Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 51 pages
Summary

samenvatting Erfrecht II JUR-4ERFR2

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 51 pages

Dit is een samenvatting van de college aantekeningen en de literatuur van het vak Erfrecht II JUR-4ERFR2

Content preview

TENTAMEN ERFRECHT II

Week 1 – Inleiding en Overgangsrecht
Inleiding
Het erfrecht vormt het geheel van regels betreffende de vermogensrechtelijke aspecten van het overlijden van een
natuurlijk rechtssubject. De plaats van de overleden persoon wordt vermogensrechtelijk ingenomen door diens
erfgenamen. Zij volgen onder algemene titel op in de rechten en verplichtingen (saisineregel). Dat kan geschieden op grond
van de wet (versterferfrecht) of een uiterste wilsbeschikking.
Erfrecht gaat ook over in welke mate en op welke wijze de erflater kan beschikken over zijn nalatenschap. Ook biedt het
erfrecht mogelijkheden om beheersvoorzieningen te treffen met werking na overlijden in de vorm van executele en
bewind.

Algemeen overgangsrecht
Op 1 januari 2003  invoering nieuw boek 4 BW. Mensen overlijden nog steeds met testamenten van VOOR 2003, dus
overgangsrecht is van belang. Hoe moeten we oude testamenten inpassen in het nieuwe systeem? Je begint in de
algemene overgangswet:
 Hoofdregel  art. 68a Ow e.v.: het nieuwe erfrecht dat gemaakt wordt heeft onmiddellijke werking.
 MAAR er zijn uitzonderingen  art. 69-75 Ow: eerbiedigende werking.

Uiterste wilsbeschikkingen zijn eenzijdige rechtshandelingen die pas bij overlijden effect hebben. De uiterste wil van de
erflater moet zoveel mogelijk worden geëerbiedigd en worden geïnterpreteerd vanuit het oude recht. DUS in alle gevallen
waarin in een uiterste wilsbeschikking gebruik is gemaakt van rechtsfiguren die het oude recht wel maar in het nieuwe
recht niet kent, blijven via overgangsrecht dus wel een rol spelen.

Ouderlijke boedelverdeling en wettelijke verdeling
De obv was testamentair erfrecht (art. 4:1167 Oud BW), MAAR de w.v. is versterferfrecht (art. 4:13 BW).
 De w.v. is NIET de nieuwe obv, MAAR de w.v. is gebaseerd op de obv van destijds  de obv werd gemaakt om
onverdeeldheid te voorkomen. Het is een uiterste wilsbeschikking, die een verdeling inhoudt tussen de
erfgenamen. De verdeling van de nalatenschap komt in goederenrechtelijke zin tot stand door het openvallen van
de nalatenschap. De erflater bepaalde bij testament wie de vermogensbestanddelen van zijn nalatenschap
verkreeg. De obv werd benut om alle activa en passiva van de nalatenschap aan de langstlevende te doen
toekomen, waarbij die langstlevende wegens overbedeling aan de kinderen een schuld verkreeg. De kinderen
kregen geen aanspraak op goederen, maar op geld (vordering). Deze werd pas opeisbaar bij het overlijden van de
langstlevende, faillissement of hertrouwen.

 De obv werd gemaakt, omdat het de enige manier was om de l.p. van de kinderen te temperen onder oud recht. Voor
2003 kon een onterfd kind een beroep doen op de legitieme en werd hierdoor erfgenaam, dus deelgenoot en had
erfgenaamschap. Dan heb je ook recht op de goederen van de nalatenschap, je hebt een aanspraak in natura.
Met de obv kon men de aanspraak van een legitimaris op goederen van de nalatenschap omzetten in een aanspraak in geld.
Daarmee kon de LL in de spullen blijven en hoefde dit dus niet goederenrechtelijk te delen met de kinderen.

Onder het nieuwe recht is de w.v. NIET nodig om kinderen op afstand te houden i.v.m. de l.p.  kinderen hebben
überhaupt geen aanspraak op goederen, alleen maar op geld.

HR 30 november 1945 (Visser/Harms)  de kinderen hebben recht op geld o.b.v. de l.p., tenzij er een natuurlijke
verbintenis speelt. De verzorgingsverplichting van A en de verzorgingsbehoefte van B is belangrijker dan de l.p. van de
kinderen. Een echtgenoot heeft volgens maatschappelijke normen een morele plicht om te zorgen dat zijn echtgenoot
verzorgd achterblijft, die plicht kan een natuurlijke verbintenis zijn. In het testament stond dat alle goederen naar B gaan en
de vorderingen van de kinderen pas opeisbaar zijn bij overlijden van B. MAAR als B miljoenen heeft, dan is B niet
verzorgingsbehoeftig en heeft A geen morele verplichting. Het criterium is dus verzorgd achterblijven.

