Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 62 pagina's
College aantekeningen

College aantekeningen Relatievermogensrecht II (JUR-4RELVERMOG2)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 62 pagina's

Dit zijn de college aantekeningen van het vak Relatievermogensrecht II (JUR-4RELVERMOG2)

Voorbeeld van de inhoud

Relatievermogensrecht II hoorcollege
Hoorcollege 1 – De beperkte gemeenschap van goederen: omvang; zaaksvervanging;
vergoedingsrechten- en plichten; de in- en uitsluitingsclausule
Omvang en zaaksvervanging
Op 1 januari 2018 werd de wettelijke gemeenschap van goederen gewijzigd (art. 1:94 BW). De
wettelijke gemeenschap is beperkter geworden, eerst was het algeheel.

Art. 1:81 BW over de lotsverbondenheid is qua moment verschoven. Alles wat je ook voor het
huwelijk had viel in de gvg, maar die lotsverbondenheid is nu een stuk verschoven, namelijk naar het
moment van het huwelijk zelf. De lotsverbondenheid was in het oude systeem al gestart voordat het
huwelijk was begonnen. Dus de lotsverbondenheid gaat in op het moment van het huwelijk. Op dat
moment gaan we bepalen wat erin en wat er buiten de gemeenschap van goederen valt. Je volgt de
systematiek van art. 1:94 BW.

Art. 1:94 BW
Goederenkant
Lid 1  alle goederen die reeds voor de aanvang aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden.
 Stel, de woning is voor 70% van A en 30% van B. dit is een voorhuwelijks goed, dus valt in de
gemeenschap van goederen. En als dan de gemeenschap wordt ontbonden, dan geldt er een
verhouding van 50/50 (art. 1:100 BW). Hier is veel discussie over geweest
 Het enige criterium is of het goed aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoort. Dus wat is er door
hen alleen of wat is er door hen tezamen verkregen.

Schuldenkant
Lid 7  de schuldenkant: alle voor het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke
schulden.

Uitzonderingen:
 Art. 1:94 lid 2 a t/m c
 Art. 1:94 lid 7 a t/m c
 Insluitingsclausule
 Uitsluitingsclausule van lid 4
 Art. 1:95 BW  dit is de zaaksvervanging: verkrijgingen tijdens het huwelijk die om een
andere reden binnen of buiten de gemeenschap vallen. Dit artikel kun je zien als een
allocatie-toewijzer: wat moeten we met bepaalde goederen die zowel in financiering een
herkomst hebben uit privévermogen maar ook uit gemeenschappelijk vermogen. Het idee is
dat een goed niet tegelijk in de gemeenschap kan vallen en ook in het privévermogen. Het
moet dus ergens alloceren: of in de privévermogens of in de gemeenschap.

Je moet jezelf steeds afvragen tot welk vermogen een goed of een schuld behoort. Hoe zit het met
schuldeisers? Is het een privéschuld of een gemeenschapsschuld? Zie volgende week.

Art. 1:96 BW is ook gewijzigd toen art.1:94 BW is gewijzigd. Let dus ook op overgangsrecht. Art. 1:87
BW is al eerder gewijzigd.

Casus omvang en zaaksvervanging
De beperkte gemeenschap van goederen:
 Omvang
 Zaaksvervanging
 Vergoedingsrechten-en plichten
 De in-en uitsluitingsclausule

1

, Bijlage: wettekst met track changes

Casus 1.1
A verkoopt zijn een perceel grond; hij verkreeg dit perceel vóór het huwelijk dat A aanging met B in
2020. A koopt vervolgens een bedrijfspand voor € 750.000 en financiert dit tijdens het huwelijk, met
B als volgt:
 € 200.000 opbrengst verkoop
 € 100.000 uit de huwelijksgemeenschap
 € 450.000 uit een lening bij A’s vader
A moet de lening in vijf jaar helemaal aflossen. Dat betekent dat A maandelijks 7.500 euro aan zijn
vader betaalt; dit betaalt A uit een spaarrekening die hij voor het huwelijk al had.
Het bedrijfspand wordt geleverd aan A. In welk vermogen valt het bedrijfspand?

