderzoekt en verbanden zoekt tussen de
verschillende ontwikkelingsdomeinen en contexten. Ontwikkeling ontstaat uit een voortdurende
wisselwerking tussen biologische aanleg (nature) en omgeving (nurture).
Voorbeeld taal: een beperkte woordenschat kan samenhangen met een
taalontwikkelingsprobleem, gehoorproblemen, algemene cognitieve mogelijkheden,
meertaligheid, beperkt taalaanbod of een combinatie daarvan.
Voorbeeld gedrag: druk gedrag kan wijzen op aandachtsproblemen, maar ook op overprikkeling,
slaaptekort, spanning, onvoldoende taakafstemming of een onrustige context.
Voorbeeld motoriek: zwakke prestaties kunnen een motorische stoornis weerspiegelen, maar ook
weinig oefenkansen, angst, vermoeidheid of ouders die taken snel overnemen.
Pagina 3