Hoe kunnen we de kinderen in de erfrechtelijke wachtkamer houden? Door de w.v. en door art. 4:82 BW
(opeisbaarheidsclausule). Bij art. 4:82 BW geldt het criterium van onverstoord voortleven.
 Denkfout van de 21e eeuw: men wilde voor 2003 de echtgenoot verzorgd achterlaten en koos dus voor de obv. In 2003
wilde men nog steeds de echtgenoot verzorgd achterlaten en werd de w.v. bevestigd. Veel notarissen legden destijds de
w.v. vast voor mensen. MAAR het ging hier om 4:82 BW.
Het probleem van de w.v. is dat er weinig flexibiliteit is. Het ongedaan maken moet namelijk binnen 3 maanden (art. 4:18
BW). Destijds had de notaris moeten beginnen met een blanco-testament waar alleen art. 4:82 BW in stond.

De obv kan NIET meer gemaakt worden! Nu hebben we de w.v. en andere testamenten van boek 4 BW. Waar in het nieuwe
erfrecht staat dat de obv niet meer gemaakt kan worden?




1

,  Definitie van uiterste wilsbeschikking  art. 4:42 BW: de uiterste wilsbeschikking moet in boek 4 BW zijn
geregeld. De obv zien we nergens meer staan. Er geldt en gesloten stelsel, dus alles wat hiermee in strijd is, is
nietig.
 MAAR door de overgangswet blijven de obv die gemaakt zijn wel geldig. Onder het nieuwe recht kan de obv alleen
NIET meer gemaakt worden.

Verboden beschikkingen
Art. 4:57 e.v. BW  onder oud recht waren deze bepalingen nietig. Op 1 januari 2003 werden ze vernietigbaar. MAAR door
het overgangsrecht blijft alles wat geldig was, geldig maar voor het overige gelden nieuwe sancties. Dus als iets nietig was,
dan kan het geldig worden.

Bijv. een executeur bij codicil benoemen kon onder het oude erfrecht wel, maar dit zou nu nietig zijn.

Bijzonder overgangsrecht
 Art. 125 Ow. De wetgever heeft een aantal punten voorzien.
 Stel, onder oud recht is een executeur bij codicil benoemd. Dit codicil blijft geldig o.g.v. het algemene
overgangsrecht.
 Zijn de bevoegdheden van deze executeur de nieuwe of oude bevoegdheden? De hoofdregel is onmiddellijke
werking, dus nieuwe bevoegdheden. MAAR zie art. 133 Ow  een executeur onder oud recht krijgt nieuwe
bevoegdheden en wordt een beheersexecuteur, maar dan moet hem in het verleden wel het bezit van de
nalatenschap zijn toegekend. Als dit niet het geval is, wordt het een 1 sterren-executeur.
DUS: eerst het algemene overgangsrecht toepassen en vervolgens kijken of er een bijzondere regeling is.

Art. 139 Ow  schenkingen kunnen worden gezien als een voorschot op het erfdeel. Een schenking aan een kind was
VROEGER aan inbreng onderhevig, NU geldt de regel dat geen sprake is van inbreng tenzij anders is bepaald.
Dit is ook weer een bijzondere regel van overgangsrecht.

 STAPPENPLAN OVERGANGSRECHT:
1. Is sprake van een overgangsrechtelijk probleem?
 Wanneer is de uiterste wil gemaakt?
 Wanneer is de nalatenschap opengevallen?
 Wanneer is de wet in werking getreden of van toepassing geworden?
 Wijkt het nieuwe erfrecht af van het oude?
2. Welke bepalingen van de nieuwe wet komen voor toepassing in aanmerking?
3. Hoofdregel: onmiddellijke werking (art. 68a Ow)
4. Algemene uitzonderingen:
 Verkregen vermogensrechten worden geëerbiedigd (art. 69 Ow)
 De geldigheid van rechtshandelingen wordt geëerbiedigd; conversie van vernietigbaar dan wel nietig naar
oud recht in geldig, vernietigbaar of nietig naar nieuw recht kan plaatsvinden (art. 79-81 Ow en art. 127 Ow)
 Uitgestelde werking verval- en verjaringstermijnen (art. 72-73a Ow)
 Bijzondere regeling lopende procedures (art. 74 Ow)
5. Kijk of voor de toepasselijke bepalingen uit de nieuwe wet bijzondere bepalingen in titel 5 van de Ow zijn
opgenomen.
6. In geval van onbillijk eindresultaat kan de R&B-toets van art. 75 Ow wellicht toepassing vinden 
vangnetbepaling die bepaalt dat de wet buiten toepassing blijft indien de toepassing onder gegeven
omstandigheden naar maatstaven van R&B onaanvaardbaar zouden zijn.

Uitleg van art. 4:46 BW
Het uitleggen van uiterste wilsbeschikkingen (wat heeft erflater gewild?) is lastig, want degene van wie de beschikking
wordt uitgelegd, kan niet meer behulpzaam zijn.
 LET OP: uitleg is anders dan aanvulling (art. 4:47 BW) en mag niet geschieden o.g.v. verklaringen buiten uiterste wil om!
Aan aanvulling kom je pas toe als uitleg niet heeft geleid tot uitvoerbare beschikking.

Uitleg is toegestaan wanneer de woorden onduidelijk zijn (grammaticaal of gelet op de setting waarin getesteerd werd),
dan is uitleg toegestaan. Steeds moet de bedoeling van erflater worden vastgesteld.
 Lid 2  daden of verklaringen van de erflater die niet in het testament zelf zijn vervat, mogen slechts
gebruikt worden voor het uitleggen, indien de uiterste wilsbeschikking geen duidelijke zin heeft zonder die
daden en verklaringen.
 Lid 3  Heeft erflater zich klaarblijkelijk vergist in de aanduiding van een persoon of goed, dan wordt de
beschikking uitgevoerd conform de bedoeling van erflater.

Uitleg en overgangsrecht



2

,Uitleg speelt een belangrijke rol in het erfrechtelijke overgangsrecht. Hetgeen in de uiterste wil is opgeschreven, is
gebaseerd op het recht dat ten tijde van het opmaken van de uiterste wil van toepassing was.

VOORBEELD: A maakt een testament en benoemd B en C ieder voor de helft als erfgenaam. C heeft kinderen D en E. Als A
overlijdt en C is vooroverleden, wie erft dan de nalatenschap? Alleen B, er is een testament gemaakt en in het
testamentaire erfrecht hebben we GEEN plaatsvervulling! Vaak worden de regels van plaatsvervulling wel van
overeenkomstige toepassing verklaard in een testament.

Als C nog wel leeft op het moment van overlijden van A maar liever was overgeslagen (generation skipping), zodat maar 1 x
erfbelasting betaald hoeft te worden (wel meer belasting, want kleinkinderen betalen tegen een hoger tarief), dan kan C
verwerpen. De regels van plaatsvervulling zijn van overeenkomstige toepassing (art. 4:12 BW). Dan slaat hij zichzelf als ware
over en erven zijn kinderen.
MAAR het testament is opgemaakt voor 2003, dan zitten we in het oude erfrecht. Voor 2003 was er nog geen art. 4:12 BW
 er waren wel plaatsvervullingsregels maar ALLEEN t.b.v. personen die zijn vooroverleden. Voor verwerping is geen
oplossing gegeven. DUS als C verwerpt was het deel van C aan bij B, maar dat was niet de bedoeling.
 Dit gaat over de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4:46 BW). Je moet het testament uitleggen naar de
omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
In het voorbeeld is een begrip gebruikt (plaatsvervulling) dat onder het oude recht een andere lading heeft dan onder het
nieuwe recht, DUS je moet dat begrip uitleggen naar de inhoud van destijds.

VOORBEELD: erflater sterft onder het huidige recht met achterlating van halfbroer C van vaderszijde en halfzusters D, E en F
van moederszijde en in zijn onder het oude recht opgemaakte testament staat ‘mijn nalatenschap vererft volgens de wet’,
dan erven de halfbroer en halfzusters NIET ieder 1/4e volgens art. 4:10 jo. 4:11 BW. Gelet op de omstandigheden
waaronder de uiterste wil is gemaakt (het destijds geldende recht), moeten de halfzusters het doen met 1/6e en de
halfbroer met 1/2e.

VOORBEELD: ‘enige erfgenaam met uitzondering van de legitieme’ clausules (uitleg van oude testamenten onder nieuw
erfrecht) kunnen op twee manieren worden uitgelegd:
 Goederenrechtelijk: legitimaris is erfgenaam;
 Verbintenisrechtelijk: legitimaris heeft alleen een geldvordering.
 Volgens minister moeten begrippen in oude testamenten in beginsel naar oud recht worden uitgelegd.
Goederenrechtelijke uitleg is veiliger dan verbintenisrechtelijke.

