Samenvatting OZP 1
Week 1: Inleiding in onderzoek, observatiemethoden, zelfrapportage en
ethiek
Literatuur
IRM: Appendix 1
Response bias omschrijft omstandigheden of factoren die respondenten ertoe
aanzetten om foute antwoorden te geven. Verschillende soorten response
biases:
o Halo-effect: Dit treedt op wanneer respondenten gevraagd wordt om te
oordelen over een persoon die ze niet kennen, maar waar ze wel een
negatieve/positieve kenmerk van weten. Dit kenmerk wordt dan
gegeneraliseerd over zijn/haar gehele persoonlijkheid (bijv. aantrekkelijk -
> lief/aardig).
o Leniency bias: Dit treedt op wanneer respondenten dichtbij de
beoordeelde persoon staan of zichzelf met diegene kunnen identificieren.
Hierdoor kan diegene minder/niet negatief beoordeeld worden. Dit kan
voorkomen worden door antwoorden binnen een schaal te weergeven.
o Logische fout: Dit treedt op wanneer de respondent zijn/haar
antwoorden baseert op voorgaande antwoorden. Dit kan voorkomen
worden door vragen duidelijk te definiëren.
o Central tendency: Wanneer de respondent voor de middelste
antwoorden kiest bij een schaal, omdat hij/zij de uitersten te extreem
vindt.
o Ceiling effect: Wanneer een test die bedoeld is om ontwikkeling te
meten te makkelijk is.
o Floor effect: Wanneer de eerste test een negatief kenmerk meet,
waardoor alle respondenten slecht scoren.
o Yeah- of nay saying: Dit treedt op wanneer mensen bij een schaal
voornamelijk de hoogste/laagste optie kiezen. Yeah-sayers durven geen
nee te zeggen en kiezen dus alleen ja. Ney-sayers nemen de test niet
serieus. Dit kan je evt. voorkomen door vragen positief en negatief te
formuleren.
o Sociaal wenselijke antwoorden: Respondenten geven antwoord aan de
hand van wat ze denken dat de onderzoeker wil horen. Dit kan voorkomen
worden door bijv. de anonimiteit te waarborgen.
IRM: Hoofdstuk 1
Er zijn 3 criteria waaraan wetenschappelijk onderzoek moet voldoen:
1. Systematisch empirisme
Het empirisme houdt in dat je op basis van observaties conclusies trekt, ipv
verwachtingen en gedachtes. Dit moet systematisch gebeuren, zodat de
, observaties van verschillende mensen hetzelfde zijn. Dit gebeurt via de
empirische cyclus en deze bestaat uit vijf verschillende processen:
1. Observatie: Initiële observatie die leidt tot een vraag.
2. Inductie: Van observatie(s) naar algemene theorie (Als…, Dan …).
3. Deductie: Van theorie naar toetsbare hypothese (Conceptuele definitie ->
operationele definitie).
4. Toetsing: Het toetsen van de hypothese dmv onderzoek
(anaylyseren/verzamelen data)
5. Evaluatie: Evalueren op het onderzoek (Bevestigen de conclusies van het
onderzoek de algemene theorie? Of moet de theorie aangepast worden?
Was het onderzoek zuiver?)
2. Publieke verificatie: De methoden en resultaten moet beschikbaar zijn
voor anderen, zodat zij deze kunnen herhalen en opnieuw kunnen
bevestigen.
3. Oplosbare problemen: Onderzoeksvragen moeten toetsbaar en
oplosbaar zijn.
Er zijn 2 primaire types van onderzoek, bepaald door het doel van de
onderzoeker: fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek (basis
research & applied research). Fundamenteel onderzoek is bedoeld om
psychologische processen te begrijpen (bijv. hoe verloopt de ontwikkeling van
een kind?). Toegepast onderzoek is bedoeld om oplossingen te vinden. Hierin
wordt wetenschappelijke kennis gebruikt om de juiste keuze te maken (bijv.
Rekening houdend met de ontwikkeling, hoe kunnen we pesten op school
aanpakken?). Onder toegepast onderzoek valt ook evaluatieonderzoek waarbij
het effect op gedrag en de effectiviteit van sociale of institutionele programma’s
(interventies, wetten, nieuwe werknemer, etc.) wordt onderzocht. Toegepast
onderzoek leidt vaak tot nieuwe vragen/inzichten voor fundamenteel onderzoek.
Zoals eerder genoemd, is het type onderzoek bepaald door het doel van de
onderzoeker. Er zijn 3 verschillende doelen:
o Fenomenen/gedrag beschrijven
o Fenomenen/gedrag voorspellen
o Fenomenen/gedrag verklaren: bijv. causale verbanden leggen
Ook als je geen onderzoeker wilt worden, is het nuttig om kennis te hebben over
het doen van onderzoek. Ten eerste zorgt dir ervoor dat je kennis kan begrijpen
die relevant is voor jouw beroep, waardoor je op de hoogte kan blijven van het
nieuwste onderzoek. Ten tweede helpt het om alledaagse keuzes te maken,
omdat de wetenschap hier vaak argumenten voor geeft (vaccinaties, welke
auto/school). Ten derde leert het je om kritisch na te denken. Ten vierde doe je
meer kennis op over je vakgebied, omdat je er constant mee bezig bent.
De concepten ‘theorie’ en ‘model’ worden veel (door elkaar heen) gebruikt. Een
theorie bestaat uit een aantal proposities die de relatie uitlegt tussen
verschillende concepten. Een goede theorie moet aan een aantal voorwaarden
voldoen:
o Causale relatie: uitleggen hoe een variabele leidt tot een cognitieve,
lichamelijke of emotionele reactie.
o Duidelijk, logisch en consistent.
