Kennisclip 2: Hoe komen overeenkomsten tot stand?
Hoe komen overeenkomsten ook alweer tot stand? Dit is een korte recapitulatie van wat
eerder in de opleiding aan bod is gekomen.
Het vertrekpunt is de algemene regel die geldt voor de totstandkoming van
rechtshandelingen in het algemeen. Een overeenkomst is immers een meerzijdige
rechtshandeling. Als we willen weten hoe het met de totstandkomingsregels zit, moeten we
terug naar de basis: artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit artikel lezen we dat
een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist, die zich door een
verklaring heeft geopenbaard.
We hebben dus het volgende nodig:
1. Iemand die zijn wil vormt.
2. Die deze wil vervolgens ook verklaart.
3. Er moet sprake zijn van overeenstemming tussen die wil en de verklaring.
Dit vereiste geldt voor alle rechtshandelingen om de geldigheid daarvan te kunnen
construeren. Dit geldt dus ook voor de rechtshandeling die als eerste ten grondslag ligt aan
een overeenkomst: het aanbod.
Vervolgens hebben we natuurlijk een tweede partij nodig die dat aanbod aanvaardt. Ook
daarvoor geldt dat de persoon die de aanvaardingsverklaring aflegt, moet verklaren wat
overeenstemt met zijn of haar wil. Ook die rechtshandeling moet dus voldoen aan de
basiseisen van artikel 3:33 BW.
Maar met een afzonderlijk aanbod en een afzonderlijke aanvaarding zijn we er nog niet. Wat
tot slot nog nodig is, is dat de verklaringen en de daaraan ten grondslag liggende willen van
beide partijen met elkaar overeenstemmen. Dit lezen we in de specifieke bepaling van artikel
6:217 BW:
"Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan."
Als op alle 'is-gelijk-tekens' groen licht wordt gegeven, kunnen we spreken van een
loopzuivere overeenkomst die tot stand is gekomen. Zodra er ergens een kink in de kabel
komt – bijvoorbeeld als de wil niet overeenstemt met de verklaring, de verklaringen onderling
niet overeenstemmen, of de willen niet overeenstemmen – dan is er een probleem met de
totstandkoming van de overeenkomst. Dit zijn echter geen kwesties die bij dit vak aan bod
komen; deze zijn eerder in de opleiding behandeld.
Kennisclip 3: Hoe ontstaat gebondenheid aan algemene
voorwaarden?
, Hoe ontstaat nu precies gebondenheid aan algemene voorwaarden? Voor de beantwoording
van die vraag kunnen we terugvallen op de hoofdregels van de totstandkoming van een
overeenkomst.
In dit schema zou dat betekenen dat partij A een aanbod doet en in dat aanbod verwijst naar
algemene voorwaarden. A wil dat deze algemene voorwaarden gelden en dat partij B
daaraan gebonden is. Vervolgens aanvaardt B het aanbod van A met inbegrip van de
algemene voorwaarden waarnaar A in zijn aanbod heeft verwezen. Partijen zijn het dan
overal over eens, waardoor voor B de gebondenheid aan de door A aangeboden algemene
voorwaarden ontstaat.
Wat we goed voor ogen moeten houden, is dat de wet voorziet in een stelsel waarin zeer
snel gebondenheid aan algemene voorwaarden ontstaat. Zodra vaststaat dat B de
algemene voorwaarden van A heeft aanvaard, gaan we ervan uit dat hij deze als geheel
heeft aanvaard en dat hij er dus aan gebonden is.
Dit betekent dat partij B achteraf niet kan zeggen:
"Wacht eens even, ik heb wel gezegd dat ik het ermee eens was, maar ik had die algemene
voorwaarden eigenlijk helemaal niet gelezen."
B kan evenmin aanvoeren dat er veel bedingen in die algemene voorwaarden staan die hij
eigenlijk helemaal niet kende, of dat A dit wist omdat iedereen weet dat de 'kleine lettertjes'
nooit volledig worden gelezen. B zou dan kunnen beweren dat A er niet op mocht
vertrouwen dat B akkoord wilde gaan met de algemene voorwaarden.
Dit soort redeneringen wordt door de wetgever echter doorkruist in artikel 6:232 BW. De
wederpartij is ook aan de algemene voorwaarden gebonden als de gebruiker (A in ons
voorbeeld) bij het sluiten van de overeenkomst begreep of moest begrijpen dat de
wederpartij (B) de inhoud daarvan niet kende. Er is dus sprake van snelle gebondenheid.
Dit betekent niet dat partij B volledig onbeschermd is. We zullen later zien dat B op andere
manieren actie kan ondernemen tegen individuele bedingen in de algemene voorwaarden;
dit is wettelijk geregeld. De hoofdregel blijft echter: als je de algemene voorwaarden als
geheel hebt aanvaard, ben je daaraan gebonden. Je kunt achteraf niet stellen dat je aan
bepaalde bedingen niet gebonden bent omdat je ze niet kende en de tegenpartij had moeten
begrijpen dat je ze niet kende.
Dit roept wel de vraag op: zijn de algemene voorwaarden inderdaad als geheel aanvaard, en
hoe beoordelen we dat precies? Hiervoor moeten we terug naar het hoofdschema van de
totstandkoming van overeenkomsten. Dit schema kunnen we gebruiken om de
gebondenheid aan algemene voorwaarden als geheel (als complex) vast te stellen.
Het kan namelijk zo zijn dat A in zijn verklaring naar bepaalde algemene voorwaarden
verwijst en dat B verklaart het aanbod te aanvaarden, maar dat B eigenlijk helemaal niet aan
de voorwaarden van A gebonden wil zijn. Als B achteraf stelt dat hij dit wel heeft verklaard
maar nooit heeft gewild, en dat A daar niet op mocht vertrouwen, stelt B de gebondenheid
aan de algemene voorwaarden ter discussie. Dit is een vraag die via de algemene regels
moet worden opgelost, in het bijzonder met de toepassing van artikel 3:35 BW.
Hoe komen overeenkomsten ook alweer tot stand? Dit is een korte recapitulatie van wat
eerder in de opleiding aan bod is gekomen.
Het vertrekpunt is de algemene regel die geldt voor de totstandkoming van
rechtshandelingen in het algemeen. Een overeenkomst is immers een meerzijdige
rechtshandeling. Als we willen weten hoe het met de totstandkomingsregels zit, moeten we
terug naar de basis: artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit artikel lezen we dat
een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist, die zich door een
verklaring heeft geopenbaard.
We hebben dus het volgende nodig:
1. Iemand die zijn wil vormt.
2. Die deze wil vervolgens ook verklaart.
3. Er moet sprake zijn van overeenstemming tussen die wil en de verklaring.
Dit vereiste geldt voor alle rechtshandelingen om de geldigheid daarvan te kunnen
construeren. Dit geldt dus ook voor de rechtshandeling die als eerste ten grondslag ligt aan
een overeenkomst: het aanbod.
Vervolgens hebben we natuurlijk een tweede partij nodig die dat aanbod aanvaardt. Ook
daarvoor geldt dat de persoon die de aanvaardingsverklaring aflegt, moet verklaren wat
overeenstemt met zijn of haar wil. Ook die rechtshandeling moet dus voldoen aan de
basiseisen van artikel 3:33 BW.
Maar met een afzonderlijk aanbod en een afzonderlijke aanvaarding zijn we er nog niet. Wat
tot slot nog nodig is, is dat de verklaringen en de daaraan ten grondslag liggende willen van
beide partijen met elkaar overeenstemmen. Dit lezen we in de specifieke bepaling van artikel
6:217 BW:
"Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan."
Als op alle 'is-gelijk-tekens' groen licht wordt gegeven, kunnen we spreken van een
loopzuivere overeenkomst die tot stand is gekomen. Zodra er ergens een kink in de kabel
komt – bijvoorbeeld als de wil niet overeenstemt met de verklaring, de verklaringen onderling
niet overeenstemmen, of de willen niet overeenstemmen – dan is er een probleem met de
totstandkoming van de overeenkomst. Dit zijn echter geen kwesties die bij dit vak aan bod
komen; deze zijn eerder in de opleiding behandeld.
Kennisclip 3: Hoe ontstaat gebondenheid aan algemene
voorwaarden?
, Hoe ontstaat nu precies gebondenheid aan algemene voorwaarden? Voor de beantwoording
van die vraag kunnen we terugvallen op de hoofdregels van de totstandkoming van een
overeenkomst.
In dit schema zou dat betekenen dat partij A een aanbod doet en in dat aanbod verwijst naar
algemene voorwaarden. A wil dat deze algemene voorwaarden gelden en dat partij B
daaraan gebonden is. Vervolgens aanvaardt B het aanbod van A met inbegrip van de
algemene voorwaarden waarnaar A in zijn aanbod heeft verwezen. Partijen zijn het dan
overal over eens, waardoor voor B de gebondenheid aan de door A aangeboden algemene
voorwaarden ontstaat.
Wat we goed voor ogen moeten houden, is dat de wet voorziet in een stelsel waarin zeer
snel gebondenheid aan algemene voorwaarden ontstaat. Zodra vaststaat dat B de
algemene voorwaarden van A heeft aanvaard, gaan we ervan uit dat hij deze als geheel
heeft aanvaard en dat hij er dus aan gebonden is.
Dit betekent dat partij B achteraf niet kan zeggen:
"Wacht eens even, ik heb wel gezegd dat ik het ermee eens was, maar ik had die algemene
voorwaarden eigenlijk helemaal niet gelezen."
B kan evenmin aanvoeren dat er veel bedingen in die algemene voorwaarden staan die hij
eigenlijk helemaal niet kende, of dat A dit wist omdat iedereen weet dat de 'kleine lettertjes'
nooit volledig worden gelezen. B zou dan kunnen beweren dat A er niet op mocht
vertrouwen dat B akkoord wilde gaan met de algemene voorwaarden.
Dit soort redeneringen wordt door de wetgever echter doorkruist in artikel 6:232 BW. De
wederpartij is ook aan de algemene voorwaarden gebonden als de gebruiker (A in ons
voorbeeld) bij het sluiten van de overeenkomst begreep of moest begrijpen dat de
wederpartij (B) de inhoud daarvan niet kende. Er is dus sprake van snelle gebondenheid.
Dit betekent niet dat partij B volledig onbeschermd is. We zullen later zien dat B op andere
manieren actie kan ondernemen tegen individuele bedingen in de algemene voorwaarden;
dit is wettelijk geregeld. De hoofdregel blijft echter: als je de algemene voorwaarden als
geheel hebt aanvaard, ben je daaraan gebonden. Je kunt achteraf niet stellen dat je aan
bepaalde bedingen niet gebonden bent omdat je ze niet kende en de tegenpartij had moeten
begrijpen dat je ze niet kende.
Dit roept wel de vraag op: zijn de algemene voorwaarden inderdaad als geheel aanvaard, en
hoe beoordelen we dat precies? Hiervoor moeten we terug naar het hoofdschema van de
totstandkoming van overeenkomsten. Dit schema kunnen we gebruiken om de
gebondenheid aan algemene voorwaarden als geheel (als complex) vast te stellen.
Het kan namelijk zo zijn dat A in zijn verklaring naar bepaalde algemene voorwaarden
verwijst en dat B verklaart het aanbod te aanvaarden, maar dat B eigenlijk helemaal niet aan
de voorwaarden van A gebonden wil zijn. Als B achteraf stelt dat hij dit wel heeft verklaard
maar nooit heeft gewild, en dat A daar niet op mocht vertrouwen, stelt B de gebondenheid
aan de algemene voorwaarden ter discussie. Dit is een vraag die via de algemene regels
moet worden opgelost, in het bijzonder met de toepassing van artikel 3:35 BW.