Hof Amsterdam 8 juli 2014
A heeft testament opgemaakt voor onder oud recht. De nalatenschap valt open onder nieuw recht. In het testament was
een clausule opgenomen waarin stond: het erfdeel van het kind zou worden beperkt tot zijn of haar l.p. als het betreffende
kind de verdeling niet zou bekrachtigen.
 Is nu oud of nieuw erfrecht van toepassing? O.g.v. art. 68a en art. 128 Ow is nieuw erfrecht van toepassing. DUS de vraag
is eigenlijk wat erflater heeft bedoeld met de clausule  daarvoor moeten we de uiterste wil uitleggen (art. 4:46 BW).

Onder oud erfrecht was de legitieme anders dan onder nieuw recht:
 Oud  er was sprake van breukdelen die varieerden afhankelijk van het aantal kinderen.
- 1/2e bij 1 kind, 2/3e bij 2 kinderen en 3/4e bij 3 kinderen.
 Nieuw  het breukdeel is 1/2e.

De minister zegt het volgende over uitleg van uiterste wilsbeschikkingen in overgangsrechtelijke setting:
 Heeft de erflater vererfd volgens de wet of een vergelijkbare clausule in het testament opgenomen, dan moet er
in beginsel worden uitgegaan dat daarmee is bedoeld de wet die van kracht was ten tijde van het maken van het
testament. Door de bril van het oude recht.
 Hetzelfde geldt als er wordt verwezen van de regels van plaatsvervulling aanwas, hetzelfde moet voorts worden
aangenomen indien sprake is van het in de legitieme staat.
 DUS: uitleggen aan de hand van het oude erfrecht, dus een breukdeel van 1/3 e (de helft x 2/3e).

MAAR het Hof kiest voor een breukdeel van 1/4e (de helft x 1/2e), dus lijkt uit te komen bij nieuw erfrecht. Het Hof zegt dat
we niet alleen kijken naar de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, maar ook kijken naar de verhoudingen
die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. Het moet ook zo worden uitgelegd, dat de erflater beoogd om zo min
mogelijk weg te geven. De bepaling die aan de orde is, is ook enigszins geformuleerd als een strafsanctie.
Het ging in deze zaak ook om een obv, dus iedereen die in de verdeling werd betrokken werd ook erfgenaam. het Hof vond
ook dat iedereen erfgenaam was.

Stel, in een testament zou staan: als Jan dit niet doet, dan stel ik hem in de legitieme opgemaakt onder recht
openvallend onder nieuw recht. Dan geeft deze uitspraak ruimte voor de filosofie: het is een strafsanctie, dus zo
min mogelijk. Hier betekent zo min mogelijk naar het nieuwe erfrecht. Maar zou je dan ook niet nog verder durven


3

, gaan als je het een strafsanctie vindt en zou je niet durven te betogen: had ik geweten dat onder het nieuwe
erfrecht een legitimaris geen erfgenaam meer hoeft te zijn, kan ik dan die clausule niet uitleggen en zeggen: dit is
een onterving. Dus de grootste straf, je krijgt helemaal niets. Aandachtspunt waar we nog eens over na moeten
denken.

MAAR besef wel: destijds had erflater ook een breukdeel van 1/4 e in zijn testament kunnen opnemen. Dat had hij niet
gedaan. Of hij had onterfd kunnen worden. Ook denken aan het feit of de wil van erflater is veranderd omdat toevallig
nieuw erfrecht is ingevoerd. Als erflater op 12 december 2002 zou zijn overleden, was er geen discussie geweest.

Het is slechts een uitleg-vraag en GEEN vraag of oud of nieuw recht van toepassing is.

Stel, erfgenaam had verkregen onder voorwaarde, last of bewind, dan zou de op het idee kunnen komen om voor de l.p. te
gaan. Dit is een inferieure verkrijging, dus de nalatenschap verwerpen en de contantenverklaring afleggen. Dan zou hij in
alle gevallen werken met het nieuwe erfrecht. MAAR in deze zaak was geen sprake van een legitieme kwestie, maar een
kwestie wat de erflater aan de betrokken kinderen wil geven.




4

Document information

Study
Uploaded on
September 10, 2026
Number of pages
51
Written in
2025/2026
Type
Summary
$10.62

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
10
Followers
0
Items
18
Last sold
2 months ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions