TENTAMEN RELATIEVERMOGENSRECHT II
Week 1 – De beperkte gemeenschap van goederen
Omvang beperkte gemeenschap van goederen (systematiek van art. 1:94 BW)
Op 1 januari 2018 wijziging van de wettelijke gemeenschap van goederen (art. 1:94 BW) van algeheel naar beperkt.
Art. 1:81 BW over de lotsverbondenheid is qua moment verschoven: naar het moment van het huwelijk zelf.
VOOR 2018 ontstond de lotsverbondenheid al voordat het huwelijk was aangevangen., want ook alles
voorafgaand aan het huwelijk viel in de gvg.
Goederenkant
Lid 2 alle goederen die reeds VOOR de aanvang van het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle
overige goederen van de echtgenoten door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen VANAF de aanvang van de
gemeenschap tot haar ontbinding verkregen.
Bijv. woning is voor 70% van A en voor 30% van B, het is voorhuwelijks dus valt in de gvg. Als de gemeenschap
wordt ontbonden, dan geldt een verhouding van 50/50 (art. 1:100 BW).
Veel discussie over geweest, MAAR enige criterium is of echtgenoten het gezamenlijk hebben verkregen.
Gezamenlijk toebehoren als gevolg van verkrijging krachtens schenking of erfrecht, dan valt het NIET in de gvg.
Schuldenkant
Lid 7 alle VOOR het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden
betreffende goederen die reeds VOOR de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk
toebehoorden en alle TIJDENS het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de
echtgenoten.
UITZONDERINGEN (dus behoort tot eigen vermogen van echtgenoot)
Art. 1:94 lid 2 sub a t/m c;
Art. 1:94 lid 7 sub a t/m c;
Lid 5;
Lid 6;
Insluitingsclausule;
Uitsluitingsclausule;
Zaaksvervanging (art. 1:95 BW) allocatie-toewijzer: wat moeten we met bepaalde goederen die zowel in
financiering een herkomst hebben uit privévermogen maar ook uit gemeenschappelijk vermogen? Een goed kan
NIET tegelijk in de gemeenschap en in privévermogen vallen. Het moet dus alloceren in privévermogen of in de
gemeenschap.
VOORBEELDEN VAN ARTIKEL R.E. BRINKMAN, FTV 2023/12!
Zaaksvervanging
Art. 1:95 BW het verkregen goed blijft buiten de gemeenschap indien het bij de verkrijging voor meer dan de helft ten
laste van het eigen vermogen komt. Het eenheidsbeginsel brengt mee dat het goed geheel binnen of buiten de
gemeenschap valt.
Zaaksvervanging kan aan de orde zijn als aan één echtgenoot wordt geleverd.
Als aan beide echtgenoten wordt geleverd, met je kijken naar de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 BW.
Discussie in de literatuur of de zaaksvervangingsregeling van art. 1:95 BW van toepassing is op de gezamenlijke
verkrijging door echtgenoten en hoe eventueel die regeling dient te worden toegepast. Dit heeft gevolgen voor de
toewijzing (allocatie) van goederen aan een bepaald vermogen.
Sommigen leiden uit de PG af dat zaaksvervanging alleen ziet op goederen die aan één echtgenoot zijn geleverd.
Andere betogen dat er geen overtuigende reden is om de regeling niet ook toe te passen bij gezamenlijke
verkrijgingen.
Zie verschillende visies!
Casus omvang en zaaksvervanging
Casus 1.1
A verkoopt zijn een perceel grond; hij verkreeg dit perceel vóór het huwelijk dat A aanging met B in 2020. A koopt vervolgens
een bedrijfspand voor € 750.000 en financiert dit tijdens het huwelijk, met B als volgt:
€ 200.000 opbrengst verkoop
€ 100.000 uit de huwelijksgemeenschap
€ 450.000 uit een lening bij A’s vader
A moet de lening in vijf jaar helemaal aflossen. Dat betekent dat A maandelijks 7.500 euro aan zijn vader betaalt; dit betaalt
A uit een spaarrekening die hij voor het huwelijk al had.
1
,Het bedrijfspand wordt geleverd aan A. In welk vermogen valt het bedrijfspand?
Gehuwd in gvg, dus hoofdregel het valt in de gemeenschap. MAAR kijk altijd naar de financiering, want er kan een
uitzondering van toepassing zijn, zie art. 1:95 BW: het meer dan de helft-criterium. Je moet art. 1:95 BW beoordelen op het
moment van de verkrijging!
Er komt 200.000 euro uit het vermogen van A. Leningen moeten we wegstrepen, telt niet mee als eigen
vermogen!
- NUANCERING HR 1 mei 2015: A heeft een lening afgesloten ter aankoop van de woning. Op een bepaald
moment kunnen we uit de interne verhouding tussen A en B afleiden dat het bedrag WEL als eigen vermogen
gezien moet worden.
Bijv. A heeft zijn eerste woning gekocht en vader leent geld en een deel wordt kwijtgescholden onder
uitsluitingsclausule. Vervolgens kopen A en B een nieuwe woning en hoeft A de lening niet terug te betalen.
Het geld dat A heeft geleend bij de koop van eerste woning is bij de tweede woning eigen vermogen
geworden. DUS: de eerste keer is sprake van een lening en strepen we het weg, de tweede keer is het eigen
vermogen geworden en wordt het NIET weggestreept.
Dit geldt alleen in de verhouding tussen echtgenoten.
Met 200.000 euro redden we het helft-criterium niet.
Elke maand dat A 7500 euro aan zijn vader aflost, wordt gezien als een gemeenschapsschuld (art. 1:96 lid 4 BW).
Op dat moment ontstaat er een vergoedingsrecht bij A en een vergoedingsschuld bij de gemeenschap.
Casus 1.2
A en B zijn gehuwd in bgvg en krijgen een woning geleverd. De koopsom is € 410.000. A betaalt uit privévermogen € 205.000
en B betaalt uit privévermogen € 205.000.
In welk(e) vermogen(s) valt de woning?
Werkt zaaksvervanging ook bij een gezamenlijke verkrijging van echtgenoten? Drie visies:
1. Kijken naar de gezamenlijke verkrijging A en B verkrijgen ieder een onverdeeld aandeel in het goed. Dan art.
1:95 BW toepassing per aandeel. Je kijkt per echtgenoot hoe het gefinancierd is en of het dan in of buiten de
gemeenschap valt. A en B hebben beiden hun aandeel in het goed volledig uit eigen vermogen gefinancierd. Het
goed valt DUS niet in de gemeenschap. Er ontstaat een eenvoudige gemeenschap van dit registergoed naast de
gvg. Je kijkt dus hoe elke aandeel is gefinancierd.
2. Kijken naar het eenheidsbeginsel een goed kan niet deels tot de gemeenschap behoren en deels tot het
privévermogen. Deze visie kijkt dus niet naar de aandelen, maar naar het goed als geheel. Hoeveel is gefinancierd
uit privévermogen? Dat is meer dan de helft, dus het goed blijft buiten de gemeenschap.
- Sluit aan bij HR 21 april 2006 (bij een gezamenlijke verkrijging werd aangenomen dat tussen de echtgenoten
een eenvoudige gemeenschap bestond) en meeste steun in literatuur.
3. Als we art. 1:95 BW bekijken in combinatie met art. 1:94 BW, dan komen we tot de conclusie dat art. 1:95 BW
NOOIT geldt bij een gezamenlijke verkrijging. Dat geldt alleen als een goed wordt geleverd aan een van de twee
echtgenoten. Een goed valt bij gezamenlijke verkrijging in de gemeenschap en zaaksvervanging is niet meer
mogelijk.
Terugvallen op art. 1:94 lid 2 BW: het goed valt in de gemeenschap.
Casus 1.3
A en B zijn in bgvg gehuwd. A erft met 3 zussen een registergoed, waard € 800.000. Het wordt aan A toebedeeld en om de
zussen ‘uit te kopen’ gaan A en B een financiering aan bij de bank voor € 600.000.
In welk(e) vermogen(s) valt het registergoed?
Registergoed komt uit de nalatenschap, een verkrijging krachtens erfrecht en dit valt o.g.v. art. 1:94 lid 2 sub a BW NIET in
de gemeenschap. A erft maar 1/4e aandeel en de rest wordt bijgeleend. Uit HR Vierhuizen en HR 8 september 2017 blijkt dat
we het gehele registergoed beschouwen als verkregen krachtens erfrecht, ondanks dat A maar 1/4 e aandeel verkrijgt. DUS
het gehele registergoed valt buiten de gemeenschap.
Casus 1.5
A en B zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. B heeft nog een woning van voor het huwelijk met een ex-
echtgenoot die ze nu willen verdelen. De bedoeling van de bank is dat de woning op naam van A en B komt in verband met
de nieuwe financiering mede aan te gaan door A.
In welk(e) vermogen(s) valt de woning?
Zolang het goed nog niet verdeeld is, zit het bij B privé. Bij een verdeling kan het NIET aan A geleverd worden, want A
komt niet voor in de leveringsakte, hij is geen eigenaar. Het goed valt buiten de gemeenschap en wordt geheel aan B
toegedeeld. Het blijft ook van B, omdat het voorhuwelijks vermogen is.
Casus 1.4
2
,A en B zijn in de bgvg gehuwd. Als ze gaan trouwen heeft A 60% van de aandelen van X-B.V. Tijdens het huwelijk krijgt A de
kans om de overige aandelen van X-B.V. te verwerven. De koopprijs van de aandelen betaalt A van de en/of-rekening. In
welke vermogen vallen de aandelen?
Ieder aandeel is een los goed, je bekijkt het niet samen maar je moet ze individueel zien (HR Teixeira de Mattos). DUS we
komen niet toe aan de uitzondering van art. 1:95 BW. De aandelen vallen in de gvg.
Vergoedingsrechten
Als er betaald is aan een goed en dat goed valt niet in het vermogen waarmee is betaald, komen we in de sfeer van
vergoedingsrechten in welk vermogen valt het en wie heeft ervoor betaald?
Vergoedingsrechten kunnen ontstaan o.g.v. art. 1:95, art. 1:96 lid 4 en art. 1:96 lid 5 BW art. 1:87 BW gaat vervolgens
over het berekenen van het vergoedingsrecht.
Uit een vergoedingsverbintenis vloeien twee posities voort:
Een plicht/schuld art. 1:87 lid 1, art. 1:95 lid 1 en art. 1:96 lid 5 BW;
Een recht/vordering art. 1:95 lid 2 en art. 1:96 lid 4 BW.
HR 5 april 2019 (en/of-rekening en schenking met uitsluitingsclausule) man en vrouw gehuwd in agvg. Vrouw krijgt 3 x
10.000 euro geschonken met uitsluitingsclausule, dus zijn privé. Zij maakt dat geld over naar en/of-rekening die hoort bij de
gemeenschap. Op moment van scheiding zegt vrouw dat geld van haar privé is en man zegt dat het gemeenschappelijk is
dus recht heeft op de helft.
Hof: geld is op de en/of-rekening terechtgekomen en is geconsumeerd, dus vrouw heeft geen recht meer op
vergoeding.
HR: we hebben te maken hebben met privévermogen dat terecht is gekomen in de gemeenschap. De vrouw heeft
een vergoedingsrecht op de gemeenschap, dat het geld is uitgegeven maakt in feite niet uit. Er moet worden
gekeken wat er met het geld is betaald:
- Gemeenschapsschulden vergoedingsrecht;
- Privéschulden vrouw GEEN vergoedingsrecht.
Wie gaat dit bewijzen? Als het gaat om het uitgeven vanaf een gemeenschappelijke rekening/schulden uit
gemeenschapsvermogen worden betaald, dan geldt het vermoeden/dan is het uitgangspunt dat dit
gemeenschapsschulden zijn. Dan heeft de vrouw dus een vergoedingsrecht o.b.v. art. 1:96 lid 4 BW. MAAR de man
kan tegenbewijs leveren dat sprake is van privéschulden van de vrouw. In dit geval ging het om betalen van kosten
van huishouding, dit is gezamenlijk dus gemeenschapsschulden.
Vergoedingsrecht voorkomen? Diegene bedanken voor wat je krijgt!
HR 22 december 2022 (verjaringstermijn vergoedingsrechten tussen echtgenoten) als tijdens het huwelijk een
vergoedingsrecht- en schuld is ontstaan, kan dit tijdens het huwelijk verjaren?
HR: je kunt niet van echtgenoten/partners verwachten dat zo’n vergoedingsrecht tijdens het huwelijk wordt
ingeroepen. En al helemaal niet dat er rechtsmiddelen worden ingezet, indien niet wordt betaald.
Vergoedingsvorderingen kunnen dus TIJDENS het huwelijk NIET verjaren tussen echtgenoten. Zie art. 3:320 en
3:321 BW.
Als er dan een vergoedingsrecht en -schuld is, hoe moet deze dan worden berekend? In art. 1:95 en 1:96 BW wordt
verwezen naar art. 1:87 BW.
Hoofdregel is economische deelgerechtigdheid je gaat meedoen in de waardeontwikkeling van dat goed. MAAR
zie lid 3 e.v.
Stappenplan vergoedingsrechten
1. Is er een vergoedingsrecht ontstaan? Wat is de grondslag?
Huwelijkse voorwaarden HR Le Miralda: A en B wonen in NL en zijn gehuwd in koude uitsluiting, zonder
verrekenbeding. A is meest vermogende partner en er gaat tijdens huwelijk op verschillende momenten geld van
A naar B. Er zijn vier vergoedingsverbintenissen ontstaan. Van de laatste verbintenis koopt B een woning en gaat
er semi wonen, omdat huwelijk niet meer goed loopt. Een van beide echtgenoten vraagt echtscheiding aan.
Moet B nu de vier bedragen terugbetalen? HR zegt: bedragen 1-3 zijn vergoedingsrechten die stilzwijgend zijn
ontstaan, dus moet B terugbetalen. MAAR bedrag 4 had A met het doel overgemaakt om woning te kopen en dit
vond de HR een natuurlijke verbintenis, gezien de welstand en situatie heeft A woonwaarborg willen creëren voor
B.
Kosten van huishouding HR Bronkhorst/Van Eck en HR Te Kuile/Hofman: er treedt rechtsverwerking op t.a.v.
vergoedingsrechten. Dit houdt in dat je wel een vergoedingsrecht hebt, maar naar maatstaven van R&B kun je hier
GEEN beroep op doen. Dit kan alleen als sprake is van bepaalde gedragingen van echtgenoten. Bijv. de
verrekengerechtigde echtgenoot had alle administratie bijgehouden en wist dat hij teveel betaalde aan de kosten
van huishouding maar heeft hier nooit een opmerking over gemaakt.
3
, Gemeenschap van goederen B koop vakantiewoning van 400.000 euro, waarvan 300.000 euro uit eigen
vermogen en 100.000 euro uit gemeenschappelijk vermogen. Als je art. 1:95 BW toepast, dan valt het goed in het
eigen vermogen van B. MAAR B is dan wel een vergoedingsplicht van 100.000 euro aan de gemeenschap.
2. Wat is de omvang van het vergoedingsrecht?
Voor 1 januari 2012 HR Kriek/Smit: A heeft meermalen geïnvesteerd in gezamenlijke woning en woning is meer
waard geworden bij de verkoop. Heeft A bij scheiding recht op nominale waarde of meer door de waardestijging?
HR zegt: tussen echtgenoten gaan we uit van nominalisme (art. 6:111 BW), dus 100 blijft 100 en is niet onderhevig
aan waardestijgingen- of dalingen. DUS een vergoedingsschuld is nominaal.
MAAR uitzonderingen zijn niet uitgesloten. Als sprake is van een uitzonderlijk gunstig resultaat, zoals
waardestijging van een huis, dan is correctievergoeding (naast nominale vergoeding) op de plaats. De R&B kunnen
hiertoe bieden.
Na 1 januari 2012 art. 1:87 BW = economische deelgerechtigdheid (beleggingsleer).
- Lid 2: omvang van vergoedingsrecht wordt afhankelijk van de waardeontwikkeling van het goed.
- Lid 3: MAAR het geld moet wel met toestemming van andere echtgenoot zijn geïnvesteerd, anders geldt nog
steeds nominalisme. Ook voor gebruiksgoederen geldt nominalisme.
Casus vergoedingsrechten
Casus 2.1
A en B zijn in bgvg gehuwd. A had al voor het huwelijk een eenmanszaak. Tot het voorhuwelijkse vermogen van A behoort
een vrachtwagen van 100.000 euro en een schuld van 50.000 euro. Tijdens het huwelijk koopt A een nieuwe vrachtwagen
voor 120.000 euro. De vrachtwagen is al volgt betaald: 40.000 inruilwaarde eerdere vrachtwagen en 80.000 euro
ingehouden winsten.
Tot welk vermogen behoort de vrachtwagen? Hoe groot is de vergoedingsvordering van A?
Dit is een art. 1:95a BW-vordering.
Casus 2.2
A en B zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. A koopt een woning voor 500.000 euro en betaalt dit voor
200.000 euro uit een lening bij de bank en 300.000 euro uit eigen vermogen. B lost twee keer 50.000 euro af op de lening bij
de bank. Als de woning een aantal jaren later door A wordt verkocht, is de verkoopopbrengst 1.200.000 euro. Hoe groot is
het vergoedingsrecht van B?
Art. 1:87 lid 2 BW:
Sub a je doet mee met de waardeontwikkeling van het moment van verkrijging van het goed;
Sub b je doet mee met de waardeontwikkeling op het moment van betaling van het goed.
In dit geval is afgelost op de verkrijgingslening en is sprake van een sub a-vergoeding. Deze wordt berekend door 100.000
(totale aflossing door B)/500.000 (verkrijgingsprijs, waarde t.t.v. de aankoop) x 1.200.000 (verkoopopbrengst) = 240.000
euro.
Casus 2.3
A en B zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. A en B zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. Deze woning is
bij de aankoop volledig gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Op 30 december 2022 lost A de hypothecaire
geldlening - die op dat moment nog 180.000 euro is – geheel af uit eigen middelen. Op 15 januari 2023 zegt A tegen B dat
hun huwelijk voorbij is. Op dat moment is de woning 750.000 euro.
Hoe groot is het vergoedingsrecht van A?
Hoe moet je de economische deelgerechtigdheid berekenen? A heeft een verkrijgingsschuld afgelost. We kijken terug
naar het moment van verkrijging toen de woning 180.000 euro was. Er is een 100% vergoeding verkregen, dus het
vergoedingsrecht geeft recht op 750.000 euro.
Casus 2.4
A is eigenaar van 100% van de aandelen in een BV die 820.000 euro waard zijn. De BV is 10 jaar geleden opgericht waarbij
20.000 euro is gestort op de aandelen. A heeft deze 20.000 euro geleend bij de bank.
Echtgenoot B lost de 20.000 euro af uit eigen vermogen. Hoe groot is de vergoedingsvordering van B?
Zelfde als casus 2.3 MAAR extra aandachtspunt: als A geen ander vermogen heeft om de vergoedingsvordering van B te
voldoen en A moet overgaan tot verkoop van aandelen, dan moet er door A belasting betaald worden over het
‘vervreemdingsvoordeel’. Per saldo houdt A niet het bedrag van de vergoedingsvordering over aan de verkoop van de
aandelen.
4
Week 1 – De beperkte gemeenschap van goederen
Omvang beperkte gemeenschap van goederen (systematiek van art. 1:94 BW)
Op 1 januari 2018 wijziging van de wettelijke gemeenschap van goederen (art. 1:94 BW) van algeheel naar beperkt.
Art. 1:81 BW over de lotsverbondenheid is qua moment verschoven: naar het moment van het huwelijk zelf.
VOOR 2018 ontstond de lotsverbondenheid al voordat het huwelijk was aangevangen., want ook alles
voorafgaand aan het huwelijk viel in de gvg.
Goederenkant
Lid 2 alle goederen die reeds VOOR de aanvang van het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle
overige goederen van de echtgenoten door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen VANAF de aanvang van de
gemeenschap tot haar ontbinding verkregen.
Bijv. woning is voor 70% van A en voor 30% van B, het is voorhuwelijks dus valt in de gvg. Als de gemeenschap
wordt ontbonden, dan geldt een verhouding van 50/50 (art. 1:100 BW).
Veel discussie over geweest, MAAR enige criterium is of echtgenoten het gezamenlijk hebben verkregen.
Gezamenlijk toebehoren als gevolg van verkrijging krachtens schenking of erfrecht, dan valt het NIET in de gvg.
Schuldenkant
Lid 7 alle VOOR het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden
betreffende goederen die reeds VOOR de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk
toebehoorden en alle TIJDENS het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de
echtgenoten.
UITZONDERINGEN (dus behoort tot eigen vermogen van echtgenoot)
Art. 1:94 lid 2 sub a t/m c;
Art. 1:94 lid 7 sub a t/m c;
Lid 5;
Lid 6;
Insluitingsclausule;
Uitsluitingsclausule;
Zaaksvervanging (art. 1:95 BW) allocatie-toewijzer: wat moeten we met bepaalde goederen die zowel in
financiering een herkomst hebben uit privévermogen maar ook uit gemeenschappelijk vermogen? Een goed kan
NIET tegelijk in de gemeenschap en in privévermogen vallen. Het moet dus alloceren in privévermogen of in de
gemeenschap.
VOORBEELDEN VAN ARTIKEL R.E. BRINKMAN, FTV 2023/12!
Zaaksvervanging
Art. 1:95 BW het verkregen goed blijft buiten de gemeenschap indien het bij de verkrijging voor meer dan de helft ten
laste van het eigen vermogen komt. Het eenheidsbeginsel brengt mee dat het goed geheel binnen of buiten de
gemeenschap valt.
Zaaksvervanging kan aan de orde zijn als aan één echtgenoot wordt geleverd.
Als aan beide echtgenoten wordt geleverd, met je kijken naar de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 BW.
Discussie in de literatuur of de zaaksvervangingsregeling van art. 1:95 BW van toepassing is op de gezamenlijke
verkrijging door echtgenoten en hoe eventueel die regeling dient te worden toegepast. Dit heeft gevolgen voor de
toewijzing (allocatie) van goederen aan een bepaald vermogen.
Sommigen leiden uit de PG af dat zaaksvervanging alleen ziet op goederen die aan één echtgenoot zijn geleverd.
Andere betogen dat er geen overtuigende reden is om de regeling niet ook toe te passen bij gezamenlijke
verkrijgingen.
Zie verschillende visies!
Casus omvang en zaaksvervanging
Casus 1.1
A verkoopt zijn een perceel grond; hij verkreeg dit perceel vóór het huwelijk dat A aanging met B in 2020. A koopt vervolgens
een bedrijfspand voor € 750.000 en financiert dit tijdens het huwelijk, met B als volgt:
€ 200.000 opbrengst verkoop
€ 100.000 uit de huwelijksgemeenschap
€ 450.000 uit een lening bij A’s vader
A moet de lening in vijf jaar helemaal aflossen. Dat betekent dat A maandelijks 7.500 euro aan zijn vader betaalt; dit betaalt
A uit een spaarrekening die hij voor het huwelijk al had.
1
,Het bedrijfspand wordt geleverd aan A. In welk vermogen valt het bedrijfspand?
Gehuwd in gvg, dus hoofdregel het valt in de gemeenschap. MAAR kijk altijd naar de financiering, want er kan een
uitzondering van toepassing zijn, zie art. 1:95 BW: het meer dan de helft-criterium. Je moet art. 1:95 BW beoordelen op het
moment van de verkrijging!
Er komt 200.000 euro uit het vermogen van A. Leningen moeten we wegstrepen, telt niet mee als eigen
vermogen!
- NUANCERING HR 1 mei 2015: A heeft een lening afgesloten ter aankoop van de woning. Op een bepaald
moment kunnen we uit de interne verhouding tussen A en B afleiden dat het bedrag WEL als eigen vermogen
gezien moet worden.
Bijv. A heeft zijn eerste woning gekocht en vader leent geld en een deel wordt kwijtgescholden onder
uitsluitingsclausule. Vervolgens kopen A en B een nieuwe woning en hoeft A de lening niet terug te betalen.
Het geld dat A heeft geleend bij de koop van eerste woning is bij de tweede woning eigen vermogen
geworden. DUS: de eerste keer is sprake van een lening en strepen we het weg, de tweede keer is het eigen
vermogen geworden en wordt het NIET weggestreept.
Dit geldt alleen in de verhouding tussen echtgenoten.
Met 200.000 euro redden we het helft-criterium niet.
Elke maand dat A 7500 euro aan zijn vader aflost, wordt gezien als een gemeenschapsschuld (art. 1:96 lid 4 BW).
Op dat moment ontstaat er een vergoedingsrecht bij A en een vergoedingsschuld bij de gemeenschap.
Casus 1.2
A en B zijn gehuwd in bgvg en krijgen een woning geleverd. De koopsom is € 410.000. A betaalt uit privévermogen € 205.000
en B betaalt uit privévermogen € 205.000.
In welk(e) vermogen(s) valt de woning?
Werkt zaaksvervanging ook bij een gezamenlijke verkrijging van echtgenoten? Drie visies:
1. Kijken naar de gezamenlijke verkrijging A en B verkrijgen ieder een onverdeeld aandeel in het goed. Dan art.
1:95 BW toepassing per aandeel. Je kijkt per echtgenoot hoe het gefinancierd is en of het dan in of buiten de
gemeenschap valt. A en B hebben beiden hun aandeel in het goed volledig uit eigen vermogen gefinancierd. Het
goed valt DUS niet in de gemeenschap. Er ontstaat een eenvoudige gemeenschap van dit registergoed naast de
gvg. Je kijkt dus hoe elke aandeel is gefinancierd.
2. Kijken naar het eenheidsbeginsel een goed kan niet deels tot de gemeenschap behoren en deels tot het
privévermogen. Deze visie kijkt dus niet naar de aandelen, maar naar het goed als geheel. Hoeveel is gefinancierd
uit privévermogen? Dat is meer dan de helft, dus het goed blijft buiten de gemeenschap.
- Sluit aan bij HR 21 april 2006 (bij een gezamenlijke verkrijging werd aangenomen dat tussen de echtgenoten
een eenvoudige gemeenschap bestond) en meeste steun in literatuur.
3. Als we art. 1:95 BW bekijken in combinatie met art. 1:94 BW, dan komen we tot de conclusie dat art. 1:95 BW
NOOIT geldt bij een gezamenlijke verkrijging. Dat geldt alleen als een goed wordt geleverd aan een van de twee
echtgenoten. Een goed valt bij gezamenlijke verkrijging in de gemeenschap en zaaksvervanging is niet meer
mogelijk.
Terugvallen op art. 1:94 lid 2 BW: het goed valt in de gemeenschap.
Casus 1.3
A en B zijn in bgvg gehuwd. A erft met 3 zussen een registergoed, waard € 800.000. Het wordt aan A toebedeeld en om de
zussen ‘uit te kopen’ gaan A en B een financiering aan bij de bank voor € 600.000.
In welk(e) vermogen(s) valt het registergoed?
Registergoed komt uit de nalatenschap, een verkrijging krachtens erfrecht en dit valt o.g.v. art. 1:94 lid 2 sub a BW NIET in
de gemeenschap. A erft maar 1/4e aandeel en de rest wordt bijgeleend. Uit HR Vierhuizen en HR 8 september 2017 blijkt dat
we het gehele registergoed beschouwen als verkregen krachtens erfrecht, ondanks dat A maar 1/4 e aandeel verkrijgt. DUS
het gehele registergoed valt buiten de gemeenschap.
Casus 1.5
A en B zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. B heeft nog een woning van voor het huwelijk met een ex-
echtgenoot die ze nu willen verdelen. De bedoeling van de bank is dat de woning op naam van A en B komt in verband met
de nieuwe financiering mede aan te gaan door A.
In welk(e) vermogen(s) valt de woning?
Zolang het goed nog niet verdeeld is, zit het bij B privé. Bij een verdeling kan het NIET aan A geleverd worden, want A
komt niet voor in de leveringsakte, hij is geen eigenaar. Het goed valt buiten de gemeenschap en wordt geheel aan B
toegedeeld. Het blijft ook van B, omdat het voorhuwelijks vermogen is.
Casus 1.4
2
,A en B zijn in de bgvg gehuwd. Als ze gaan trouwen heeft A 60% van de aandelen van X-B.V. Tijdens het huwelijk krijgt A de
kans om de overige aandelen van X-B.V. te verwerven. De koopprijs van de aandelen betaalt A van de en/of-rekening. In
welke vermogen vallen de aandelen?
Ieder aandeel is een los goed, je bekijkt het niet samen maar je moet ze individueel zien (HR Teixeira de Mattos). DUS we
komen niet toe aan de uitzondering van art. 1:95 BW. De aandelen vallen in de gvg.
Vergoedingsrechten
Als er betaald is aan een goed en dat goed valt niet in het vermogen waarmee is betaald, komen we in de sfeer van
vergoedingsrechten in welk vermogen valt het en wie heeft ervoor betaald?
Vergoedingsrechten kunnen ontstaan o.g.v. art. 1:95, art. 1:96 lid 4 en art. 1:96 lid 5 BW art. 1:87 BW gaat vervolgens
over het berekenen van het vergoedingsrecht.
Uit een vergoedingsverbintenis vloeien twee posities voort:
Een plicht/schuld art. 1:87 lid 1, art. 1:95 lid 1 en art. 1:96 lid 5 BW;
Een recht/vordering art. 1:95 lid 2 en art. 1:96 lid 4 BW.
HR 5 april 2019 (en/of-rekening en schenking met uitsluitingsclausule) man en vrouw gehuwd in agvg. Vrouw krijgt 3 x
10.000 euro geschonken met uitsluitingsclausule, dus zijn privé. Zij maakt dat geld over naar en/of-rekening die hoort bij de
gemeenschap. Op moment van scheiding zegt vrouw dat geld van haar privé is en man zegt dat het gemeenschappelijk is
dus recht heeft op de helft.
Hof: geld is op de en/of-rekening terechtgekomen en is geconsumeerd, dus vrouw heeft geen recht meer op
vergoeding.
HR: we hebben te maken hebben met privévermogen dat terecht is gekomen in de gemeenschap. De vrouw heeft
een vergoedingsrecht op de gemeenschap, dat het geld is uitgegeven maakt in feite niet uit. Er moet worden
gekeken wat er met het geld is betaald:
- Gemeenschapsschulden vergoedingsrecht;
- Privéschulden vrouw GEEN vergoedingsrecht.
Wie gaat dit bewijzen? Als het gaat om het uitgeven vanaf een gemeenschappelijke rekening/schulden uit
gemeenschapsvermogen worden betaald, dan geldt het vermoeden/dan is het uitgangspunt dat dit
gemeenschapsschulden zijn. Dan heeft de vrouw dus een vergoedingsrecht o.b.v. art. 1:96 lid 4 BW. MAAR de man
kan tegenbewijs leveren dat sprake is van privéschulden van de vrouw. In dit geval ging het om betalen van kosten
van huishouding, dit is gezamenlijk dus gemeenschapsschulden.
Vergoedingsrecht voorkomen? Diegene bedanken voor wat je krijgt!
HR 22 december 2022 (verjaringstermijn vergoedingsrechten tussen echtgenoten) als tijdens het huwelijk een
vergoedingsrecht- en schuld is ontstaan, kan dit tijdens het huwelijk verjaren?
HR: je kunt niet van echtgenoten/partners verwachten dat zo’n vergoedingsrecht tijdens het huwelijk wordt
ingeroepen. En al helemaal niet dat er rechtsmiddelen worden ingezet, indien niet wordt betaald.
Vergoedingsvorderingen kunnen dus TIJDENS het huwelijk NIET verjaren tussen echtgenoten. Zie art. 3:320 en
3:321 BW.
Als er dan een vergoedingsrecht en -schuld is, hoe moet deze dan worden berekend? In art. 1:95 en 1:96 BW wordt
verwezen naar art. 1:87 BW.
Hoofdregel is economische deelgerechtigdheid je gaat meedoen in de waardeontwikkeling van dat goed. MAAR
zie lid 3 e.v.
Stappenplan vergoedingsrechten
1. Is er een vergoedingsrecht ontstaan? Wat is de grondslag?
Huwelijkse voorwaarden HR Le Miralda: A en B wonen in NL en zijn gehuwd in koude uitsluiting, zonder
verrekenbeding. A is meest vermogende partner en er gaat tijdens huwelijk op verschillende momenten geld van
A naar B. Er zijn vier vergoedingsverbintenissen ontstaan. Van de laatste verbintenis koopt B een woning en gaat
er semi wonen, omdat huwelijk niet meer goed loopt. Een van beide echtgenoten vraagt echtscheiding aan.
Moet B nu de vier bedragen terugbetalen? HR zegt: bedragen 1-3 zijn vergoedingsrechten die stilzwijgend zijn
ontstaan, dus moet B terugbetalen. MAAR bedrag 4 had A met het doel overgemaakt om woning te kopen en dit
vond de HR een natuurlijke verbintenis, gezien de welstand en situatie heeft A woonwaarborg willen creëren voor
B.
Kosten van huishouding HR Bronkhorst/Van Eck en HR Te Kuile/Hofman: er treedt rechtsverwerking op t.a.v.
vergoedingsrechten. Dit houdt in dat je wel een vergoedingsrecht hebt, maar naar maatstaven van R&B kun je hier
GEEN beroep op doen. Dit kan alleen als sprake is van bepaalde gedragingen van echtgenoten. Bijv. de
verrekengerechtigde echtgenoot had alle administratie bijgehouden en wist dat hij teveel betaalde aan de kosten
van huishouding maar heeft hier nooit een opmerking over gemaakt.
3
, Gemeenschap van goederen B koop vakantiewoning van 400.000 euro, waarvan 300.000 euro uit eigen
vermogen en 100.000 euro uit gemeenschappelijk vermogen. Als je art. 1:95 BW toepast, dan valt het goed in het
eigen vermogen van B. MAAR B is dan wel een vergoedingsplicht van 100.000 euro aan de gemeenschap.
2. Wat is de omvang van het vergoedingsrecht?
Voor 1 januari 2012 HR Kriek/Smit: A heeft meermalen geïnvesteerd in gezamenlijke woning en woning is meer
waard geworden bij de verkoop. Heeft A bij scheiding recht op nominale waarde of meer door de waardestijging?
HR zegt: tussen echtgenoten gaan we uit van nominalisme (art. 6:111 BW), dus 100 blijft 100 en is niet onderhevig
aan waardestijgingen- of dalingen. DUS een vergoedingsschuld is nominaal.
MAAR uitzonderingen zijn niet uitgesloten. Als sprake is van een uitzonderlijk gunstig resultaat, zoals
waardestijging van een huis, dan is correctievergoeding (naast nominale vergoeding) op de plaats. De R&B kunnen
hiertoe bieden.
Na 1 januari 2012 art. 1:87 BW = economische deelgerechtigdheid (beleggingsleer).
- Lid 2: omvang van vergoedingsrecht wordt afhankelijk van de waardeontwikkeling van het goed.
- Lid 3: MAAR het geld moet wel met toestemming van andere echtgenoot zijn geïnvesteerd, anders geldt nog
steeds nominalisme. Ook voor gebruiksgoederen geldt nominalisme.
Casus vergoedingsrechten
Casus 2.1
A en B zijn in bgvg gehuwd. A had al voor het huwelijk een eenmanszaak. Tot het voorhuwelijkse vermogen van A behoort
een vrachtwagen van 100.000 euro en een schuld van 50.000 euro. Tijdens het huwelijk koopt A een nieuwe vrachtwagen
voor 120.000 euro. De vrachtwagen is al volgt betaald: 40.000 inruilwaarde eerdere vrachtwagen en 80.000 euro
ingehouden winsten.
Tot welk vermogen behoort de vrachtwagen? Hoe groot is de vergoedingsvordering van A?
Dit is een art. 1:95a BW-vordering.
Casus 2.2
A en B zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. A koopt een woning voor 500.000 euro en betaalt dit voor
200.000 euro uit een lening bij de bank en 300.000 euro uit eigen vermogen. B lost twee keer 50.000 euro af op de lening bij
de bank. Als de woning een aantal jaren later door A wordt verkocht, is de verkoopopbrengst 1.200.000 euro. Hoe groot is
het vergoedingsrecht van B?
Art. 1:87 lid 2 BW:
Sub a je doet mee met de waardeontwikkeling van het moment van verkrijging van het goed;
Sub b je doet mee met de waardeontwikkeling op het moment van betaling van het goed.
In dit geval is afgelost op de verkrijgingslening en is sprake van een sub a-vergoeding. Deze wordt berekend door 100.000
(totale aflossing door B)/500.000 (verkrijgingsprijs, waarde t.t.v. de aankoop) x 1.200.000 (verkoopopbrengst) = 240.000
euro.
Casus 2.3
A en B zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. A en B zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. Deze woning is
bij de aankoop volledig gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Op 30 december 2022 lost A de hypothecaire
geldlening - die op dat moment nog 180.000 euro is – geheel af uit eigen middelen. Op 15 januari 2023 zegt A tegen B dat
hun huwelijk voorbij is. Op dat moment is de woning 750.000 euro.
Hoe groot is het vergoedingsrecht van A?
Hoe moet je de economische deelgerechtigdheid berekenen? A heeft een verkrijgingsschuld afgelost. We kijken terug
naar het moment van verkrijging toen de woning 180.000 euro was. Er is een 100% vergoeding verkregen, dus het
vergoedingsrecht geeft recht op 750.000 euro.
Casus 2.4
A is eigenaar van 100% van de aandelen in een BV die 820.000 euro waard zijn. De BV is 10 jaar geleden opgericht waarbij
20.000 euro is gestort op de aandelen. A heeft deze 20.000 euro geleend bij de bank.
Echtgenoot B lost de 20.000 euro af uit eigen vermogen. Hoe groot is de vergoedingsvordering van B?
Zelfde als casus 2.3 MAAR extra aandachtspunt: als A geen ander vermogen heeft om de vergoedingsvordering van B te
voldoen en A moet overgaan tot verkoop van aandelen, dan moet er door A belasting betaald worden over het
‘vervreemdingsvoordeel’. Per saldo houdt A niet het bedrag van de vergoedingsvordering over aan de verkoop van de
aandelen.
4