Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 33 pages
Summary

Samenvatting Algemene Farmacologie | Biomedische Wetenschappen 2 | VIVES | 2026/27

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 33 pages

Studiemateriaal voor Algemene Farmacologie onderdeel van Biomedische Wetenschappen 2 aan VIVES Hogeschool. Dit materiaal is ideaal voor voorbereiding op examens.

Content preview

ALGEMENE FARMACOLOGIE
1 Wat is farmacologie?
1.1Definitie
= de wetenschap die de wisselwerking onderzoekt tussen levende organismen en scheikundige stoffen. Het
houdt zich bezig met de therapeutische en/of potentieel toxische effecten van chemische verbindingen op
levende systemen.
Een geneesmiddel is een product die ofwel
- In cc wordt gebracht met het organisme (mens/dier)
- Of ingenomen wordt door het organisme (bloedingen, hoest, uitslag)
- Een ziekte voorkomt (preventief) of behandeld (curatief)
- Symptomen verminderd
Wat het lichaam doet met het medicijn = farmacokinetiek
Wat het medicijn doet met het lichaam = farmacodynamiek
Bv: paracetamol: lichaam neemt het op -> farmacokinetiek en de pijn verminderd -> farmacodynamiek
Een GM moet voldoen aan de voorschriften vd farmacopee (officieel uitgegeven handboek met voorschriften
voor de bereiding van geneesmiddelen.

1.2 Werking van geneesmiddelen
Je hebt 5 verschillende werkingen van GM:
 Causale therapie = een behandeling die kijkt naar de oorzaak ipv de curatieve intentie (bv: de
bestrijding van een pathogene bacterie met een juiste AB)
 Profylactische therapie = het aanwenden van geneesmiddelen om aandoeningen te voorkomen (bv:
vaccinatie tegen GBS, griep)
 Substitutietherapie = er worden ontbrekende stoffen vervangen of aangevuld (bv toedienen van
insuline bij diabetes)
 Symptomatische therapie = die streeft om de symptomen van een ziekte weg te nemen zonder te
kijken naar de oorzaak (bv paracetamol voor de hoofdpijn maar zonder te kijken vanwaar de
hoofdpijn komt)
 Palliatieve behandeling = het leven vd zorgontvanger zo draaglijk mogelijk te maken. Het doel is
het verlagen vd klachten. (bv bij terminale ziekte)
 Diagnostische behandeling = stellen van een diagnose (bv bij een colposcopie eerst een laxativum
toedienen voor het reinigen van de darmen)
Andere: placebo = geen werkzame stof, maar psychologisch effect bv suikerpil -> patiënt voelt verbetering

1.3 grondstoffen voor geneesmiddelen
Geneesmiddelen komen uit verschillende grondstoffen:
- Biologisch: mensen (bloed), dieren (hormonen), planten (vitaminen)
- Minerale: zink,ijzer,fosfor,...
- Chemische: aangemaakt of bewerkt door de farmaceutische industrie

1.4 Naamgeving van geneesmiddelen
BEREIDINGEN IN DE APOTHEEK
2 soorten bereidingen
 Magistrale bereidingen = er is een voorschrift aanwezig voor een bepaalde zorgvrager
o Maar met bv aangepaste dosering voor kinderen, toedieningsvorm of soms half/volledig
terugbetaald
 Officinale bereidingen = deze maakt de apotheek zelf volgens formules uit een farmacopee of het
Therapeutisch Magistraal Formularium bv. Hoestsiroop, anti-luizenshampoo, ...
FARMACEUTISCHE SPECIALITEITEN
GM geproduceerd door een farmaceutisch bedrijf volgens een geregistreerde formule
1

,2 soorten:
 Merkgeneesmiddelen (referentie GM) = vaste formule uit onderzoek
-> er staat ® achter bij beschermde naam (beschermd door octrooi = de firma heeft het alleenrecht
vd productie)
 Generische geneesmiddelen = een duplicaat van een merkgeneesmiddelen, het is geproduceerd door
een ander farmaceutisch bedrijf
o 3 voorwaarden
 Octrooi moet vervallen zijn
 Bio-equivalent (dezelfde werking, toedieningswijze,)
 Prijs lager dan origineel
Een generische naam = de stofnaam + farmaceutisch bedrijf bv: je hebt Dafalgan is paracetamol maar de
generische naam is paracetamol EG en Teva.
Zelfzorggeneesmiddelen (of over-the-counter-producten) (OTC-producten))= zonder medisch voorschrift,
worden niet terugbetaald.
VOS-VOORSCHRIFT
= 1 voorschrift waarbij de stofnaam op wordt geschreven en bevat de BOS-groep
De stofnaam = het werkzame bestanddeel van een geneesmiddel
Een geldig voorschrift heeft bepaalde voorwaarden:
1. De stofnaam
2. De toedieningsvorm
3. De sterkte
4. De dagdosering
5. De therapieduur in weken/dage
Vb : op stofnaam: budesonide 200µg/dosis, poeder voor inhalatie, 1 tot 2 inhalaties per dag gedurende 4
weken; op merknaam: Pulmicort® 200 μg/dosis poeder voor inhalatie

1.5 Farmacologische fasen
De farmacologie kan opgedeeld worden in 4 fasen
1. De farmaceutische fase (hf2)
= de vormgeving vh geneesmiddelen om het beschikbaar te maken voor de ptn (maw het vrijkomen
van een GM uit de toedieningsvorm)
 is voor ieder GM verschillend
 de actieve stof komt beschikbaar voor opname. (de farmaceutische beschikbaarheid)
 De werkzame stof kan niet als een kant-en-klaar product door de ptn gebruikt worden. Bij de
bereiding van een GM worden er hulpstoffen toegediend om een hanteerbaar product te krijgen (bv:
een capsule moet voldoende snel uiteenvallen en de stof moet geabsorbeerd worden)

De vorm zal ook bepalen hoe het farmacon in het lichaam komt en opgenomen wordt.
2. De farmacokinetische fase (hf3)
= het effect vh lichaam op het GM, de weg die het gm in ons lichaam volgt. Het lichaam maakt geen
onderscheidt tussen goede/slechte lichaamsvreemde stoffen, dus gaat hij alle stoffen afbreken en
uitscheiden. (zelfde met gm)
 Deze fase omschrijft het tijdsverloop vd concentratie vh GM in het organisme. De wijze waarop en
de snelheid waarmee een GM zich in het lichaam verplaatst.
Er zijn 4 farmacokinetische processen:
A (absorptie) = de opname vh GM in de systematische bloedcirculatie
D (distributie) = verdeling vh GM over de verschillende weefsels
M (metabolisme) = het omzetten vh GM in afbraakproduct
E (excretie) = de uitscheidning vh GM uit het lichaam eliminatie = het totale proces

3. De farmacodynamische fase (hf4)
Het effect van een GM op het lichaam, de precieze aard en het precieze werkingsmechanisme en de
farmacologische respons.
2

, Verschillende niveaus:
- Moleculair niveau (meest fundamenteel)
- Sub cellulair niveau
- Cellulair niveau
- Niveau vd weefsels
- Niveau vd organen
- Niveau vh organisme
- Niveau vd populaties vh organisme
Wnr de farmaca aangekomen zijn op de plaats gaan de farmaconmoleculen in interatie met de
orgaanmoleculen (meestal EW) die speelt een cruciale rol in een pathofysiologisch respons. Hierdoor
verandert de activiteit van het biologisch proces.
4. De farmacotherapeutische fase (hf5)
Leidt de farmacologische werking van een farmacon tot het gewenst therapeutisch effect?

2 De farmaceutische fase
2.1 Toedieningsvormen van geneesmiddelen
o Vaste en halfvasten vormen
 Poeder  Capsule
 Tablet  Parels
 Dragee
 Zetpil  Zalf
 Staafjes  Transdermale pleisters


1. Poeder
-> moet worden opgelost in water (Movicol bij obstipatie)
-> uitwendig gebruik maar ook geïnhaleerd worden
2. Tablet
= Poedermengsel dat wordt samengeperst met zetmeel en kalk
 Bruistablet = oplossen in water, worden vermeden bij zorgontvangers die lijden aan hypertensie
 Orodispergeerbare tabletten (smelttabletten) = lossen snel op in speeksel, mag je ook inslikken
 Zuigtabletten = je moet erop zuigen, door de langzame afgifte wordt er een zekere concentratie in de
mond verkregen zoals Strepsil
 Sublinguale tabletten = onder de tong houden en buccale tabbletten tussen de tanden/wangen
 Retardtabletten = het GM komt met een vertraagde snelheid vrij, de dosering kan vaak 2/3 keer zo hoog
zijn, de dosis is meestal voor 24u bedoeld.
-> NOOIT pletten anders overdosis
3. Dragee
= een tablet voorzien van een coating (= enteric coated) bestaande uit polymeer of suiker. Bv bij een
maagsapresistente tablet gaat de tablet niet direct uiteenvallen waardoor ze willen vermijden dat het
wordt afgebroken door het maagzuur.
-> NOOIT pletten anders verlies werkzame stof
4. Capsule
= een omhulsel van gelatine met daarin het bestanddeel of vulstof. Je kan het openbreken en de stof
binnenin innemen.
Er zijn ook GM met een enteric coated en mogen niet geopend worden, er kunnen ook microkorrels
inzitten die niet geplet mogen worden bv Omeprazol
5. Parels
= rond gelatine, waarin een vloeistof GM inzit bv Orophar bij keelpijn
Ovulen zijn eerder eivormig voor in de vagina bv Synapause (oestrogenen)
6. Zetpil
= een kegelvormige pil die bereid is uit een stof die gemakkelijk smelt bij lichaamstemperatuur waarin
het GM zit verwerkt. Meestal plaatselijk gebruik
3

, 7. Staafjes
= wordt gebruikt om wonden aan te stippen bv zilvernitraat bij littekenweefsel te verminderen
8. Zalf
= een bepaalde hoeveelheid vet of olie waar een GM doorheen is gemengd. Bij de poeder >50% heb je
een pasta. (Vooral dermatologisch)
9. Transdermale pleisters
Het GM zit in de pleister en wordt raag vrijgesteld. De opname gebeurt via de huid en heeft een
systematische werking. Het wordt gebruikt om continu dezelfde hoeveelheid en snelheid aan de
bloedbaan te geven. Bv nicotinepleisters.

o Vloeibare vorm
 Oplossing  Druppels
 Siroop  Infuus
 Suspensie  Klysma
 Emulsie

1. Oplossing
= de werkzame stof word opgelost in water, het wordt homogeen verdeeld (overal evenveel GM)
2. Siroop
= een oplossing die beel suikers bevat zoals hoestdrank
3. Suspensie
= Het GM kan niet worden opgelost in de vloeistof, omdat de vloeistof zal zakken naar de bodem, hij
moet dus voordien geschud worden zoals Gaviscon
4. Emulsie
= een niet-vloeibaar mengsel van water en olie. Er wordt een stabilisator toegevoegd: een emulgator.
Moet worden geschud
5. Druppels
= het GM is sterk geconcentreerd, gebruik oraal, lokaal, inhalatie
6. Infuus
= een grote hoeveelheid bloeistof die in een bloedvat terechtkomt.
Injecties = het zit in opgeloste vorm in een ampul, flacon,...
7. Klysma
= lavementen
Andere:
- Implantaat
- Gasvormig
- Dampvormig

2.2 toedieningswijzen van geneesmiddelen
Onderscheidt tussen:
= systemische werking: het GM moet in de bloedbaan terechtkomen om de werking te bereiken. Alle
enteraal en parenterale toedieningswijzen behoren ook tot de systematische
= lokale of topische toediening waarbij het geneesmiddel een plaatselijke werking heeft en niet wordt
opgenomen.
o Enterale toediening (via maagdarmstelsel)
 Sublinguaal/buccaal
Het geneesmiddel wordt onder de tong of in de wangzak gebracht, het wordt opgenomen door het
mondslijmvlies en komt in de bloedbaan terecht.
 Per os/oraal
Het meeste wordt opgenomen via mucosa naar de bloedbaan een ander deel is bedoeld om in het
spijsverteringsstelsel te bekomen.
Er zijn verschillende resorpties
 Het maagslijmvlies (geringe resorptie)
4

Document information

Study
Uploaded on
September 10, 2026
Number of pages
33
Written in
2026/2027
Type
Summary
$10.35

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
12
Last sold
-



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions