1.1 – Wetenschapsfilosofie
Wetenschappelijke studies zijn altijd gebaseerd op onderliggende
aannames over de werkelijkheid en over hoe we kennis kunnen verkrijgen.
Deze aannames worden beschreven binnen de wetenschapsfilosofie en
bestaan uit twee kernbegrippen: ontologie en epistemologie. Ontologie
gaat over wat je veronderstelt dat de werkelijkheid is. Zo kun je
bijvoorbeeld aannemen dat er een objectieve realiteit bestaat (realisme),
dat waarheid afhankelijk is van perspectief (relativisme), of zelfs dat
alleen perceptie bestaat (idealisme). Deze keuzes hebben directe
gevolgen voor hoe je onderzoek doet. Als je uitgaat van een objectieve
werkelijkheid, ligt kwantitatief onderzoek en meten voor de hand. Als je
juist denkt dat betekenis per persoon verschilt, past kwalitatief onderzoek
beter omdat je dan dieper kunt ingaan op individuele ervaringen.
Daarnaast beïnvloeden ontologische keuzes ook hoe je constructen
conceptualiseert en meet. Zie je een psychologisch construct als iets dat
echt bestaat in de psyche, dan kun je het behandelen als een latente
variabele en werken met reflectieve meetmodellen en bijvoorbeeld
factoranalyse. Zie je een construct meer als een praktisch hulpmiddel of
als iets dat wordt opgebouwd uit verschillende onderdelen, dan past een
formatief model beter en veranderen ook de analysemogelijkheden. Een
recenter perspectief is het netwerkdenken, waarin psychologische
verschijnselen worden gezien als dynamische systemen van onderling
samenhangende elementen, zoals symptomen die elkaar beïnvloeden.
Epistemologie gaat over hoe we kennis over de wereld kunnen
verkrijgen. Waar scepticisme stelt dat echte kennis onmogelijk is, gaan de
meeste wetenschappers uit van empirisme (leren door observatie) of
rationalisme (leren door logisch nadenken). Een andere belangrijke
stroming is het sociaal constructivisme, dat stelt dat kennis ontstaat in
interactie tussen mensen. Deze epistemologische keuzes hangen vaak
samen met de gekozen onderzoeksmethoden: empirisme sluit vaak aan
bij experimenten en kwantitatief onderzoek, terwijl constructivisme vaker
leidt tot kwalitatieve methoden.
Omdat er geen objectief “juist” antwoord is op wat de werkelijkheid is of
hoe kennis ontstaat, blijven deze keuzes altijd deels subjectief. Toch zijn ze
cruciaal, omdat ze bepalen welke theorieën, methoden en analyses
passend zijn. Ook in een bachelorthesis, waar veel al vastligt, is het
belangrijk om bewust te zijn van deze onderliggende aannames en hun
implicaties voor het onderzoek.
1.2 – Methodologie
Zodra je je wetenschapsfilosofische positie hebt bepaald, vormt dit het
uitgangspunt voor het formuleren van onderzoeksvragen en eventueel
hypothesen. Deze keuzes hangen samen met de theorie die je gebruikt en
bepalen uiteindelijk welke onderzoeksmethode het meest geschikt is.
Afhankelijk van je vraagstelling kan dat bijvoorbeeld een kwalitatieve
studie, een experiment of een systematische review zijn. Welke methode
passend is, is niet willekeurig maar volgt logisch uit de combinatie van je
filosofische uitgangspunten, theorie en onderzoeksvraag.
PB9916-232714B – Bachelorthesis 1
, Het ontwikkelen van een onderzoek verloopt daarbij zelden lineair. In de
beginfase is het heel gebruikelijk dat je je uitgangspunten,
onderzoeksvragen en methoden meerdere keren bijstelt. Dit komt doordat
je gaandeweg meer inzicht krijgt uit literatuur, maar ook doordat je te
maken hebt met praktische beperkingen en de bredere context waarin
onderzoek plaatsvindt. Soms blijkt bijvoorbeeld dat een bepaalde
onderzoeksvraag methodologisch niet haalbaar is, of dat een
meetinstrument niet geschikt is voor de doelgroep. In zulke gevallen moet
je je onderzoek aanpassen naar iets dat wel uitvoerbaar is, zoals het
onderzoeken van de validiteit van een meetinstrument in plaats van een
complex causaal effect.
Dit iteratieve proces is een normaal en essentieel onderdeel van
wetenschappelijk onderzoek. Veel onderzoek richt zich zelfs op het
creëren van de juiste voorwaarden om andere vragen goed te kunnen
beantwoorden. Uiteindelijk is het belangrijk dat het onderzoek zorgvuldig
wordt opgezet en voldoet aan de geldende richtlijnen voor
wetenschappelijke integriteit.
Binnen de bachelorthesis ligt de methode vaak al grotendeels vast,
waardoor je dit iteratieve proces minder zelf doorloopt. Toch blijft het
belangrijk om inzicht te hebben in hoe wetenschapsfilosofische
aannames, theorie, onderzoeksvragen en methoden met elkaar
samenhangen en elkaar beïnvloeden.
1.3 – Wetenschappelijke integriteit
Wetenschap vindt plaats binnen wetenschapsfilosofische kaders,
theoretische kaders, kaders die volgen uit de onderzoeksvraag, en de
kaders van de onderzoeksvraag of hypothese. Daarnaast zijn er ook de
richtlijnen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit
en de geldende wetgeving.
Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI), die
beschrijft hoe wetenschappers zorgvuldig en verantwoord te werk moeten
gaan. Centraal hierin staan vijf principes: zorgvuldigheid,
onafhankelijkheid, verantwoordelijkheid, eerlijkheid en transparantie.
Deze principes komen terug in concrete werkwijzen, zoals het nauwkeurig
omgaan met data, het vermijden van bias en belangenverstrengeling, het
realistisch interpreteren van resultaten, het kritisch blijven op je eigen
aannames en het zo open mogelijk delen van onderzoeksgegevens en -
materialen.
Wetenschappelijke integriteit vraagt dus niet alleen om het volgen van
regels, maar om een houding waarin onderzoekers actief proberen zichzelf
niet te misleiden en bewust omgaan met de impact van hun werk. Dit
betekent bijvoorbeeld ook dat je soms afziet van een bepaalde
onderzoeksvraag als die methodologisch niet verantwoord te
beantwoorden is.
Daarnaast spelen ook juridische kaders een belangrijke rol. Zo stelt de
AVG eisen aan het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens, en
moet onderzoek met mensen altijd ethisch worden getoetst. In Nederland
gebeurt dit vaak via een ethische commissie, zoals de cETO, die
beoordeelt of een studie verantwoord is en of de belasting voor
deelnemers in verhouding staat tot de opbrengst. Bij medisch-
PB9916-232714B – Bachelorthesis 2