INLEIDING
Psychologie vs pedagogie
- Psychologie → menselijk gedrag staat centraal
- Pedagogie → opvoeding, onderwijs en vorming staan centraal. Focus op hoe
ontwikkelings-, opvoedings- en leerprocessen verlopen
Het menselijk gedrag in de context van opvoeding en omgeving
1. BEGRIPSOMSCHRIJVING
DEFINITIE VAN ‘OPVOEDEN’
DEFINITIE HELLINCKX
- Opvoeden = complex fenomeen
- Kern van opvoeden = samenleven
- Veelvuldige interacties
- Opvoeder
o Gedurende langere tijd
o Dagelijks
o Met een kind samenleeft
o Zich verantwoordelijk weet/voelt voor de toekomst van het kind
DEFINITIE VAN OPVOEDEN
Functionele vs intentionele opvoeding Als je iets zegt over opvoeding → kijken
naar wat gebeurt tussen volwassen en het
kind. Enkel naar volwassene of invloed op
Impliciete vs expliciete sturing het kind te kijken, heeft geen zin. actie –
Opvoeding = complex proces reactie
- Functionele: heel stuk van interacties ouder – kind gebeurt onbewust
- Intentioneel (20%): bewust iets aanleren
Opvoeden is
- Complementair: er is geen opvoeding zonder kind- en ouderkant
- Circulair: wederzijdse beïnvloeding = interdependente asymmetrie
o Ouders beïnvloedt kind, kind beïnvloedt ouders. Ouders > kind
o Hulpverlener kijkt niet naar schuldvraag, maar hoe gebeurt het beïnvloeden
- Multifactorieel: ≠ beïnvloedende factoren: interventies ouder, kind is actief en
opvoedingscontext (leefklimaat)
,OPVOEDING ALS WETENSCHAP: VARIABELEN
HET KIND
- Temperamentkenmerken De aard/eigenheid van het kind
o Genetische factoren
o Neurobiologische invloeden
o Pre-, peri- en postnatale invloeden De manier waarop het kind reageert op
- Fysieke kenmerken
o Lichamelijke conditie
o Geslacht De pedagogische aanpak van ouders
o Leeftijd
DE OPVOEDER OF OUDER
- Persoonlijkheidskenmerken van de ouder
o Temperament en persoonlijkheid (cognitief, affectief, sociaal, …)
o Leeftijd
o Gezondheid (lichamelijk, mentaal)
o Eventuele psychische stoornissen
- Opvoedingsgeschiedenis
o Direct: repliceren ↔ anders handelen
▪ Intergenerationele overdracht: patronen eigen jeugd voortzetten
▪ Pedagogisch besef: hoe ouders betekenis geven aan gedrag van kind en
hun eigen handelen daarnaar richten en vormgeven (Baartman)
▪ Belangenconflict: belang kind vs belang ouder
o Indirect: via persoonlijkheid
Manier waarop ouder opvoedingssituatie vorm geeft
DE OPVOEDINGSCONTEXT (HELLINCKX)
SUBSYSTEEM EN GEZINSKENMERKEN
Subsysteemkenmerken
- Partnerrelatie als buffer (of niet!)
- Siblings: aantal kinderen, plaats in kinderrij
,Algemene gezinskenmerken
- Gezinsorganisatie
o Afgrenzingsprocessen binnen gezin
▪ Ruimtelijk territorium: ruimte waarin gezinsleden k terugtrekken
▪ Psychisch territorium: mate waarin gevoelens, gedachten en meningen
van gezinsleden geaccepteerd worden
▪ Handelingsterrein: mate waarin gezinslid zelfstandig k handelen
2 gezinstypes
Kluwen continuüm Los zand
Eigen microkosmos, Hotelsfeer, ieder leidt zijn eigen leven
Alles samen doen, geen eigen Zelfstandig
territorium, veel gezinsregels Minder bescherming, ondersteuning
Weinig grenzen tussen generaties en loyaliteit
Zien door zelfde bril, ‘in’ en ‘met’
gezin, loskomen bemoeilijkt
o Alliantie- en coalitiestructuren
▪ Alliantie: verbonden door gedeelde interesses
▪ Coalitie: samenspannen tegen ander gezinslid
▪ Triangulatie: kind komt tussen 2 opvoeders en moet kant kiezen
▪ Stabiele opvoeder-kind coalitie: kind-opvoeder tegen andere opvoeder
• Detouring: ouders >< kind
• Zondebokpositie
▪ Parentificatie (ouderrol door kind)
- Gezinscultuur
o Onzichtbare leider voor gezinsorganisatie
o “kader van opvattingen, expressieve symbolen en waarden, in termen
waarvan gezinsleden hun situatie, zichzelf en hun onderlinge betrekkingen
definiëren, hun gevoelens uitdrukken en hun mening geven”
- Gezinsdynamiek
o De motor
o Mogelijks opvoedingsproblemen bij
▪ Te veel zelfregulatie, maar ook bij te weinig zelfregulatie
DE MATERIËLE EN SOCIALE CONTEXT
- Materiële mogelijkheden (financiële status, huisvesting, inrichting huis, speelgoed, …)
- Familiale omgeving, buurt en familiekring
- Omgeving (huisarts, school, kerk/moskee, gerecht, andere hulpverleners)
Steunend netwerk versterkt draagkracht van ouders
, OPVOEDINGSMODELLEN
ECOLOGISCH MODEL – BRONFENBRENNER
- Wederzijdse beïnvloeding → bidirectionele processen → ouders ↔ kinderen
- Focus op omgeving
- Verschillende lagen die met elkaar interageren
o Microsysteem: structuren waarmee kind
direct in contact staat
Vb. gezin, school, buurt, kinderopvang
o Mesosysteem: relaties tussen structuren
op microniveau
Vb. relaties ouder met
onthaalmoeder/leerkrachten/buren
o Exosysteem: situaties waarin het kind
niet aanwezig is, maar wel van invloed kan
zijn op situaties waarin kind wel aanwezig is
Vb. buren, verdere familie, werkplek, K&G, …
o Macrosysteem: cultuur en subcultuur
o Chronosysteem: tijdslijn
▪ Extern: geboorte broer/zus
▪ Intern: veranderingen vanwege ontwikkelingsprocessen
▪ Relaties tussen lagen in tijd verlopen (veranderen, constant blijven, …)
PROCESMODEL – BELSKY
Onderzoek: waarom wordt in sommige gezinnen tot kindermishandeling overgegaan, en in
andere gezinnen niet → waarom handelt ene ouder adequaat, en andere niet ondanks zelfde
stressfactoren, welke factoren spelen daar een rol in
Belsky maakt rangorde in 3 variabelen v opvoeding; ouder, kind, context
Ouders met opvoedingsgeschiedenis en PHkenmerken + context bepaalt
opvoedkundig handelen
Eerst invloed ouders, dan context, dan kindkenmerken