Week 1: Inleiding in onderzoek, observatiemethoden, zelfrapportage en
ethiek
Literatuur
IRM: Appendix 1
Response bias omschrijft omstandigheden of factoren die respondenten ertoe
aanzetten om foute antwoorden te geven. Verschillende soorten response
biases:
o Halo-effect: Dit treedt op wanneer respondenten gevraagd wordt om te
oordelen over een persoon die ze niet kennen, maar waar ze wel een
negatieve/positieve kenmerk van weten. Dit kenmerk wordt dan
gegeneraliseerd over zijn/haar gehele persoonlijkheid (bijv. aantrekkelijk -
> lief/aardig).
o Leniency bias: Dit treedt op wanneer respondenten dichtbij de
beoordeelde persoon staan of zichzelf met diegene kunnen identificieren.
Hierdoor kan diegene minder/niet negatief beoordeeld worden. Dit kan
voorkomen worden door antwoorden binnen een schaal te weergeven.
o Logische fout: Dit treedt op wanneer de respondent zijn/haar
antwoorden baseert op voorgaande antwoorden. Dit kan voorkomen
worden door vragen duidelijk te definiëren.
o Central tendency: Wanneer de respondent voor de middelste
antwoorden kiest bij een schaal, omdat hij/zij de uitersten te extreem
vindt.
o Ceiling effect: Wanneer een test die bedoeld is om ontwikkeling te
meten te makkelijk is.
o Floor effect: Wanneer de eerste test een negatief kenmerk meet,
waardoor alle respondenten slecht scoren.
o Yeah- of nay saying: Dit treedt op wanneer mensen bij een schaal
voornamelijk de hoogste/laagste optie kiezen. Yeah-sayers durven geen
nee te zeggen en kiezen dus alleen ja. Ney-sayers nemen de test niet
serieus. Dit kan je evt. voorkomen door vragen positief en negatief te
formuleren.
o Sociaal wenselijke antwoorden: Respondenten geven antwoord aan de
hand van wat ze denken dat de onderzoeker wil horen. Dit kan voorkomen
worden door bijv. de anonimiteit te waarborgen.
IRM: Hoofdstuk 1
Er zijn 3 criteria waaraan wetenschappelijk onderzoek moet voldoen:
1. Systematisch empirisme
Het empirisme houdt in dat je op basis van observaties conclusies trekt, ipv
verwachtingen en gedachtes. Dit moet systematisch gebeuren, zodat de
, observaties van verschillende mensen hetzelfde zijn. Dit gebeurt via de
empirische cyclus en deze bestaat uit vijf verschillende processen:
1. Observatie: Initiële observatie die leidt tot een vraag.
2. Inductie: Van observatie(s) naar algemene theorie (Als…, Dan …).
3. Deductie: Van theorie naar toetsbare hypothese (Conceptuele definitie ->
operationele definitie).
4. Toetsing: Het toetsen van de hypothese dmv onderzoek
(anaylyseren/verzamelen data)
5. Evaluatie: Evalueren op het onderzoek (Bevestigen de conclusies van het
onderzoek de algemene theorie? Of moet de theorie aangepast worden?
Was het onderzoek zuiver?)
2. Publieke verificatie: De methoden en resultaten moet beschikbaar zijn
voor anderen, zodat zij deze kunnen herhalen en opnieuw kunnen
bevestigen.
3. Oplosbare problemen: Onderzoeksvragen moeten toetsbaar en
oplosbaar zijn.
Er zijn 2 primaire types van onderzoek, bepaald door het doel van de
onderzoeker: fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek (basis
research & applied research). Fundamenteel onderzoek is bedoeld om
psychologische processen te begrijpen (bijv. hoe verloopt de ontwikkeling van
een kind?). Toegepast onderzoek is bedoeld om oplossingen te vinden. Hierin
wordt wetenschappelijke kennis gebruikt om de juiste keuze te maken (bijv.
Rekening houdend met de ontwikkeling, hoe kunnen we pesten op school
aanpakken?). Onder toegepast onderzoek valt ook evaluatieonderzoek waarbij
het effect op gedrag en de effectiviteit van sociale of institutionele programma’s
(interventies, wetten, nieuwe werknemer, etc.) wordt onderzocht. Toegepast
onderzoek leidt vaak tot nieuwe vragen/inzichten voor fundamenteel onderzoek.
Zoals eerder genoemd, is het type onderzoek bepaald door het doel van de
onderzoeker. Er zijn 3 verschillende doelen:
o Fenomenen/gedrag beschrijven
o Fenomenen/gedrag voorspellen
o Fenomenen/gedrag verklaren: bijv. causale verbanden leggen
Ook als je geen onderzoeker wilt worden, is het nuttig om kennis te hebben over
het doen van onderzoek. Ten eerste zorgt dir ervoor dat je kennis kan begrijpen
die relevant is voor jouw beroep, waardoor je op de hoogte kan blijven van het
nieuwste onderzoek. Ten tweede helpt het om alledaagse keuzes te maken,
omdat de wetenschap hier vaak argumenten voor geeft (vaccinaties, welke
auto/school). Ten derde leert het je om kritisch na te denken. Ten vierde doe je
meer kennis op over je vakgebied, omdat je er constant mee bezig bent.
De concepten ‘theorie’ en ‘model’ worden veel (door elkaar heen) gebruikt. Een
theorie bestaat uit een aantal proposities die de relatie uitlegt tussen
verschillende concepten. Een goede theorie moet aan een aantal voorwaarden
voldoen:
o Causale relatie: uitleggen hoe een variabele leidt tot een cognitieve,
lichamelijke of emotionele reactie.
o Duidelijk, logisch en consistent.