Inleiding
= controle van milieu interieur: pH, temperatuur, samenstelling lichaamsvochten, bloeddruk, metabolisme,…
Permanent actief, onbewuste controle
Afferent sensorisch en efferent motorisch (afferent = naar CZS, efferent = van CZS)
Controle vnl. in hersenstam
Indeling
Type autonoom zenuwstelsel Uitleg
Parasympatisch (PS) Efferent: 2 synaps connectie naar doelorgaan via ganglia
Pre-ganglionair neuron: gemyeliniseerd
Post-ganglionair neuron: niet gemyeliniseerd
(ortho)sympatisch (OS) Efferent: 2 synaps connectie naar doelorgaan via ganglia
Ongev hetzelfde anatomie als PS, wel tegengestelde Pre-ganglionair neuron: gemyeliniseerd
werking Post-ganglionair neuron: niet gemyeliniseerd
Enterisch (ENS) Eigen autonoom fungerend ZS (afferent, plexussen & efferent) (plexus = netwerk gekruiste
Maag-darm stelsel zenuwen)
Supraregulatie door OS & PS
Myenterische/ submucosale plexussen
Preganglionaire neuronen (OS en PS): ACh
Postganglionaire neuronen (PS): ACh
,Hoofdstuk 1: Hematologie
Inleiding
Bloed = 8% lichaamsgewicht
Functies: belangrijke speler
Functie Uitleg
Transport Gassen, cellen
Nutritie Glucose, AZ, vetzuren, water, ionen
Excretie CO2, urine
Homeostase Temperatuur, pH, water, elektrolyten
Regulatie Hormoontransport
Immunologie Plasma-eiwitten, bloedgroepen
Bloedcomponenten
Bloedcomponent Samenstelling
Plasma (55%) Extracellulaire vocht: elektrolyten, lipiden, proteïnen, hormonen, stollingsfactoren, gassen
Cellen (45%) Rode bloedcellen (RBC): ↑#
Witte bloedcellen (WBC)
Bloedplaatjes (trombocyten)
Serum VS plasma
Serum = vloeibare deel van gestold bloed
Plasma = vloeibare deel van antistollingsbloed (+EDTA of citraat) = plasma met fibrinogeen en antistollingsfactoren
Plasmaeiwitten: albumine, globuline → geproduceerd door lever, blijven steeds in bloedbaan door oncotisch druk
Bloedviscositeit
Viscositeit (bepaald door #RBC): bloed > plasma > serum > H2O
Polycythemie = te veel RBC (normaal: 45 %)
Hematocriet = volume% RBC in totaal bloedvolume
Rode bloedcellen
Kenmerken
, Kenmerk Uitleg
Morfologie Biconcaaf, 7.5 µm, geen kern, geen mitochondria
Metabolisme Geen krebscyclus, wel glycolyse (ATP) en pentosefosfaatpathway (NADPH)
Typische metingen Hct: 40%
#RBC:5 x 106
Hemoglobine: 15 g / dl
Afgeleide parameters
Begrip Uitleg
Mean cell volume (MCV) =
ℎ𝑒𝑚𝑎𝑡𝑜𝑐𝑟𝑖𝑒𝑡∙ 10
= ~90µ𝑚 3
microcytose = kleiner dan normaal < macrocytose
# 𝑅𝐵𝐶
Mean corpuscular Hgb (MCH) =
𝐻𝑔𝑏
= 30 𝑝𝑔 (10−12 𝑔) hypochroom = lager dan normaal < hyperchroom
# 𝑅𝐵𝐶
Mean corpuscular Hgb concentration 𝐻𝑔𝑏
= ℎ𝑒𝑚𝑎𝑡𝑜𝑐𝑟𝑖𝑒𝑡 = 30 𝑔/𝑑𝐿
(MCHC)
Erytropoëse
= proces in beenmerg waar stamcellen ontwikkelen tot RBC (2.5 miljoen RBC/s)
Regulatie door corticoïden (bijnier) en EPO (nier)
Feedback:
- Stimulatie beenmerg: hoogtes, bloeding
- Inhibitie beenmerg: polycythemie, hyperbare atmosfeer
Hemoglobine
Kenmerk Uitleg
Structuur 4 globineketens (2α + 2β) met elks heemgroep met Fe dat bindt aan O2 = oxyhemoglobine
Saturatiecurve Sigmoïdaal
Optimale hematocriet 45 %, bij te hoge waarde: hogere viscositeit → meer E nodig → minder netto O2 transport
Factoren in de erytropoëse
Factor Uitleg
3+ 2+
IJzerabsorptie 1 mg/dag (Fe → Fe door duodenaal cytochroom b)
Ijzertransport Bindt transferrine
Ijzertekort Leidt tot anemie door tekort hemoglobine
Totale ijzer bindingscapaciteit blijft hetzelfde
Vitamine B12 Nodig voor DNA-synthese, tekort → macrocytaire anemie
Andere cofactoren (Foliumzuur, vit B2, B3, B5, B6, C, zink, koper)
Afbraak en recyclage
Zie andere hoofdstuk
, Hemostase (stolling)
Overzicht (Hoe een bloedklonter ontstaat)
Stappenplan Werking
1. Vasoconstrictie Bloedvat beschadigd → vaatwand trekt samen → bloedverlies vermindert
Door mechanische prikkeling vaatwand, zenuwreflexen en serotonine uit bloedplaatjes
2. Plaatjesaggregatie Subendotheel bloot → bloedplaatjes hechten eraan → activeren → scheiden granules uit → plaatjesplug
3. Stollingscascade 2 mogelijke startpunten:
= fibrinenetwerk rond plug - Intrinsieke pathway: door (-) geladen opp. zoals geactiveerde bloedplaatjes
- Extrinsieke pathway: geactiveerd door weefselfactor op beschadigde cellen
Common pathway: omzetting fibrinogeen naar onoplosbare fibrine polymeer
Fibrinolyse (Ontstolling)
= proces waarbij lichaam fibrine afbreekt
Lever produceert plasminogeen (inactief) → omgezet in plasmine (actief) → breekt fibrine af
Medicatie grijpt in op stollingscascade
Medicatie Werking
Antiaggregatie Voorkomen dat bloedplaatjes samenklonteren, zwak effect
Indicatie: hartinfarct, beroerte
Anticoagulantia Grijpen in op cascade van stollingsfactoren, sterk effect (risico op bloedingen)
Indicatie: longembolie, voorkamerfibrillatie