 In gemeenschap van goederen getrouwd, dus de hoofdregel is dat het in de gemeenschap valt.
Maar je moet ook naar de financiering kijken, want er kan een uitzondering van toepassing zijn.
O.g.v. art. 1:95 BW zit het helftcriterium in om te weten in welk vermogen het valt. Wat komt er uit
het eigen vermogen van A? De 200.000 euro voor het perceel grond dat is verkocht. De lening van
450.000 euro

Art. 1:95 BW zegt dat je steeds moet beoordelen op het moment van de verkrijging hoe dit in elkaar
steekt. Komt alles op dat moment uit het eigen vermogen van A? Er komt op het moment van de
verkrijging maar 200.000 euro uit het vermogen van A. leningen moeten we wegstrepen! Dit telt niet
mee en wordt niet gezien als eigen vermogen. Dus dit strepen we weg. Dan blijft er niet veel meer
over. Dan hebben we alleen de 200.000 euro en hiermee redden we het criterium van art. 1:95 BW
niet. Steeds als er elke maand wat wordt afgelost door A op die lening bij zijn vader dan is dat een
gemeenschapsschuld. Dan zitten we in art. 1:96 BW, dit gaat over de betaling aan schulden. Zie art.
1:96 lid 4 BW  dat betekent op elke maand dat A die 7500 euro betaalt, er een vergoedingsrecht
ontstaat. De schuld gaat dus de gemeenschap in en uit het privévermogen wordt een
gemeenschapsschuld betaald, dus er ontstaat een vergoedingsrecht bij A en een vergoedingsschuld
bij de gemeenschap.

Als er wordt geleend, moet je die lening wegstrepen, MAAR nuancering:
 Dit is nu een lening die A heeft afgesloten ter aankoop van de woning. Uit HR 1 mei 2015
kunnen we afleiden dat op een bepaald moment in de interne verhouding tussen A en B dat
bedrag moet worden gezien als wel eigen vermogen. Bijv. ik heb mijn eerste huis gekocht en
vader was lief om geld te lenen. Vervolgens hebben we een nieuw huis gekocht en ik hoefde
de lening niet terug te betalen. Het geld dat je van je vader hebt geleend bij de koop van het
tweede huis is eigen vermogen geworden. Bij de eerste keer lenen is het dus een lening en
strepen we het weg, bij de tweede keer lenen is dit niet opgeëist en is dit eigen vermogen
geworden en wordt dit niet meer weggestreept als eigen vermogen. Dus dingen kunnen van
kleur veranderen naar mate de tijd verder gaat. Dit geldt dan alleen in de verhouding tussen
de echtgenoten.

Casus 1.2
A en B zijn gehuwd in bgvg en krijgen een woning geleverd. De koopsom is € 410.000. A betaalt uit
privévermogen € 205.000 en B betaalt uit privévermogen € 205.000.
In welk(e) vermogen(s) valt de woning?

 Beiden met privévermogen gefinancierd. Hoofdregel is dat het buiten de gemeenschap valt, dus
zaaksvervanging toepassen. Criterium van art. 1:95 BW  er staat meer dan de helft. Hoe moeten we
dit artikel lezen? Werkt zaaksvervanging nou ook bij een gezamenlijke verkrijging van echtgenoten? Er
zijn drie visies/benaderingen:

