HR 3 maart 1905, ECLI:NL:HR:1905:1 (Blaauboer/Berlips)
De persoonlijke verplichtingen van een goed gaan niet over op degene die dat goed onder
bijzondere titel verkrijgt. Persoonlijke rechten ten aanzien van een goed (in tegenstelling tot
verplichtingen), gaan wel over op de verkrijger van dat goed onder bijzondere titel. Dit wordt
dan ook wel een kwalitatief recht genoemd (zie art. 6:251 BW).
Blaauboer (makelaar), Berlips (verkoper). Onderscheid goederenrecht en vbrecht.
HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412 (Dépex/curatoren Bergel c.s.)
Voor de beantwoording van de vraag of apparatuur volgens verkeersopvatting onderdeel
uitmaakt van een gebouw, dient men te beoordelen of de apparatuur en het gebouw in
constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, dan wel of het gebouw in algemene
zin bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd (denk aan
leidingen, verlichting, verwarming, etc.). Het gaat hierbij niet om de vraag of het
productieproces dat in het gebouw wordt uitgeoefend zonder de desbetreffende apparatuur
kan worden voortgezet of niet.
Art. 3:4 lid 1 BW. Afstemmingscriterium. Incompleetheidscriterium.
HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin)
Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn, doordat het naar aard en inrichting
bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Hierbij is het niet van belang of het technisch
gezien mogelijk is om het gebouw te verplaatsen. Of een gebouw bestemd is om duurzaam
ter plaatse te blijven, hangt onder meer af van de bedoeling van de bouwer. Het met de
grond verenigd zijn kan dus een fysieke verbinding zijn, maar ook voortvloeien uit de
bestemming. Hierbij is van belang wat er voor derden kenbaar is. De Hoge Raad oordeelt
verder nog dat de verkeersopvattingen geen zelfstandige maatstaf zijn voor de vraag of een
zaak roerend of onroerend is. De verkeersopvattingen zijn echter wel een zelfstandig
criterium voor bepaling van de vraag of een zaak bestanddeel is van een andere zaak (zie
art. 3:4 BW)[1]. Dit kan wel meegenomen worden in de beslissing indien er discussie bestaat
of een zaak duurzaam of verenigd is.
HR: Wat is nu de kenbare bedoeling geweest van de bouwer van dit goed? Feitelijke
vaststelling of het kenbaar was wat de bedoeling was? Was het de bedoeling om die
duurzaam met de grond te verenigen of niet?
, HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (Landjepik I)
Art. 3:118 BW.
Op grond van het bepaalde in artikel 3:105 lid 1 BW krijgt degene die een goed bezit op het
tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit
wordt voltooid, dat goed, ook al is deze niet te goeder trouw. Uit artikel 3:107 BW volgt
(onder meer) dat bezit is het houden van een goed voor zichzelf.
Of iemand een goed al dan niet voor zichzelf houdt, wordt naar verkeersopvatting
beoordeeld, zo stelt artikel 3:108 BW.
De verjaringstermijn bedraagt (in beginsel) 20 jaar zegt artikel 3:306 BW en die termijn, zo
blijkt uit artikel 3:314 lid 1 BW, begint met aanvang van de dag, volgend op die waarop de
onmiddellijke opheffing van de strijdige toestand gevorderd kan worden.
Zoals de Hoge Raad in het arrest onder 3.3.2 overweegt noemt de wet, anders dan onder
het recht zoals dat gold tot 1992, als vereiste voor het bezit niet meer met zoveel woorden
dat het “niet dubbelzinnig” en “openbaar” is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat ook
naar het huidige recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip
“bezit” besloten liggen.
Vordering uit od (art. 6:162 BW) tegen verkrijger ex art. 3:105 BW
Schadevergoeding in natura ex art. 6:103 BW: teruggave van de grond door
eigendomsoverdracht. Vordering onderworpen aan verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW
(5 jaar na bekendheid met schade, anders 20 jaar); schade treedt in bij eigendomsverlies.
Als schadevergoeding in natura kunnen zij teruggave van de grond vorderen.
HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1785 (Glencore II)
→ Art. 3:4 lid 2. Grote aluminiumfabriek.
Zonder schade van betekenis dat aluminium kon worden losgemaakt. Als zonder schade is
is geen bestanddeel en dus apart zaak gebleven. Als wel schade dan bestanddeel
geworden.
1. lid 2: verbondenheid
a. met fysieke gevolgen (wet)
b. zonder fysieke gevolgen
i. Glencore II r.o. 3.3.2.
1. afscheiding zonder fysieke gevolgen van betekenis, weliswaar
technisch mogelijk, waar onevenredig veel inspanningen en/of
kosten zijn gemoeid.