samenvatting
Opleiding NTI Sociaal werk niveau 4
1
,Hoofstuk 1 Het werkveld
Geschiedenis participatiemaatschappij:
Aantal eeuwen geleden:
- De kerk hielp mensen.
- Mensen met psychische aandoening of verstandelijke beperking waren
ongeneeslijk ziek of gevaarlijk.
Tot 1950 (begin 20e eeuw)
- Mensen met verstandelijke beperking leefden in instelling ver van de
maatschappij.
Vanaf 1950 (eind 20e eeuw)
- Meer kennis over verstandelijke beperking en psychische aandoeningen.
- De kwetsbare mensen werden steeds meer gezien als mensen met
mogelijkheden in plaats van mensen met beperkingen. Mensen kregen de
kans om zich op hun eigen manier te ontwikkelen en deel te nemen aan de
maatschappij.
- Nederland ging van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij.
Verzorgingsstaat:
- Was Nederland na de Tweede Wereldoorlog (1945)
- Verantwoordelijkheid bij overheid voor welzijn burgers.
- Zorg was makkelijk toegankelijk. gevolg: mensen klopten ook aan als
het niet echt nodig was.
- Veel 24-uurs instellingen.
Participatiemaatschappij:
- Rond 1970 economische crisis zorg werd te duur kritischer kijken
bezuinigingen.
- Cliënten gestimuleerd om langer thuis te blijven wonen ipv instelling. Er
werd steeds minder zorg geboden.
- Sociaal werk werd belangrijk: ze konden mensen helpen om met zo min
mogelijk specialistische zorg zo zelfstandig mogelijk te leven.
- Participatiemaatschappij ontstaan door bezuinigingen maar ook door
overtuiging dat elk mens iets kan bijdragen aan de maatschappij.
Participatiewet (2015):
- Doel: zo veel mogelijk mensen activeren naar betaald werk.
- Voor mensen die wel kunnen werken, maar wel ondersteuning nodig
hebben.
2
, - Mensen met bijstandsuitkering hebben recht op ondersteuning bij het
vinden van een baan.
- In deze wet staan alle rechten en plichten over het krijgen en behouden
van bijstandsuitkering.
- Als je niet kan werken, dan moet je zinvolle maatschappelijke activiteiten
verrichten, zoals vrijwilligerswerk.
Doelgroepen:
Jeugdigen: 0 tot18 jaar.
Adolescent: jeugdige of jongvolwassene op weg naar volwassenheid (tot en met
midden 20)
Ontwikkelingsfase
n:
Baby 0 tot 1 jaar
Dreumes 1 tot 2 jaar
Peuter 2 tot 4 jaar
Kleuter 4 tot 6 jaar
schoolkind 6 tot 10 jaar
Puber 10 tot 18 jaar
Volwassene 18 +
Ouderen/late 65+
volwassenheid
Vier soorten beperkingen: verstandelijke, lichamelijke, zintuigelijke en
meervoudige.
Verstandelijke beperking:
- Lagere intelligentie aangeduid met IQ lager dan 70. (normaal IQ is
tussen 90 en 110)
- Beperkt adaptief vermogen: aanpassingsvermogen aan bepaalde
omstandigheden.
- Bij verstandelijke beperking heeft volwassene het maximale niveau van
een twaalf jarige.
Meervoudige beperking:
- ‘gewone’ meervoudige beperking: mensen met matige verstandelijke
beperking in combinatie met ernstige lichamelijke beperking
- Meervoudige complexe handicap: ernstige verstandelijke beperking en
ernstige lichamelijke beperking
Zintuigelijke beperking:
- Auditieve beperking: doofheid
- Visuele beperking: blindheid
- Doofblindheid
Mensen met een migratieachtergrond:
3