2

,  Ik ga kijken bij die gezamenlijke verkrijging, wat verkrijg je als A en B, ieder verkrijgt een
onverdeeld aandeel in dat goed. Dan ga je art. 1:95 BW toepassen per aandeel. Dus per
echtgenoot kijken hoe het is gefinancierd en of het dan in of buiten de gemeenschap valt. A
heeft het aandeel in het goed volledig uit eigen vermogen gefinancierd en B net zo. En dat
betekent dat het goed niet in de gemeenschap valt, want A en B hebben hun aandeel volledig
gefinancierd met eigen vermogen, dus er ontstaat een eenvoudige gemeenschap van dit
registergoed NAAST deze gemeenschap van goederen. Je kijkt naar het aandeel, niet naar
50%. En dus hoe dat aandeel is gefinancierd.
 Kijkt meer naar het eenheidsbeginsel  een goed kan niet voor een deel in de gemeenschap
en voor een ander deel buiten de gemeenschap zitten. Een eenheidsbeginsel van een goed
zit of in de gemeenschap of erbuiten. Vanuit die visie kun je niet dat goed in twee aandelen
onder verdelen. Deze visie kijkt dus naar het goed als geheel en niet naar de aandelen. Als je
naar het gehele goed kijkt, moet je ook naar de tegenprestatie als geheel kijken. Hoeveel is er
gefinancierd uit privévermogen? Dat is meer dan de helft, dus het goed blijft buiten de
gemeenschap. De hele financiering komt dus buiten de gemeenschap en dus valt het goed
buiten de gemeenschap. Dus dezelfde uitkomst, maar een andere route. De verhoudingen
kunnen ook anders liggen.
 Die visie zegt, als we naar art. 1:95 BW kijken en we bekijken dit in combinatie met art. 1:94
BW moeten we tot de conclusie komen dat art. 1:95 BW NOOIT geldt bij een gezamenlijke
verkrijging. Dat geldt alleen als een goed wordt geleverd aan een van de echtgenoten. Als een
goed wordt geleverd aan A en B hebben zij de mogelijkheid van zaaksvervanging zelf de kop
omgedraaid. Dus is dit goed gewoon in gemeenschap gevallen en is geen zaaksvervanging
meer mogelijk. Dan val je terug op art. 1:94 lid 2 BW. Dat zou kunnen betekenen dat geen
eenvoudige gemeenschap kan ontstaan naast de huwelijksgemeenschap. Hier leidt het er dus
toe dat het goed in de gemeenschap valt.

Casus 1.3
A en B zijn in bgvg gehuwd. A erft met 3 zussen een registergoed, waard € 800.000. Het wordt aan A
toebedeeld en om de zussen ‘uit te kopen’ gaan A en B een financiering aan bij de bank voor €
600.000.
In welk(e) vermogen(s) valt het registergoed?

 Het pand komt uit de nalatenschap en A en B gaan 600.000 bij de bank lenen. Het is een
verkrijging krachtens erfrecht en die vallen o.g.v. art. 1:94 lid 2 sub a BW niet in de gemeenschap.
Maar A heeft maar een kwart geërfd en de rest wordt bij geleend met de lening. A en B verwachten
dat het in de gemeenschap valt. Maar valt het pand in de gemeenschap? Wat heeft A verkregen? Het
registergoed. Uit het Vierhuizen-arrest en HR 2017 blijkt dat we het hele pand beschouwen als
verkregen krachtens erfrecht. Daarmee valt het hele pand buiten de gemeenschap. Dat A en B geld
lenen om die andere uit te kopen is NIET relevant voor de allocatie van het pand. We komen dus niet
toe aan de hoofdregel o.b.v. de uitzondering. Dit pand blijft er dus buiten.

Voorbereiding: hoe zit het met de schuld? Is het een gemeenschapsschuld of niet? Hoe zit het met de
aansprakelijkheid?

Casus 1.5
A en B zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. B heeft nog een woning van voor het
huwelijk met een ex-echtgenoot die ze nu willen verdelen. De bedoeling van de bank is dat de woning
op naam van A en B komt in verband met de nieuwe financiering mede aan te gaan door A.
In welk(e) vermogen(s) valt de woning?

 B heeft nog een woning met C, een ex van B. Die woning is nog niet verdeeld. Dat pand moet
tijdens het huwelijk van A en B verdeeld worden. Wat gebeurt er door de toedeling? Door verdeling

3

, komt dat pand dan in de gemeenschap terecht? Waar zit het goed zolang het nog niet verdeeld is?
Privé bij B. Nu gaan we verdelen, het wordt toegedeeld aan B. Zou het bij een verdeling ook aan A
geleverd worden? A komt niet in de akte voor, want hij is geen eigenaar want het valt buiten de
gemeenschap. Het wordt helemaal aan B toegedeeld. Zou door de toedeling het goed in de
gemeenschap kunnen vallen? Het blijft van B privé, omdat het voorhuwelijks privévermogen is.

Casus 1.4
A en B zijn in de bgvg gehuwd. Als ze gaan trouwen heeft A 60% van de aandelen van X-B.V. Tijdens
het huwelijk krijgt A de kans om de overige aandelen van X-B.V. te verwerven. De koopprijs van de
aandelen betaalt A van de en/of-rekening. In welke vermogen vallen de aandelen?

 Ieder aandeel is een los goed en zijn tijdens het huwelijk verkregen. Aan de uitzondering van art.
1:95 BW komen we niet toe. Alle aandelen kunnen we individueel bekijken. Het zijn losse items. Je
bekijkt het niet als een goed samen, maar je kunt het allemaal individueel zien (HR Teixeira de
Mattos). Dus geen andere conclusie dan dat de aandelen in de gemeenschap van goederen vallen.

Tijdens het hoorcollege gaan we discussiëren over het antwoord op de vraag of de zaaksvervanging
van art. 1:95 BW ook van toepassing is bij een gezamenlijke verkrijging van in de wettelijke
gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten. Hierover is namelijk ook discussie in de literatuur,
zie onder meer: T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging bij gezamenlijke verkrijging door echtgenoten’, FTV
2020 afl. 9, nr. 28, p.6-10.

Vergoedingsrechten
Door al dit soort allocatie vraagstukken, komen we ook in het gebied van de vergoedingsrechten.
Want als er betaald is aan een goed en dat goed valt niet in het vermogen waarmee betaald is,
komen we in de sfeer van vergoedingsrechten.
We zien dat bij de gvg op grond van art. 1:95 BW vergoedingsrechten kunnen ontstaan, en op grond
van art. 1:96 lid 4 en lid 5 BW. Dat is dus de bron van vergoedingsrechten als we het hebben over
gemeenschap van goederen.
Er wordt verwezen in die artikelen naar art. 1:87 BW, maar dat is geen zelfstandige bron voor het
ontstaan van vergoedingsrechten. We gaan nog zien als mensen op hv zijn getrouwd. Maar als je zegt
‘op grond van art. 1:87 BW ontstaat een vergoedingsrecht’ dan is dat niet het hele verhaal, want art.
1:87 BW gaat alleen over hoe we vervolgens zo’n vergoedingsrecht berekenen.
Informele samenlevers hebben een hele eigen vergoedingsrecht problematiek. Nu alleen over de gvg.
 Art. 1:87 BW is geen zelfstandige bron voor het ontstaan van vergoedingsrechten. Ze ontstaan
o.g.v. art. 1:95, 1:96 en 1:97 BW.

Een vergoedingsverbintenis  hieruit vloeien twee posities voort:
 Een schuld
 Een vordering of een recht
Je moet steeds bedenken in welk vermogen zit die vordering en in welk vermogen zit die schuld. Het
kan zijn dat iets in de gemeenschap is gevallen terwijl er privé voor is betaald. Dus in welk vermogen
valt het en wie heeft ervoor betaald?

HR 5 april 2019  komt vaak voor in de praktijk. Koppel is getrouwd in agvg. Vrouw krijgt drie keer
een bedrag van 10.000 euro geschonken. De schenking was gedaan onder een uitsluitingsclausule. De
schenkingen die zij kreeg zijn privé van die vrouw. Ze maakt dat geld over naar de en- of-rekening en
die hoort bij de gemeenschap. Op het moment van de scheiding, staat er meer dan 30.000 euro op
die en- of-rekening. De vrouw zegt dat dat geld van haar is omdat zij dat geschonken heeft gekregen
onder uitsluitingsclausule en de man zegt dat het gemeenschappelijk is en dus recht heeft op de helft
omdat het op de gezamenlijke en- of rekening. Het Hof zegt dat het geld op de en- of rekening terecht
is gekomen en is geconsumeerd, de vrouw heeft geen recht meer op vergoeding. De HR zegt: de

4

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
10 september 2026
Aantal pagina's
62
Geschreven in
2025/2026
Type
College aantekeningen
Docent(en)
L. van der geld
Bevat
Alle colleges
$10.03

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
10
Volgers
0
Items
18
Laatst verkocht
2 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen